Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De High Court of Justice, Queen' s Bench Division, legt het Hof twee prejudiciële vragen voor over de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.(1)
De verwijzende rechter wil met name weten of de Britse regeling, die voorziet in een recht op een zekere hogere premie voor gepensioneerden (hierna gemakshalve "premie" genoemd), gelet op de betekenis en de werking van die richtlijn, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht voorzover vrouwen, in tegenstelling tot mannen, hierop geen aanspraak kunnen maken wanneer zij tussen de 65 en 70 jaar oud zijn.
2. Gezien de buitengewone complexiteit van de betrokken nationale wettelijke regeling, is het bepaald niet eenvoudig om haar enigszins beknopt weer te geven. Het totale beeld wordt bovendien nog verder gecompliceerd doordat de onderhavige premie, zoals wij verderop zullen zien, althans formeel, niet een bedrag is dat als zodanig wordt uitgekeerd, maar enkel een van de elementen van de berekeningsgrondslag voor de huisvestingstoelage: een element dat wanneer bepaalde omstandigheden zijn vervuld, overigens wel leidt tot verhoging van de toelage zelf.
De wettelijke regeling van de huisvestingstoelage ("housing benefit") is neergelegd in Section 20 van de Social Security Act 1986; de desbetreffende uitvoeringsbepalingen zijn vastgesteld bij de Housing Benefit (General) Regulations 1987. Het recht op toelage en, in voorkomend geval, de hoogte van de toelage worden berekend aan de hand van de verhouding tussen het inkomen van de betrokkene en een "toepasselijk bedrag"(2); dat bedrag wordt gevormd door de som van de toelagen, vergoedingen en verhogingen waarop de verschillende categorieën van aanvragers aanspraak hebben.
Een van de verhogingen die voor de berekening van de huisvestingstoelage in het toepasselijk bedrag kunnen worden opgenomen, is de premie waar het in deze zaak om draait. Deze premie wordt toegekend aan aanvragers tussen de 60 en 80 jaar(3) die, onder meer, een invaliditeitspensioen genieten(4) (of althans genoten voordat zij hun ouderdomspensioen ontvingen).
De voorwaarden voor verkrijging van een invaliditeitspensioen(5), dat toekomt aan degenen die om gezondheidsredenen niet in staat zijn om te werken, zijn neergelegd in Section 15 van de Social Security Act 1975. Wanneer aan de voorwaarden is voldaan, wordt dat pensioen in beginsel uitgekeerd totdat de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt (welke bij Section 27 (1) van de Social Security Act 1975 is vastgesteld op 60 jaar voor vrouwen en 65 jaar voor mannen), of, wanneer hij die leeftijdsgrens heeft overschreden maar een vaste baan heeft behouden, tot maximaal vijf jaar na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd (Section 27 (5) van de betrokken Act bepaalt, dat een ieder vijf jaar na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd als gepensioneerd wordt beschouwd).
Ingevolge Section 30 (1) van de Social Security Act 1975, juncto de Social Security (Widow' s Benefit and Retirement Pension) Regulations 1979, kunnen echter ook degenen die reeds een ouderdomspensioen ontvangen, dat zij nadat zij hun vaste baan hadden opgegeven of uit anderen hoofde hebben verkregen, van hun ouderdomspensioen afzien ("to de-retire") ten gunste van een invaliditeitspensioen. Die mogelijkheid is echter beperkt tot een periode van maximaal vijf jaar na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd; met andere woorden, de mogelijkheid om invaliditeitspensioen aan te vragen en het recht op dat pensioen eindigen in elk geval met 65 jaar voor vrouwen en 70 jaar voor mannen.
Ten slotte zij nog opgemerkt dat de beëindiging van het, voor de verkrijging van de premie onontbeerlijke, recht op invaliditeitspensioen geen afbreuk doet aan het recht op de premie zelf; voor de berekening van de huisvestingstoelage blijft deze ook na die datum deel uitmaken van het toepasselijke bedrag.
3. Komen wij thans tot de feiten. Mevrouw Smithson genoot een invaliditeitspensioen in de vijf jaar voordat zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikte. Vanaf dat moment ontving zij een ouderdomspensioen. Zou de gewraakte regeling al van kracht zijn geweest op het moment dat Smithson 60 jaar werd, dan zou zij ontegenzeglijk recht hebben gehad op de premie, aangezien zij aan de voorwaarden voldeed die de relevante bepalingen stelden, en dit zelfs zonder de complicatie van het afzien van ouderdomspensioen ("de-retirement")(6); het recht om van pensioen af te zien heeft Smithson echter hoe dan ook niet kunnen uitoefenen, omdat zij reeds 67 jaar was toen de nieuwe regeling van de huisvestingstoelage van kracht werd. Het geschil is juist gerezen omdat de premie is ingevoerd toen Smithson reeds de leeftijdsgrens had overschreden voor het afzien van ouderdomspensioen ten gunste van een invaliditeitspensioen.
Opgemerkt zij echter, dat het probleem algemeen is en dat het obstakel waarop Smithson is gestuit, ook relevant is buiten de situatie van verzoekster, waarin de relevante persoonlijke omstandigheden zich hebben voorgedaan op een moment dat de onderhavige premie nog niet bestond. Immers een vrouw van tussen de 65 en 70 jaar kan hoe dan ook geen invaliditeitspensioen aanvragen en kan in die periode dus een van de onontbeerlijke voorwaarden voor het recht op de premie nooit vervullen.
4. Met de eerste vraag wenst de nationale rechter dan ook juist te vernemen of het feit dat vrouwen van tussen de 65 en 70 jaar, anders dan mannen, geen aanspraak kunnen maken op een hogere premie voor gepensioneerden krachtens paragraaf 10, lid 1, sub b-i, van bijlage 2 bij de Housing Benefit (General) Regulations 1987, een bij artikel 4 van richtlijn 79/7 verboden discriminatie oplevert.
In lid 1 van genoemd artikel 4 wordt iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht verboden en wel, voor zover hier van belang, in het bijzonder "met betrekking tot de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake de toelating tot de regelingen" (eerste streepje).
In het onderhavige geval is voor het verschil in behandeling van mannen en vrouwen bepalend, dat de toekenning van de premie afhankelijk is gesteld van het genot van een invaliditeitspensioen met als gevolg dat vrouwen vergeleken met mannen vijf jaar minder hebben om een recht op de betrokken premie te verwerven. In wezen zijn het dus de voorwaarden voor toegang tot die premie die voor mannen en vrouwen verschillen; immers terwijl zowel mannen als vrouwen vanaf hun 60ste jaar voor de premie in aanmerking kunnen komen, hebben mannen na het bereiken van die leeftijd nog tien jaar de tijd om genoemd recht te verwerven en vrouwen slechts vijf jaar.
Nadat de gewraakte discriminatie aldus is geïdentificeerd, dient de vraag van de verwijzende rechter, zoals trouwens ook uit de verwijzingsbeschikking zelf blijkt, zo te worden verstaan, dat hij wil weten of de betrokken premie, gelet op haar bijzondere kenmerken, onder de materiële werkingssfeer van richtlijn 79/7 valt en zo ja, of de gestelde discriminatie haar rechtvaardiging vindt in artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn, met andere woorden, of zij het noodzakelijk gevolg is van het verschil in pensioengerechtigde leeftijd.
5. Aangaande de werkingssfeer van de betrokken richtlijn wijs ik allereerst op artikel 3, lid 1, dat de richtlijn van toepassing verklaart op de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de risico' s van, onder meer, invaliditeit en ouderdom (sub a) en op de sociale-bijstandsregelingen, voor zover deze een aanvulling vormen op of in de plaats komen van die regelingen (sub b).
De Britse regering stelt, dat de wettelijke regeling van de huisvestingstoelage als zodanig, dat wil zeggen globaal beschouwd, niet onder de werkingssfeer van de betrokken richtlijn valt. Het zou namelijk een algemene regeling zijn, die uitgaat van de inkomsten en het bedrag van de huur: dat wil zeggen een wettelijke regeling die bescherming biedt tegen armoede. Met andere woorden, aangezien de huisvestingstoelage wordt toegekend aan heterogene categorieën van personen, en dus aan personen die niet noodzakelijkerwijs gedekt zijn tegen een van de in artikel 3, lid 1, van de richtlijn genoemde risico' s, valt zij buiten de werkingssfeer van de richtlijn.
Ik merk in dit verband slechts op, dat een dergelijk betoog in beginsel niet volstaat om de toepasselijkheid van de richtlijn op de toelage uit te sluiten. Ter zake wijs ik op het arrest Drake(7), waarin het Hof overwoog, dat "artikel 3, lid 1, (...) aldus [moet] worden uitgelegd, dat het betrekking heeft op iedere prestatie die in de ruime zin des woords wordt toegekend krachtens een van de aldaar bedoelde wettelijke regelingen dan wel een sociale-bijstandsregeling die een aanvulling vormt op of in de plaats komt van een dergelijke regeling".(8) Dit houdt in, dat men, indien men tot de conclusie komt, dat de onderhavige toelage in feite een bescherming vormt tegen de risico' s van ouderdom en/of invaliditeit, niet vervolgens kan loochenen, dat zij deel uitmaakt van een wettelijke regeling die bescherming biedt tegen een van de aangehaalde risico' s, ofwel een vorm van sociale bijstand is, die een aanvulling vormt op de bescherming tegen die risico' s.
Zoals het Hof in het arrest Drake beklemtoont, is een ruime uitlegging van de strekking van artikel 3 onontbeerlijk om te waarborgen, dat de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling binnen de gehele Gemeenschap op harmonieuze wijze verloopt (r.o. 23). Bij een andere oplossing zouden de Lid-Staten zich immers makkelijk kunnen onttrekken aan de verplichtingen die uit de richtlijn voortvloeien: hiervoor zou het volstaan, dat in een regeling van algemene strekking, of althans niet specifiek bestemd om bescherming te bieden tegen een van de in artikel 3 van de richtlijn genoemde risico' s, een prestatie wordt opgenomen die op zich beschouwd juist wel bescherming bedoelde te bieden tegen de genoemde risico' s.
6. Terugkomend op de onderhavige zaak, merk ik vervolgens op, dat ik de stelling van de Britse regering niet kan delen, dat de premie slechts een van de elementen is die een rol spelen bij de samenstelling van het toepasselijke bedrag voor de berekening van de huisvestingstoelage, en niet een bedrag is, dat als zodanig wordt uitgekeerd, zodat zij niet als een zelfstandige prestatie kan worden aangemerkt, die kan worden gescheiden van de toelage waarvan zij deel uitmaakt.
Ik acht het namelijk volstrekt irrelevant, dat de betrokken premie formeel geen geldelijke prestatie is die als zodanig aan de rechthebbenden wordt uitgekeerd. Waar het om gaat, is dat de premie zich de facto desondanks laat vertalen in een economisch voordeel voor degenen die er aanspraak op hebben, want wanneer met dit element rekening wordt gehouden, hebben zij recht op een hogere huisvestingstoelage.
Uit genoemde Britse wettelijke regeling blijkt, dat de onderhavige verhoging is bedoeld als een extra hulp voor gepensioneerden die een erkende vorm van invaliditeit of althans een erkende handicap bezitten. Derhalve lijkt het mij niet voor enige twijfel vatbaar, dat de premie onder de werkingssfeer van richtlijn 79/7 valt.
Uiteindelijk gaat het hier om een "prestatie" die weliswaar is opgenomen in de algemenere regeling van de huisvestingstoelage maar die daarvan toch in die zin te scheiden is, dat zij een welomschreven logica en doel heeft: verlichting brengen voor gepensioneerden die met bepaalde ongemakken te kampen hebben. Op grond van de categorieën van personen voor wie zij is bestemd en haar effect, valt de premie dus inderdaad onder de materiële werkingssfeer van richtlijn 79/7. Omdat zij gehandicapte gepensioneerden extra bijstand beoogt te bieden bij de bestrijding van de woonkosten, moet zij meer in het bijzonder worden aangemerkt als een vorm van sociale bijstand die een aanvulling vormt op de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de risico' s van ouderdom en invaliditeit.
7. Nu is vastgesteld, dat de premie onder de werkingssfeer van richtlijn 79/7 valt, rest de vraag, of de eerder vastgestelde discriminatie, die hierin bestaat, dat het feit dat het vrouwen, in tegenstelling tot mannen, tussen hun 65ste en hun 70ste jaar niet is toegestaan om deze premie aan te vragen en te krijgen, van de werkingssfeer van de richtlijn is uitgesloten omdat zij een noodzakelijk gevolg is van de verschillende pensioengerechtigde leeftijden voor mannen en vrouwen. Met andere woorden, vastgesteld moet worden of het betrokken verschil in behandeling een discriminatie is die "gerechtvaardigd" is op grond van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn. Ingevolge deze bepaling mogen de Lid-Staten namelijk de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties, van de werkingssfeer van de richtlijn uitsluiten.
Alvorens over te gaan tot het onderzoek van de draagwijdte van een dergelijke uitzonderingsbepaling voor het onderhavige geval, wil ik erop wijzen, dat het Hof herhaaldelijk heeft verklaard, dat de opheffing van discriminaties op grond van geslacht behoort tot de fundamentele rechten waarvan het de eerbiediging heeft te verzekeren(9) en dat het voorts heeft gepreciseerd, dat "bij de vaststelling van de draagwijdte van een afwijking van een individueel recht, zoals het (...) beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, het evenredigheidsbeginsel, een van de algemene rechtsbeginselen die ten grondslag liggen aan de communautaire rechtsorde, moet worden geëerbiedigd. Op grond van dit beginsel mogen afwijkingen niet verder gaan dan passend en noodzakelijk is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel (...)".(10) Hieruit volgt, gelijk het Hof zelf duidelijk heeft verklaard, dat de uitzondering van artikel 7, lid 1, sub a, eng moet worden uitgelegd.(11)
8. In casu moeten wij ons dus allereerst afvragen, of de uiteenlopende voorwaarden voor een aanspraak op de premie en meer in het bijzonder het feit dat vrouwen vijf jaar minder hebben om het recht op deze premie te verwerven, een noodzakelijk gevolg zijn van het feit, dat voor mannen en vrouwen verschillende pensioengerechtigde leeftijden zijn vastgesteld. Op het eerste gezicht lijkt een dergelijk verband zeker niet aanwezig; de omstandigheid dat op verschillende leeftijden recht op ouderdomspensioen ontstaat, heeft in feite geen invloed op de onderhavige premie, voor zover voor het recht hierop één leeftijd is vastgesteld (60 jaar). Dat betekent, dat voor de toekenning van die premie zowel mannen als vrouwen vanaf een bepaalde, gelijke leeftijd als "gepensioneerden" worden aangemerkt. Er is dus geen enkel causaal verband vastgesteld tussen de verschillende pensioengerechtigde leeftijden en de voorwaarden voor verkrijging van de premie.
Deze conclusie is niet zo verwonderlijk aangezien, zoals ik reeds bij de beschrijving van de gewraakte regeling heb kunnen aantonen, de discriminatie niet, althans niet rechtstreeks, is gelegen in een band met de vaststelling van verschillende pensioengerechtigde leeftijden, maar in het feit dat voor de betrokken premie is aangeknoopt aan de leeftijd waarop het recht op invaliditeitspensioen van rechtswege ophoudt, welke leeftijd voor mannen en vrouwen niet dezelfde is (respectievelijk 70 en 65 jaar).
Men zou veeleer moeten vaststellen, of er een causaal verband bestaat tussen de premie en het invaliditeitspensioen en tussen dat pensioen en het ouderdomspensioen. Een dergelijk onderzoek lijkt mij echter niet onontbeerlijk en evenmin in overeenstemming met een juiste uitlegging van artikel 7, lid 1, sub a, en wel juist omdat die bepaling eng moet worden uitgelegd.
Laat ik dit verduidelijken: op grond van de zojuist genoemde bepaling mogen de Lid-Staten van de werkingssfeer van het beginsel van gelijke behandeling enkel uitsluiten de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere uitkeringen. Het is duidelijk, dat die gevolgen rechtstreeks moeten afhangen van het verschil in pensioengerechtigde leeftijd; laat men de mogelijkheid toe, dat deze op hun beurt weer het gevolg zijn van een andere prestatie (uiteraard in het - te verifiëren - geval dat laatstgenoemde daadwerkelijk een gevolg is van het verschil in pensioengerechtigde leeftijd), dan zou men de strekking van artikel 7 op onaanvaardbare wijze verruimen.
Zonder dat ik voor het onderhavige geval zelfs maar behoef na te gaan, of de beëindiging van rechtswege van het recht op invaliditeitspensioen op verschillende leeftijden een gevolg is van de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd, in de zin van artikel 7, kan ik anderzijds volstaan met de opmerking dat hetzelfde resultaat ook op niet discriminerende wijze kan worden bereikt, bij voorbeeld door in plaats van het genot van een invaliditeitspensioen de toestand van invaliditeit als voorwaarde te stellen voor de toekenning van de premie.
Concluderend meen ik, dat op de eerste vraag van de verwijzende rechter, zoals deze is geherformuleerd, moet worden geantwoord, dat een prestatie als de hogere premie voor gepensioneerden, die aanknoopt bij de leeftijd en de toestand van invaliditeit van de aanvrager, een vorm van sociale bijstand is die een aanvulling vormt op een wettelijke regeling in de zin van artikel 3, lid 1, sub b, van richtlijn 79/7. De omstandigheid dat een van de voorwaarden voor een recht op die premie is het genot van een uitkering (invaliditeitspensioen), waarvan het einde wordt bepaald aan de hand van verschillende pensioengerechtigde leeftijden, is hoe dan ook geen noodzakelijk gevolg van het bestaan van een dergelijk verschil.
9. Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of een vrouw van tussen de 65 en 70 jaar op grond van artikel 4 van richtlijn 79/7 recht heeft om op basis van de relevante nationale bepalingen van haar aanspraak op ouderdomspensioen af te zien ("to de-retire"), een invaliditeitsuitkering te ontvangen en eveneens aanspraak te maken op een hogere premie voor gepensioneerden. In wezen komt deze vraag, in elk geval in het licht van het toepasselijke gemeenschapsrecht, erop neer, of de beëindiging van het invaliditeitspensioen op verschillende leeftijden zich aan de werkingssfeer van de richtlijn onttrekt omdat het onder de uitzondering van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn valt.
De conclusie waartoe ik met betrekking tot de eerste vraag ben gekomen, maakt een antwoord op de tweede vraag voor de oplossing van het onderhavige geschil eigenlijk overbodig. Volledigheidshalve en voor het geval het Hof mij niet mocht volgen in mijn conclusie, acht ik het dienstig om na te gaan of de beëindiging van het recht op invaliditeitspensioen, dat voor mannen en vrouwen op verschillende leeftijden is bepaald, een noodzakelijk gevolg is van de verschillende pensioengerechtigde leeftijden. Met betrekking tot de uitlegging van artikel 7, lid 1, sub a, gelden de algemene opmerkingen die ik reeds in verband met de eerste vraag heb gemaakt.
Ik herhaal nog eens, dat: a) de uitkering van het invaliditeitspensioen vijf jaar na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van rechtswege ophoudt; b) de pensioengerechtigde leeftijd voor mannen is vastgesteld op 65 jaar en voor vrouwen op 60 jaar; c) een persoon hoe dan ook als gepensioneerd wordt beschouwd vijf jaar nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
De datum waarop het recht op invaliditeitspensioen eindigt, valt dus samen met de datum van pensionering. Dit is gemakkelijk te begrijpen wanneer men bedenkt, dat het invaliditeitspensioen een prestatie is die de inkomstenderving ten gevolge van arbeidsongeschiktheid compenseert, en dus zeer wel kan worden uitgekeerd na de datum waarop de betrokkene pensioengerechtigd wordt, en in het bijzonder tot aan de datum waarop de betrokkene wordt gepensioneerd, en wel juist omdat de mogelijkheid om ook na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een vaste betrekking te behouden, uitdrukkelijk is erkend.(12) Zoals de Britse regering zelf in haar opmerkingen beklemtoont, is het feit dat ook degenen die reeds een ouderdomspensioen genieten, de mogelijkheid wordt geboden om af te zien van hun ouderdomspensioen ten gunste van een invaliditeitspensioen, in casu ingegeven door de gedachte dat velen met nieuw werk beginnen nadat zij hun baan hebben opgegeven. Kortom, wanneer aan de toekenningsvoorwaarden is voldaan, wordt invaliditeitspensioen toegekend aan degenen die, althans potentieel, nog als "actief" worden beschouwd.
10. In dit licht bezien, lijkt mij niet voor betwisting vatbaar, dat de beëindiging van de aanspraak op invaliditeitspensioen niet is gekoppeld aan de verschillende pensioengerechtigde leeftijden maar aan de leeftijd waarop de betrokkene met pensioen gaat. Welnu, artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 tolereert uitsluitend discriminaties die een noodzakelijk gevolg zijn van de verschillende pensioengerechtigde leeftijden, doch geen discriminaties die in verband kunnen worden gebracht met de voorziening van verschillende leeftijden voor de feitelijke pensionering.
Het feit dat een vrouw eerder recht op pensioen krijgt dan een man (een discriminatie die is toegestaan, voorzover wordt verwezen naar de leeftijd waarop het recht op genot van het ouderdomspensioen ingaat), houdt, althans wat het gemeenschapsrecht betreft, niet in, dat zij kan worden verplicht om eerder met pensioen te gaan, te meer nu het Engelse systeem niet bepaalt, dat pensionering automatisch plaatsvindt op het moment waarop de betrokkene pensioengerechtigd wordt. Met andere woorden, de voorziening van verschillende pensioengerechtigde leeftijden mag niet tot gevolg hebben, dat het vrouwen wordt belet, even lang door te werken als mannen.(13)
Uit de rechtspraak van het Hof valt op te maken, dat de leeftijd waarop men verplicht is, met werken op te houden, valt onder de arbeidsvoorwaarden, bedoeld in artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG.(14)
Ik wil in dit verband herinneren aan het arrest van 26 oktober 1983(15), waarin het Hof verklaarde, dat een nationale bepaling die vrouwelijke werknemers die voldoen aan de voorwaarden voor recht op ouderdomspensioen, de keuze geeft om te blijven werken totdat zij de voor mannen vastgestelde leeftijdsgrens hebben bereikt, moet worden beschouwd als een van de "belangrijkste arbeidsvoorwaarden".
Hier komt nog bij, dat volgens het Hof de in artikel 7 bedoelde afwijking niet geldt bij ontslag van een vrouw om de enkele reden, dat zij de - voor mannen en vrouwen verschillende - leeftijd heeft bereikt of overschreden waarop zij recht heeft op een staatspensioen(16), en evenmin voor contractuele bepalingen, inhoudende dat de arbeidsverhouding wordt beëindigd op grond van de door de werknemer bereikte leeftijd, welke leeftijd afhangt van de verschillende leeftijden waarop de werknemers recht op pensioen krijgen.(17)
Kortom, onder erkenning van het feit, dat prestaties die verband houden met de nationale regelingen inzake verschillende pensioengerechtigde leeftijden voor mannen en vrouwen, kunnen afwijken van het beginsel van gelijke behandeling(18), heeft het Hof het moment waarop iemand recht op ouderdomspensioen krijgt, altijd duidelijk onderscheiden van het moment waarop hij wordt gepensioneerd, ook dan wanneer die twee momenten samenvielen.
In het licht van het voorgaande blijkt duidelijk dat in casu de beëindiging van het recht op invaliditeitspensioen vijf jaar nadat de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, in wezen samenhangt met de datum die voor de pensionering is voorzien; dit valt onder de arbeidsvoorwaarden waarover richtlijn 76/207 gaat, en wordt niet gedekt door de uitzondering van artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7. De beëindiging van rechtswege van het recht op invaliditeitspensioen vanwege de bereikte leeftijd is dan ook, wanneer die leeftijd afhangt van de verschillende pensioengerechtigde leeftijden die voor mannen en vrouwen zijn voorzien, niet een noodzakelijk gevolg van het bestaan van dergelijke verschillende leeftijden.
11. Op grond van vorenstaande argumenten geef ik het Hof in overweging, de vragen van de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, te beantwoorden als volgt:
"1) a) Een prestatie als de hogere premie voor gepensioneerden, die samenhangt met de leeftijd en de toestand van invaliditeit van de aanvrager, is een vorm van sociale bijstand die een aanvulling vormt op een wettelijke regeling als bedoeld in artikel 3, lid 1, sub b, van richtlijn 79/7/EEG;
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) - PB 1979, L 6, blz. 24.
(2) - Juister gezegd: indien het inkomen beneden het toepasselijke bedrag ligt, is de huisvestingstoelage gelijk aan de totale huur; ligt het inkomen boven het toepasselijke bedrag , dan wordt de huisvestingstoelage verminderd met 65 % van het bedrag waarmee het inkomen het toepasselijk bedrag overschrijdt.
(3) - Paragraaf 10, lid 1, sub b-i, van deel III van bijlage 2 bij de Housing Benefit (General) Regulations 1987.
(4) - Paragraaf 12, lid, 1, sub a-i, van voornoemde bijlage.
(5) - Aangetekend zij, dat de uitdrukking invaliditeitspensioen slaat op een uitkering die in de plaats komt van het inkomen dat wordt gederfd ten gevolge van arbeidsongeschiktheid om gezondheidsredenen; een dergelijk soort pensioen wordt daarom in principe uitgekeerd aan degenen die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt of die desondanks worden geacht potentieel tot de actieve beroepsbevolking te behoren.
(6) - Immers een ieder die vanaf zijn 60ste jaar recht heeft op huisvestingstoelage en die bovendien in de acht weken voor het bereiken van de 60-jarige leeftijd een toelage voor ernstige handicap heeft genoten (een toelage die onder meer wordt toegekend aan degenen die gedurende die periode in het genot waren van een invaliditeitspensioen), krijgt automatisch recht op toepassing van de hogere premie voor gepensioneerden, en dit dus ongeacht geslacht en verschil in pensioengerechtigde leeftijd.
(7) - Arrest van 24 juni 1986, zaak 150/85, Jurispr. 1986, blz. 1995, r.o. 23.
(8) - Cursivering van mij.
(9) - Zie arrest van 15 juni 1978, zaak 149/77, Defrenne, Jurispr. 1978, blz. 1365, r.o. 26 en 27.
(10) - Arrest van 15 mei 1986, zaak 222/84, Johnston, Jurispr. 1986, blz. 1651, r.o. 38.
(11) - Zie arresten van 26 februari 1986, zaak 152/84, Marshall, Jurispr. 1986, blz. 723, r.o. 36, en zaak 262/84, Beets-Proper, Jurispr. 1986, blz. 773, r.o. 38.
(12) - Het is immers duidelijk, dat voor degenen die na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een vaste betrekking hebben behouden, eventueel pas een recht op invaliditeitspensioen ontstaat nadat zij pensioengerechtigd zijn geworden.
(13) - Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Slynn in zaak 152/84, Marshall, Jurispr. 1986, blz. 725 e.v., inz. blz. 730.
(14) - Richtlijn van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40).
(15) - Zaak 163/82, Commissie/Italië, Jurispr. 1983, blz. 3273, r.o. 9.
(16) - Arrest van 26 februari 1986, Marshall, reeds aangehaald, r.o. 38.
(17) - Arrest van 26 februari 1986, Beets-Proper, reeds aangehaald, r.o. 40.
(18) - Arrest van 16 februari 1982, zaak 19/81, Burton, Jurispr. 1982, blz. 555.
Full & Egal Universal Law Academy