CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G.JACOBS
van 12 februari 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
In de onderhavige zaak verzoekt de Commissie het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag, vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 80/778/EEG van de Raad van 15 juli 1980 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB 1980, L 229, blz. 11), de op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Het toepasselijke recht
2.
Richtlijn 80/778 bevat normen voor de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water. Deze normen zijn opgenomen in een lijst van „parameters” in bijlage I bij de richtlijn. Voor de meeste parameters van de tabellen A tot en met E van bijlage I stelt de richtlijn een maximaal toelaatbare concentratie (hierna: „MTC”) en een richtniveau vast. Voor enkele bepaalt zij een MTC noch een richtniveau. Voor een klein aantal parameters van tabel F van bijlage I is een minimumconcentratie bepaald.
3.
Artikel 7 van de richtlijn luidt als volgt:
„1.
De Lid-Staten stellen de waarden vast welke van toepassing zijn op voor menselijke consumptie bestemd water, en wel voor de in bijlage I vermelde parameters.
2.
Wat betreft de parameters waarvoor geen enkele waarde is aangegeven in bijlage I, kunnen de Lid-Staten de vaststelling van waarden ter uitvoering van lid 1 achterwege laten zolang dergelijke waarden niet door de Raad zijn bepaald.
3.
Ten aanzien van de parameters, vermeld in de tabellen A, B, C, D en E van bijlage I:
—
moeten de door de Lid-Staten vast te stellen waarden lager dan of gelijk zijn aan de in de kolom ‚Maximaal toelaatbare concentratie’ vermelde waarden;
—
nemen de Lid-Staten voor het vaststellen van de waarden de in de kolom ‚Richtniveau’ vermelde waarden als richtsnoer.
4.
Met betrekking tot de in tabel F van bijlage I opgenomen parameters moeten de door de Lid-Staten vast te stellen waarden hoger zijn dan of gelijk zijn aan de in de tabel ‚Minimaal vereiste concentratie’ vermelde waarden voor water, als bedoeld in artikel 2, eerste streepje, dat een onthardingsbehandeling heeft ondergaan.
5.
De beoordeling van de in bijlage I vermelde waarden moet geschieden met inachtneming van de opmerkingen (dit wil zeggen de opmerkingen over bepaalde parameters in de rechterkolom van bijlage I).
6.
De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat voor menselijke consumptie bestemd water ten minste in overeenstemming is met de in bijlage I aangegeven eisen.”
4.
De artikelen 9 en 10 voorzien in een aantal afwijkingen.
Artikel 9 bepaalt:
„1.
De Lid-Staten kunnen van deze richtlijn afwijken ten einde rekening te houden met:
a)
situaties met betrekking tot de natuurlijke staat en de structuur van de bodem van het gebied waarvan de betreffende voorzieningsbron afhankelijk is.
Wanneer een Lid-Staat tot een dergelijke afwijking besluit, geeft hij binnen twee maanden na het nemen van zijn besluit, onder opgave van de redenen van de afwijking, hiervan kennis aan de Commissie;
b)
situaties met betrekking tot uitzonderlijke weerkundige omstandigheden.
Wanneer een Lid-Staat tot een dergelijke afwijking besluit, geeft hij binnen 15 dagen na het nemen van zijn besluit, onder opgave van de redenen en van de duur van de afwijking, hiervan kennis aan de Commissie.
2.
De Lid-Staten geven de Commissie slechts dan kennis van de in lid 1 bedoelde afwijkingen, indien deze betrekking hebben op een watervoorziening van ten minste 1000 m3 per dag of op een bevolking van ten minste 5000 personen.
3.
De afwijkingen waartoe krachtens dit artikel wordt besloten, mogen in geen geval de toxische en microbiologische factoren betreffen, noch gevaar opleveren voor de volksgezondheid.”
Artikel 10 van de richtlijn luidt als volgt:
„1.
In noodgevallen mogen de bevoegde nationale autoriteiten, gedurende een beperkte tijdsduur en tot een maximumwaarde die zij vaststellen, overschrijding van de in bijlage I vermelde maximaal toelaatbare concentraties toelaten, voor zover deze overschrijding geen enkel onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid meebrengt en de voorziening van voor menselijke consumptie bestemd water op geen enkele andere manier kan worden bewerkstelligd.
2.
Onverminderd de toepassing van richtlijn 75/440/EEG, en met name van artikel 4, lid 3, daarvan, kan een Lid-Staat, wanneer hij voor zijn drinkwatervoorziening gebruik dient te maken van oppervlaktewater dat niet de kwaliteit A 3 bezit in de zin van artikel 2 van genoemde richtlijn en hij geen passende behandeling in aanmerking kan doen komen ten einde drinkwater van de in deze richtlijn bedoelde kwaliteit te verkrijgen, gedurende een beperkte tijdsduur en tot een door hem vastgestelde toelaatbare maximumwaarde, overschrijding van de in bijlage I vermelde maximaal toelaatbare concentraties toelaten, voor zover deze overschrijding geen onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid meebrengt.
3.
De Lid-Staten die gebruik maken van de in dit artikel bedoelde afwijkingen, stellen de Commissie hiervan onmiddellijk in kennis met opgave van de redenen en de vermoedelijke duur van deze afwijkingen.”
5.
Opgemerkt zij, dat de Franse versie van artikel 10, lid 1, begint met de zinsnede „En cas de circonstances accidentelles graves”, hetgeen veel explicieter is dan de Engelse formulering „In the event of emergencies” of de Duitse formulering „In Notfällen”. Mijns inziens is dat verschil evenwel niet relevant.
6.
De Lid-Staten dienden binnen twee jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van de richtlijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om aan de richtlijn en haar bijlagen te voldoen (artikel 18). Zij moesten de nodige maatregelen nemen opdat de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water binnen een termijn van vijf jaar na kennisgeving van de richtlijn daarmede in overeenstemming werd gebracht (artikel 19). Volgens de Commissie is de richtlijn de Bondsrepubliek Duitsland op 18 juli 1980 ter kennis gebracht.
7.
De belangrijkste Duitse regeling ter uitvoering van de richtlijn is de Trinkwasserverordnung van 22 mei 1986 (BGBl. 1986 I, blz. 760), zoals gewijzigd bij de Verordnung zur Änderung der Trinkwasserverordnung und der Mineral- und Tafelwasser-Verordnung van 5 december 1990 (BGBl. 1990 I, blz.2600). De gewijzigde versie van de Trinkwasserverordnung is in werking getreden op 1 januari 1991.
De aan de procedure voorafgaande feiten
8.
Bij brief van 30 oktober 1987 deelde de Commissie de Duitse regering mee, dat haars inziens de richdijn niet naar behoren in Duits recht was omgezet. Zij verzocht de Duitse regering haar opmerkingen dienaangaande te maken. Niet overtuigd door het antwoord van de Duitse regering, bracht de Commissie op 6 juli 1989 een met redenen omkleed advies uit, waarin zij de Bondsrepubliek Duitsland verzocht de nodige maatregelen te treffen om zich binnen een termijn van twee maanden naar de richtlijn te voegen. Bij brief van 6 september 1989 deelde de Duitse regering de Commissie mee, dat haars inziens de richtlijn door de Trinkwasserverordnung naar behoren in Duits recht was omgezet. In dezelfde brief verklaarde de Duitse regering, dat een verordening tot wijziging van de Trinkwasserverordnung op stapel stond; kennelijk ging het om de verordening die op 1 januari 1991 in werking is getreden.
9.
Het beroep is op 27 juli 1990 ingesteld. Op tien punten zou de Bondsrepubliek Duitsland de richtlijn niet naar behoren hebben omgezet. In repliek trok de Commissie evenwel zes grieven in, omdat deze haars inziens door de wijziging van de Trinkwasserverordnung zonder voorwerp waren geraakt. In haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof heeft de Commissie nog een grief ingetrokken. Het Hof dient zich dus slechts over drie grieven uit te spreken.
Afwijkingen op grond van § 4, lid 1, van de Trinkwasser ver ordn ung
10.
§4, lid 1, van de Trinkwasserverordnung bepaalt:
„In noodgevallen mag de bevoegde autoriteit, gedurende een beperkte tijdsduur en tot een maximumwaarde die zij vaststelt, afwijking van de in bijlage 2 bepaalde grenswaarden toestaan, voor zover dit geen risico voor de volksgezondheid meebrengt en de voorziening van voor menselijke consumptie bestemd water op geen enkele andere manier kan worden bewerkstelligd.”
11.
In de oorspronkelijke versie stond niet „In noodgevallen” („In Notfällen”), maar „In individuele gevallen” („Im Einzelfall”). Bovendien konden volgens die versie afwijkingen worden toegestaan wanneer de drinkwatervoorziening op geen enkele andere manier „tegen een redelijke kostprijs” kon worden bewerkstelligd. De Commissie is van oordeel, dat de oorspronkelijke versie van §4, lid 1, in strijd was met artikel 10, lid 1, van de richtlijn, volgens hetwelk afwijkingen slechts „in noodgevallen” mogen worden toegestaan en waar in de voorwaarde, dat de voorziening van voor menselijke consumptie bestemd water op geen enkele andere manier kan worden bewerkstelligd, niets wordt gezegd over een redelijke kostprijs. De Bondsrepubliek Duitsland betoogt, dat zelfs de oorspronkelijke versie van § 4, lid 1, van de Trinkwasserverordnung zich verdroeg met artikel 10, lid 1, van de richtlijn; enerzijds mochten afwijkingen enkel worden toegestaan in noodgevallen, ook al was dat begrip niet uitdrukkelijk in de tekst van § 4, lid 1, opgenomen, en anderzijds beoogde de uitdrukking „tegen een redelijke kostprijs” de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
12.
Ik zie niet in, hoe die argumenten kunnen slagen. Volgens de rechtspraak van het Hof moeten bepalingen van de richtlijn waarbij afwijkingen worden toegestaan, strikt worden uitgelegd (arrest van 22 september 1988, zaak 228/87, X, Jurispr. 1988, blz. 5099, r. o. 10). Het begrip „noodgevallen” moet worden uitgelegd als „dringende situaties, waarin de verantwoordelijke instanties onverhoeds het hoofd moeten bieden aan moeilijkheden bij de voorziening met voor menselijke consumptie bestemd water” (ibidem, r. o. 14). Door de afwijkingen niet uitdrukkelijk tot noodgevallen te beperken en door aan de voorwaarde, dat de drinkwatervoorziening op geen enkele andere manier kan worden bewerkstelligd, de woorden „tegen een redelijke kostprijs” toe te voegen, had de originele versie van § 4, lid 1, van de Trinkwasserverordnung de werkingssfeer van de in artikel 10, lid 1, van de richtlijn bedoelde afwijking uitgebreid. Indien de Lid-Staten de werkingssfeer van een dergelijke afwijking eenzijdig zouden kunnen uitbreiden, zou de doeltreffendheid van de richtlijn op de helling komen te staan.
13.
In repliek erkent de Commissie, dat de gewijzigde versie van § 4, lid 1, van de Trinkwasserverordnung formeel in overeenstemming is met de richtlijn. Zij merkt evenwel op, dat zij dit punt niet als geregeld kan beschouwen, zolang de Bondsrepubliek Duitsland niet garandeert, dat de Duitse autoriteiten hun praktijk ook de facto zullen wijzigen. Volgens de Commissie blijkt uit bij haar ingediende klachten betreffende de kwaliteit van het drinkwater in Duitsland, dat met de richtlijn strijdige afwijkingen worden toegestaan. Voorts blijkt uit een aanbeveling van het Bundesgesundheitsamt, dat afwijkingen zijn toegestaan zonder dat er sprake was van een noodgeval. Het Hof heeft de Commissie schriftelijk gevraagd, of zij deze grief wenste te handhaven, nu zij erkende, dat de op 1 januari 1991 in werking getreden versie van § 4, lid 1, van de Trinkwasserverordnung in overeenstemming was met de richtlijn. In haar antwoord geeft de Commissie verschillende redenen waarom zij haar grief handhaaft. In de eerste plaats heeft de Bondsrepubliek Duitsland niet formeel verklaard, dat zij het begrip „noodgeval” aldus uitlegt, dat het uitsluitend onvoorziene gebeurtenissen dekt. In de tweede plaats blijven de Duitse autoriteiten afwijkingen toestaan in situaties die geen noodgevallen zijn. Dit blijkt uit een uittreksel van de Alfterer Nachrichten (het officiële blad van de gemeente Alfteren), waarin staat, dat een waterleidingbedrijf te Heidgen voor de periode van 1 oktober 1989 tot 30 september 1990 toestemming had gekregen om bepaalde MTC's te overschrijden, en dat die toestemming voor een periode van twee jaar is verlengd. In de derde plaats is het in verband met eventuele schadevorderingen wenselijk, dat het Hof van Justitie voor recht verklaart, dat de vóór 1 januari 1991 geldende versie van de Trinkwasserverordnung in strijd was met de richtlijn. Ten slotte is het eveneens wenselijk, dat het Hof voor recht verklaart, dat ook na die datum slechts van een correcte omzetting van de richtlijn kan worden gesproken wanneer die wijziging ook in de praktijk doorwerkt.
14.
Ofschoon, zoals gezegd, de oorspronkelijke versie van § 4, lid 1, van de Trinkwasserverordnung ongetwijfeld in strijd was met artikel 10, lid 1, heeft de Commissie mijns inziens geen niet-nakoming van de richdijn aangetoond met betrekking tot de periode na 1 januari 1991. Sedert die datum zijn de bewoordingen van artikel 10, lid 1, van de richtlijn immers in de Duitse wettelijke regeling opgenomen. De Commissie stelt uiteraard terecht, dat het niet volstaat de bepalingen van een richtlijn eenvoudig in de nationale wettelijke regeling op te nemen; de Lid-Staten moeten er ook op toezien, dat de betrokken wetgeving wordt toegepast. Ik ben evenwel van mening, dat de Commissie niet heeft aangetoond, dat de Duitse autoriteiten de richtlijn in de praktijk niet toepassen. De meeste van de door de Commissie aangehaalde klachten over de kwaliteit van het drinkwater hebben betrekking op de periode vóór de wijziging van de Trinkwasserverordnung. Hetzelfde geldt voor de aanbeveling van het Bundesgesundheitsamt. Het is weliswaar zeer de vraag, of de in de Alfterer Nachrichten vermelde afwijking, die in totaal een periode van vier jaar betreft, wel verband houdt met een „noodgeval” in de zin van artikel 10, lid 1, van de richtlijn, doch zelfs al zou die afwijking in strijd met de richdijn zijn toegestaan, de onderhavige procedure strekt niet tot vaststelling van de onwettigheid van een bepaalde afwijking. Zij strekt tot vaststelling, dat de Bondsrepubliek Duitsland een richtlijn niet in nationaal recht heeft omgezet. Het is duidelijk, dat artikel 10, lid 1, van de richtlijn sedert 1 januari 1991 in nationaal recht is omgezet. Zo de Commissie van mening is, dat bepaalde afwijkingen in strijd met artikel 10, lid 1, van de richtlijn (en met de overeenkomstige bepaling in het Duitse recht) zijn toegestaan, staat het haar vrij voor deze overtredingen een afzonderlijke procedure tegen de Bondsrepubliek Duitsland in te leiden.
15.
Dan blijft nog de vraag, of het Hof in rechte dient vast te stellen, dat de Bondsrepubliek Duitsland artikel 10, lid 1, van de richdijn vóór 1 januari 1991 niet naar behoren in Duits recht had omgezet. Vaststaat, dat wanneer een niet-nakoming na afloop van de door de Commissie in haar met redenen omkleed advies gestelde termijn is opgeheven, voortzetting van de zaak haar rechtsbelang behoudt voor de vaststelling van de grondslag waarop een Lid-Staat wegens zijn niet-nakoming aansprakelijk kan worden gesteld jegens andere Lid-Staten, de Gemeenschap of particulieren: zie, zeer recentelijk, de conclusie van advocaatgeneraal Lenz van 21 januari 1992 in zaak C-337/89, Commissie/Verenigd Koninkrijk, punt 41, en de aldaar geciteerde arresten. Wat de aansprakelijkheid jegens particulieren betreft, zijn de voorwaarden waaronder een particulier van een Lid-Staat schadevergoeding kan vorderen wegens niet-omzetting van een richtlijn, omschreven in rechtsoverweging 40 van het arrest van 19 november 1991 (gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90, Francovich en Bonifaci, Jurispr. 1991, blz. I-5357). Inzonderheid moet de richtlijn de toekenning van rechten aan particulieren inhouden. Uit rechtsoverweging 14 van het arrest van 17 oktober 1991 (zaak C-58/89, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1991, blz. I-4983, r. o. 14) kan worden afgeleid, dat de in de onderhavige procedure aan de orde zijnde richtlijn inderdaad rechten aan particulieren toekent, daar zij de bescherming van de volksgezondheid beoogt en de niet-nakoming ervan een gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren. Daaruit volgt, dat de Commissie er voldoende rechtsbelang bij heeft, dat het Hof voor recht verklaart, dat § 4, lid 1, van de Trinkwasserverordnung vóór de op 1 januari 1991 in werking getreden wijziging in strijd was met de richtlijn. Derhalve geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren, dat de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door artikel 10, lid 1, van de richtlijn niet vóór 1 januari 1991 naar behoren in nationaal recht om te zetten.
Kennisgeving van de afwijkingen aan de Commissie op grond van de artikelen 9, lid 1, en 10, lid 3, van de richtlijn
16.
De oorspronkelijke versie van de Trinkwasserverordnung verlangde niet, dat de „bevoegde autoriteit” (zuständige Behörde) of de regering van het betrokken Land aan de federale regering meedeelde, welke afwijkingen zij op grond van §4, lidi, van de Trinkwasserverordnung (die, zoals gezegd, overeenkomt met artikel 10, lid 1, van de richtlijn) of op grond van § 4, lid 2, van de Trinkwasserverordnung (die overeenkomt met artikel 9, lid 1, van de richtlijn) had toegestaan. In haar verzoekschrift wijst de Commissie erop, dat het daardoor voor de federale regering onmogelijk was, te voldoen aan de op haar rustende verplichting om deze afwijkingen ter kennis van de Commissie te brengen, zoals de artikelen 9, lid 1, en 10, lid 3, van de richtlijn voorschrijven. Volgens de Commissie doet daaraan niet af, dat de Länder ingevolge het beginsel van loyaliteit jegens de federale staat (Grundsatz des bundesfreundlichen Verhaltens) verplicht zijn, de afwijkingen aan de federale regering mee te delen. In haar verzoekschrift verklaart de Commissie, dat haar vrees in de praktijk is bewaarheid, daar de Bondsrepubliek Duitsland haar tal van afwijkingen ter kennis heeft gebracht zonder opgave van de redenen en de duur van die afwijkingen en zonder de in de richtlijn gestelde termijnen na te leven.
17.
De gewijzigde versie van §4, lid 3, van de Trinkwasserverordnung bepaalt, dat de bevoegde autoriteit de op grond van § 4, lid 1, toegestane afwijkingen onverwijld moet meedelen aan de hoogste voor de gezondheid bevoegde instantie van het betrokken Land (die deze op haar beurt aan de bevoegde federale minister moet meedelen). De bevoegde autoriteit dient de op grond van § 4, lid 2, toegestane afwijkingen, behoudens uitzonderingen als bedoeld in artikel 9, lid 2, van de richtlijn, onverwijld aan de federale minister mee te delen.
18.
In repliek erkent de Commissie, dat de gewijzigde versie van § 4, lid 3, van de Trinkwasserverordnung ter zake van de kennisgeving van de afwijkingen formeel in overeenstemming is met de richdijn. Zij merkt evenwel op, dat punt III van bijlage 4 bij de Trinkwasserverordnung binnen bepaalde grenzen overschrijdingen van de voor een aantal stoffen vastgestelde maximaal toelaatbare concentraties toestaat wanneer die overschrijdingen het gevolg zijn van bodemfactoren. Deze bepalingen staan in kolom g van punt III van bijlage 4. Het gaat om vier stoffen, namelijk ammonium, kalium, magnesium en sulfaten. Volgens de richtlijn bedraagt de MTC voor bij voorbeeld ammonium (parameter 22) 0,5 mg/l, terwijl volgens bijlage 4 bij de Trinkwasserverordnung concentraties tot 30 mg/l buiten beschouwing mogen blijven wanneer zij het gevolg zijn van bodemfactoren. Volgens de Commissie is de Duitse wettelijke regeling dus in strijd met de richtlijn, daar zij voorziet in algemene afwijkingen wegens bodemfactoren, terwijl de richtlijn alleen specifieke afwijkingen duldt, die in ieder afzonderlijk geval aan de Commissie moeten worden meegedeeld.
19.
In dupliek komt de Bondsrepubliek Duitsland op tegen die stelling. Zij betoogt, dat de Lid-Staten op grond van artikel 9, lid 1, van de richtlijn algemene afwijkingen wegens bodemfactoren mogen toestaan, en dat de Lid-Staat die voor een dergelijke oplossing kiest, zijn kennisgevingsplicht nakomt wanneer hij de desbetreffende wetgeving aan de Commissie meedeelt.
20.
Ik zie niet in, hoe dit argument van de Bondsrepubliek Duitsland kan slagen. Artikel 9, lid 1, sub a, bepaalt, dat wanneer een Lid-Staat besluit van de richtlijn af te wijken teneinde rekening te houden met situaties met betrekking tot de natuurlijke staat en de structuur van de bodem van het gebied waarvan de betreffende voorzieningsbron afhankelijk is, hij binnen twee maanden na het nemen van zijn besluit hiervan kennis moet geven aan de Commissie onder opgave van de redenen van de afwijking. Uit de formulering van artikel 9, lid 1, sub a, volgt, dat elke individuele afwijking de Commissie ter kennis moet worden gebracht onder opgave van de redenen die de afwijking rechtvaardigen. De kennisgeving heeft waarschijnlijk ten doel, de Commissie in staat te stellen na te gaan, of de afwijking gerechtvaardigd is uit hoofde van de „natuurlijke staat en de structuur van de bodem” van het betrokken gebied. Dat kan de Commissie alleen wanneer haar de specifieke afwijkingen betreffende de watervoorziening in bepaalde gebieden worden meegedeeld. Er valt over te twisten, of de niet-nakoming door de Bondsrepubliek Duitsland is gelegen in het feit dat deze geen passende bepalingen voor de kennisgeving van de afwijkingen heeft vastgesteld, dan wel of zij de richtlijn heeft geschonden door algemene in plaats van specifieke afwijkingen toe te staan, doch wat er ook van zij, de Bondsrepubliek Duitsland heeft de richtlijn niet naar behoren in nationaal recht omgezet.
Specifieke afwijkingen van de MTC's
21.
Deze grief üjkt thans volledig te worden overlapt door de vorige. In haar verzoekschrift kloeg de Commissie erover, dat volgens de oorspronkelijke versie van de Trink -wasserverordnung (bijlage 4, punt III, nummers 9, 11, 12 en 16) de MTC's voor ammonium, kalium, magnesium en sulfaten niet golden wanneer het water afkomstig was uit een ondergrond die „sterk reducerend” is of die genoemde stoffen bevat. Voorts zou de richtlijn geen rechtsgrondslag bieden voor de in de Trinkwasserverordnung voorziene afwijkingen voor ijzer en zilver (bijlage 4, puntili, nummers 10 en 15). Ofschoon de Trinkwasserverordnung op dit punt is gewijzigd, stelt de Commissie, dat gelet op de bijzondere bepalingen inzake ammonium, kalium, magnesium en sulfaten in bijlage 4, punt III, nog steeds niet is gewaarborgd, dat specifieke afwijkingen overeenkomstig de richdijn zullen worden meegedeeld. Dit is om de in punt 19 hierboven genoemde redenen ongetwijfeld juist, doch het lijkt mij niet nodig, dat het Hof afzonderlijk uitspraak doet over deze grief, daar die thans volledig wordt overlapt door de hierboven onderzochte.
Kosten
22.
Mijns inziens zijn de drie door de Commissie gehandhaafde grieven gegrond. Op het eerste gezicht dient verweerster dus overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te worden verwezen. Weliswaar zijn zeven van de tien grieven in de loop van de schriftelijke procedure ingetrokken en betoogt de Duitse regering met betrekking tot die grieven, dat haar wettelijke regeling reeds vóór de wijziging van de Trinkwasserverordnung zo niet met de letter dan toch met de geest van de richtlijn in overeenstemming was, doch dat neemt niet weg, dat de meeste van de gestelde inbreuken nog voortduurden bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn en zelfs op het ogenblik van het instellen van het beroep. Bovendien lijdt het geen twijfel, dat indien de Bondsrepubliek Duitsland de verordening tot wijziging van de Trinkwasserverordnung sneller in werking had doen treden, de Commissie de meeste van de grieven die zij in de loop van de schriftelijke procedure heeft ingetrokken, nooit zou hebben geformuleerd. Derhalve concludeer ik, dat de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten moet worden verwezen.
Conclusie
23.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1)
vast te stellen, dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn de maatregelen te nemen die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 80/778/EEG van de Raad van 15 juli 1980 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2)
de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten te verwijzen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy