Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De Franse Cour de cassation ( kamer voor commerciële, financiële en economische zaken ) stelt het Hof een prejudiciële vraag over de uitlegging van de artikelen 30, 36 en 59 EEG-Verdrag in verband met een wet uit 1841, gewijzigd in 1943, die in artikel 1 de voorwaarden vaststelt waaronder op detailhandelsniveau tweedehands goederen volgens het veilingsysteem mogen worden verkocht . Deze bepaling verbiedt die verkoopmethode met name voor goederen "waarvan de eigenaars of houders handelaars zijn die niet sedert ten minste twee jaar staan ingeschreven in het handelsregister en in het kohier van de bedrijfsbelastingen in het ressort van het tribunal de grande instance waar die verkopen moeten plaatsvinden ".
Ik herinner enkel aan de essentiële omstandigheden van het voor de Franse Cour de cassation gebrachte geschil en verwijs voor de bijzonderheden naar het rapport ter terechtzitting . De vennootschap naar Duits recht Nado, gevestigd te Hamburg, had de société civile professionnelle Boscher, Studer et Fromentin, verenigde veilingmeesters ( hierna : BSF ) gevestigd te Parijs, opdracht gegeven om in verschillende Franse steden en bij verschillende gelegenheden luxe tweedehands wagens met lage kilometerstand, of althans prestigevoertuigen, openbaar te verkopen .
Verschillende bedrijven uit de sector, de Monegaskische vennootschap British Motors Wright en andere Franse vennootschappen, die de veilingen op grond van voormelde wet van 1841 onwettig achtten, vroegen en verkregen van het tribunal de grande instance te Parijs een verbod op deze veilingen . Het door BSF aangevoerde argument, dat het verbod onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, is noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep aanvaard; bij de rechters in laatste aanleg heeft het echter twijfel gezaaid en juist die twijfel, verwoord in vier vragen, moet het Hof wegnemen .
Ik meen, niet diep te hoeven ingaan op de eerste twee vragen van de Cour de cassation, of artikel 59 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het van toepassing is op het geval, dat een in een andere Lid-Staat gevestigde handelaar incidenteel aan hem toebehorende tweedehands goederen in een andere Lid-Staat laat veilen; en zo ja, of de door de wet van 1841 gestelde voorwaarden verboden beperkingen vormen . Het antwoord kan zonder enige redelijke twijfel enkel ontkennend zijn .
Wij hebben immers te maken met een voorwaarde die de verkoper en de verkoop van zijn produkten betreft, zodat de "dienstverrichting" binnen de regeling betreffende het vrije verkeer van goederen valt en derhalve, volgens de duidelijke tekst van artikel 60 EEG-Verdrag, buiten de bepalingen over het vrij verrichten van diensten . En ook al zou men als bijkomend gevolg van de verkoopbeperking toch een belemmering van de dienstverrichting van de veilingmeester kunnen vaststellen, dan nog zou deze belemmering in elk geval worden geabsorbeerd door de beperking van de verkoop en dus van de invoer van goederen ( arrest van 7 mei 1985, zaak 18/84, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1985, blz . 1339, r.o . 12; arrest van 11 juli 1985, gevoegde zaken 60/84 en 61/84, Cinéthèque, Jurispr . 1985, blz . 2605, r.o . 10 en 11 ).
In de derde plaats vraagt de Franse Cour de cassation, of artikel 30 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan de toepassing van voormelde wet van 1841 voor zover deze vereist, dat de verkoper van uit een andere Lid-Staat afkomstige tweedehands goederen sinds ten minste twee jaar is ingeschreven in het handelsregister van de plaats waar de openbare verkoping plaatsvindt . Zo ja, vraagt de Franse Cour de cassation in de vierde plaats, kan de beperking dan worden gerechtvaardigd op grond van de openbare orde ( artikel 36 EEG-Verdrag )?
Gelet op de vaste en ondubbelzinnige rechtspraak van het Hof lijkt het antwoord op deze vragen eenvoudig .
Het vereiste dat een verkoper uit een andere Lid-Staat sinds ten minste gedurende twee jaar voorafgaande aan de verkoop staat ingeschreven in het plaatselijke handelsregister komt erop neer, dat hij gedwongen wordt een beroep te doen op een handelaar die in het gebied zijn bedrijf uitoefent, ofwel af te zien van een openbare verkoping . Het Hof heeft reeds uitgemaakt, dat het feit dat een ondernemer uit een andere Lid-Staat wordt verhinderd om gebruik te maken van een doeltreffende verkoopmethode ( laatstelijk in het arrest van 16 mei 1989, zaak 382/87, Buet, Jurispr . 1989, blz . 1235, r.o . 7 tot 9 ), of dat hij wordt verplicht een vertegenwoordiger te hebben in het land waar de verkoop plaatsvindt ( arrest van 26 februari 1984, zaak 247/81, Commissie/Duitsland, Jurispr . 1984, blz . 1111, r.o . 4 ), ieder op zich een belemmering van de import vormen . Indien het zo is, dat het meerdere het mindere omvat, dan moet het feit dat een verkoper uit een andere Lid-Staat wordt verplicht om een plaatselijk verkoper als tussenpersoon in te schakelen, ongeacht of het een filiaal of een volslagen vreemde betreft, a fortiori als een invoerbelemmering worden beschouwd . In elk geval leidt de naleving van het voorschrift tot extra kosten .
Daar het echter een regeling betreft die zonder onderscheid van toepassing is, rijst de vraag of de door de Franse wet gecreëerde invoerbelemmering noodzakelijk is om te voldoen aan dwingende eisen, in het bijzonder de bescherming van consumenten en de eerlijkheid der handelstransacties . De vennootschap British Motors Wright en de anderen, die het proces hebben aangespannen en die verweersters zijn in cassatie, bepleiten uiteraard een bevestigend antwoord; zij baseren zich vooral op gezaghebbende meningen volgens welke openbare verkopingen speculatie in de hand werken, de koper die geen tijd heeft om na te denken, misleiden, de handelaar die op de rand van faillissement staat, de mogelijkheid geven om de waarborgen van de schuldeisers te verminderen, en het zelfs mogelijk maken gestolen goederen gemakkelijker van de hand te doen .
Over het algemeen behoor ik niet tot degenen die het oordeelsvermogen van de consument onderschatten . Daarenboven wijst de ervaring uit, dat het veilingsysteem normaliter van voldoende waarborgen is voorzien, zoals bij voorbeeld een behoorlijke voorafgaande bekendmaking van de te verkopen goederen, van de voorafgaande kijkdagen waarop de goederen kunnen worden bezichtigd en gecontroleerd, van de identiteit van de verkoper en de veilingmeesters, en van de betalingsmodaliteiten . Kortom, de liefhebber die wil deelnemen aan een veiling van kostbare automobielen en die niet iemand is aan wie de verkoper onverhoeds en listig de toestemming tot aankoop ontfutselt, heeft alleszins de mogelijkheid, na te denken en de goede kwaliteit en de "duidelijkheid" van de herkomst van het produkt te controleren evenals de oprechtheid en het commerciële en economische gewicht van de verkoper; bovendien stelt de Commissie, dat de koper zowel in Frankrijk als in andere landen de waarborg heeft, dat de veilingmeester staat ingeschreven op een door de bevoegde administratie gecontroleerde lijst van beroepsbeoefenaars .
Dienaangaande merk ik op, dat een wet die van de verkoper waarborgen zou eisen zoals die welke ik zoëven heb vermeld, zeker zou tegemoetkomen aan de eisen van bescherming van de consument en van eerlijkheid der handelstransacties, met minder beperkende gevolgen voor het goederenverkeer dan de onderhavige wet .
Ik meen dan ook, dat de door de Franse wet van 1841 gestelde voorwaarde aan de verkoop van tweedehands voorwerpen door middel van openbare veiling een door artikel 30 EEG-Verdrag verboden invoerbeperking vormt .
Soortgelijke bedenkingen kunnen worden gemaakt ten aanzien van de openbare orde van artikel 36 EEG-Verdrag . In aanmerking genomen dat het een strikt te interpreteren bepaling betreft, lijkt het mij niet mogelijk om uit het dossier een element te distilleren op grond waarvan serieus kan worden volgehouden, dat de door de Franse wet van 1841 gestelde voorwaarde noodzakelijk is om de smokkel van gestolen goederen te verhinderen en dat er geen geschiktere en het handelsverkeer minder belemmerende middelen zijn . In dit verband herinner ik eraan, dat het Hof in het arrest van 17 juni 1987 ( zaak 154/85, Commissie/Italië, Jurispr . 1987, blz . 2735, r.o . 13 en 14 ) een analoog argument heeft verworpen . Toen poogde de Italiaanse regering - zij het aarzelend - te stellen, dat de administratieve hinderpalen bij de registratie van auto' s uit een andere Lid-Staat krachtens artikel 36 gerechtvaardigd waren om de smokkel van gestolen voertuigen te beteugelen; het Hof sloot zich echter aan bij de stelling van de Commissie, dat "het beoogde doel ook kan worden bereikt door minder beperkende maatregelen, zoals bij voorbeeld een passende controle van het chassisnummer ".
Resumerend meen ik, dat de door de Franse wet van 1841 gestelde beperkende voorwaarde geen redelijke rechtvaardiging kan vinden in overwegingen van openbare orde in de zin van en met de gevolgen van artikel 36 EEG-Verdrag .
Mitsdien stel ik het Hof voor, de door de Cour de cassation gestelde vragen als volgt te beantwoorden :
"1 ) Artikel 59 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is op een nationale wettelijke regeling tot vaststelling van de voorwaarden waaronder een in een andere Lid-Staat gevestigde handelaar hem toebehorende goederen in het openbaar mag verkopen .
2 ) Artikel 30 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling die voor de openbare verkoop van uit een andere Lid-Staat afkomstige tweedehands goederen de voorwaarde stelt, dat de onderneming die eigenaar is van de te koop aangeboden goederen, zich vooraf laat inschrijven in het handelsregister van de plaats waar de verkoop plaatsvindt .
3 ) Een dergelijke nationale wettelijke regeling is niet gerechtvaardigd om redenen van openbare orde als bedoeld in artikel 36 EEG-Verdrag ."
(*) Oorspronkelijke taal : Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy