Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In de onderhavige zaak gaat het, kort gezegd, om het volgende:
Eind 1988/begin 1989 organiseerde het Europees Parlement een algemeen vergelijkend onderzoek voor de bezetting van een post van afdelingshoofd om zijn voorlichtingsbureau in Parijs te leiden.
J.-L. Burban, ambtenaar van de rang A 4 bij het Parlement, wilde aan het vergelijkend onderzoek deelnemen en diende derhalve een sollicitatieformulier in. De jury liet hem evenwel niet tot het vergelijkend onderzoek toe, omdat hij de bewijsstukken van zijn diploma' s en beroepservaring, waarop hij zich in zijn sollicitatieformulier beriep, niet had bijgevoegd. Op deze afwijzing volgde een briefwisseling tussen de jury en Burban, die de gegrondheid van het besluit van de jury betwistte. Burban voerde met name aan, dat hij geen bewijsstukken had bijgevoegd, omdat het hoofd van de afdeling "Statuut en personeelsbeheer", waarmee hij contact had opgenomen, hem had meegedeeld, dat de voor het onderzoek van zijn sollicitatie vereiste stukken, die zich in zijn persoonsdossier bevonden, door de administratie van het Parlement rechtstreeks aan de jury zouden worden toegezonden. De jury bleef evenwel bij haar besluit.
Daarop stelde Burban tegen het Parlement een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de jury in. Bij arrest van 20 juni 1990 verwierp het Gerecht van eerste aanleg het beroep.(1) Burban heeft tegen dit arrest hogere voorziening ingesteld bij het Hof. Hij vindt het onjuist, dat zijn verzuim om bij het sollicitatieformulier de nodige bewijsstukken te voegen, zulke ernstige gevolgen heeft gehad. Het ging immers om een zuiver formeel verzuim, dat gemakkelijk had kunnen worden verholpen. Voorts is hij van mening, dat er een bijzondere reden was om hem deze mogelijkheid te geven. In de eerste plaats was in elk geval één van de juryleden er volledig van op de hoogte, dat hij aan de materiële voorwaarden voor deelneming aan het vergelijkend onderzoek voldeed, en in de tweede plaats berustte het verzuim op het feit, dat hij had vertrouwd op de informatie van de reeds genoemde ambtenaar van het Parlement, die op de hoogte had moeten zijn van de te volgen procedure.
Het arrest van het Gerecht getuigt volgens Burban van overdreven formalisme. Hij heeft deze bezwaren opgesomd in het enige middel dat hij tot staving van zijn hogere voorziening aanvoert, te weten dat de zorgplicht van de administratie jegens de personeelsleden en het beginsel van goed bestuur in het bestreden arrest verkeerd zijn uitgelegd en derhalve zijn geschonden. Volgens hem vloeit uit deze beginselen voort, dat hem de gelegenheid had moeten worden gegeven, de voor het onderzoek van zijn sollicitatie nodige bewijsstukken achteraf over te leggen.
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het arrest van het Gerecht en naar het rapport ter terechtzitting.
2. Het weze meteen gezegd, dat het Gerecht mijns inziens tot de juiste conclusie is gekomen. De relevante overwegingen zijn de rechtsoverwegingen 21 tot en met 40 van het arrest en ik kan daarmee instemmen.
Er dient op te worden gewezen, dat het bestreden arrest geen blijk geeft van een overdreven juridisch formalisme, maar juist is gebaseerd op de essentiële beginselen van administratief recht, die ook gelden voor de afwikkeling van een vergelijkend onderzoek. Bij de afwikkeling van een vergelijkend onderzoek moet ervoor worden gezorgd, dat de sollicitanten gelijk worden behandeld, maar ook, dat de werkzaamheden zo snel en zo efficiënt mogelijk verlopen, met inachtneming van het recht van de sollicitanten op een objectieve beoordeling.
3. In de onderhavige zaak staat vast:
- dat in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek op verschillende plaatsen was vermeld, dat de nodige bewijsstukken binnen de gestelde sollicitatietermijn moesten worden overgelegd;
- dat in de aankondiging eveneens duidelijk was gezegd, dat deze verplichting ook gold voor ambtenaren en andere personeelsleden van het Parlement;
- dat was aangegeven, dat niet-overlegging van de bewijsstukken binnen de gestelde termijn tot gevolg zou hebben, dat de betrokkene niet tot het vergelijkend onderzoek zou worden toegelaten.
Het is heel gebruikelijk, te eisen dat dergelijke bewijsstukken worden overgelegd, en daaraan, in geval van niet-inachtneming, het bovengenoemde rechtsgevolg te verbinden.
Aan de door de instellingen georganiseerde vergelijkende onderzoeken kunnen enkele honderden, en soms zelfs enkele duizenden, sollicitanten deelnemen. Er dienen derhalve duidelijke en gemakkelijk toe te passen regels te worden opgesteld. Het spreekt vanzelf, en het strookt overigens met een eerlijke taakverdeling, dat het aan de sollicitanten staat, de nodige bewijsstukken over te leggen.(2) Het kan niet de taak van de jury zijn, na te gaan, om welke reden de verplichting tot overlegging van de bewijsstukken niet is nagekomen. Het is duidelijk, dat er op de jury geen positieve verplichting rust om na te gaan - bij voorbeeld door de persoonsdossiers van de interne kandidaten in te kijken -, of de sollicitanten de facto aan de gestelde voorwaarden voldoen. Het kan evenmin de taak van de jury zijn, na te gaan, of een sollicitant die de vereiste stukken niet heeft overgelegd, in staat is, dit verzuim te verhelpen, en, zo ja, of dit verzuim berust op min of meer verschoonbare concrete gronden, die rechtvaardigen, dat de betrokkene deze mogelijkheid wordt geboden. Op de jury zou dan immers een buitengewoon zware taak worden gelegd, die in elk geval moeilijke afbakeningsproblemen zou meebrengen.
De aankondiging van het vergelijkend onderzoek is derhalve terecht duidelijk op dit punt. Het staat aan de sollicitanten, de nodige bewijsstukken aan te dragen, en de jury is niet gerechtigd, sollicitanten toe te laten die dit niet hebben gedaan.
Een zo duidelijke regel vormt natuurlijk ook een goed uitgangspunt om de inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling van de sollicitanten, waaronder ook de gelijke behandeling van interne en externe sollicitanten valt, te waarborgen.
Onder deze omstandigheden kunnen de sollicitanten zich niet op de zorgplicht van de administratie en het beginsel van goed bestuur beroepen om het verzuim ter zake van de overlegging van de bewijsstukken te mogen herstellen.
4. Dit geldt eveneens voor Burban. De bijzondere omstandigheden die hij aanvoert om toestemming te krijgen om het verzuim te herstellen, zijn niet van dien aard, dat kan worden afgeweken van de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek duidelijk gestelde voorwaarde.
Er behoeft niet lang te worden stilgestaan bij het feit, dat een van de juryleden wist, dat Burban aan de voorwaarden inzake opleiding en beroepservaring voldeed. Deze toevallige omstandigheid kan geen grond opleveren voor een uitzondering op de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek duidelijk geformuleerde en ter zake dienende voorwaarden betreffende de bewijsstukken. Integendeel, een dergelijke uitzondering zou leiden tot discriminatie van de andere sollicitanten, wier sollicitaties zouden worden afgewezen omdat toevallig geen van de juryleden hen kent.
Burban betoogt, dat hij de gelegenheid had moeten krijgen, het verzuim te herstellen, omdat dit het gevolg was van de informatie die hij van een ambtenaar van het Parlement had gekregen. Het Gerecht van eerste aanleg heeft dit argument afgedaan zonder zich definitief uit te spreken over het punt, of Burban dergelijke foutieve informatie had ontvangen; het was namelijk van mening, dat de inlichtingen waarop de betrokkene zich beriep, - "à les supposer établis et pour regrettables qu' ils soient" - geen grond voor toewijzing van diens vordering konden opleveren. Ik ben het op dit punt met het Gerecht eens.
Burban kan zich niet beroepen op verklaringen van een ter zake niet-bevoegde ambtenaar die in strijd zijn met de duidelijk geformuleerde regels betreffende de afwikkeling van vergelijkende onderzoeken. Het is duidelijk, dat de betrokken ambtenaar geenszins bevoegd was tot wijziging van de verplichting inzake de overlegging van de bewijsstukken, zoals die door het tot aanstelling bevoegd gezag in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek duidelijk was geformuleerd. De verklaringen van deze ambtenaar kunnen de jury of het tot aanstelling bevoegd gezag niet het recht geven, en hen nog veel minder verplichten, in strijd met de aankondiging van het vergelijkend onderzoek te handelen. Deze opvatting vindt overigens steun in de rechtspraak, volgens welke men zich niet op met het Ambtenarenstatuut strijdige verklaringen kan beroepen; ik verwijs in dit verband naar het arrest van het Hof in de zaak Vlachou(3) en naar de conclusie van advocaat-generaal Warner in de zaak Dautzenberg.(4)
5. Verder betoogt Burban, dat volgens de rechtspraak van het Hof de jury op grond van de zorgplicht van de administratie en het beginsel van goed bestuur verplicht was, in zijn geval artikel 2, lid 2, van bijlage III bij het Statuut toe te passen, volgens hetwelk van een sollicitant andere documenten en nadere inlichtingen kunnen worden verlangd. Hij beroept zich dienaangaande op de arresten van het Hof van 23 oktober 1986, Schwiering(5), en 4 februari 1987, Maurissen.(6) Mijns treft dit argument geen doel. In de eerste plaats heeft die opvatting het vermoeden tegen zich, daar uit de bewoordingen van die bepaling een dergelijke verplichting niet kan worden afgeleid. In de tweede plaats heeft het Hof in zijn arrest van 25 april 1978, Allgayer(7), verklaard, dat op een jury geen dergelijke verplichting rust. De twee door Burban aangevoerde arresten hebben die rechtssituatie niet gewijzigd. In die twee arresten ging het om
- interne vergelijkende onderzoeken,
- met een beperkt aantal sollicitanten,
- waar de betrokken ambtenaren de bewijsstukken binnen de termijn voor indiening van de sollicitatieformulieren hadden overgelegd, en
- waar de jury had besloten, gebruik te maken van de in artikel 2, tweede alinea, bedoelde bevoegdheid om nadere inlichtingen te verlangen.
Die twee arresten hadden dus eigenlijk betrekking op de vraag, hoe de jury de in artikel 2, tweede alinea, bedoelde bevoegdheid moet aanwenden wanneer zij heeft besloten daarvan gebruik te maken.
6. Mitsdien kan Burbans hogere voorziening niet worden toegewezen. De kosten moeten mijns inziens worden gedragen door requirant. Ingevolge artikel 69, lid 2, juncto artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij evenwel slechts in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd. Het Parlement heeft het Hof verzocht over de kosten te beslissen overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Reglement voor de procesvoering. Dit kan moeilijk worden opgevat als een verzoek om Burban in de kosten te verwijzen. Bijgevolg dient elke partij haar eigen kosten te dragen.
7. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging, de hogere voorziening af te wijzen en te verstaan dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
(*) Oorspronkelijke taal: Deens.
(1) - Zaak T-133/89, Burban, Jurispr. 1990, blz. II-245.
(2) - Het Hof heeft herhaaldelijk verklaard, dat het aan de sollicitanten en niet aan de jury staat, de nodige bewijsstukken aan te dragen om de jury in staat te stellen, te beoordelen, of de sollicitanten voldoen aan de materiële voorwaarden om aan het vergelijkend onderzoek deel te nemen; zie bij voorbeeld het arrest van 12 juli 1989, zaak 225/87, Belardinelli, Jurispr. 1989, blz. 2353, 2384.
(3) - Arrest van 6 februari 1986, zaak 162/84, Vlachou, Jurispr. 1986, blz. 481, 491.
(4) - Arrest van 28 oktober 1980, zaak 2/80, Dautzenberg, Jurispr. 1980, blz. 3107, 3121.
(5) - Zaak 321/85, Jurispr. 1986, blz. 3199.
(6) - Zaak 417/85, Jurispr. 1987, blz. 551.
(7) - Zaak 74/77, Jurispr. 1978, blz. 977. In deze zaak had de jury van een door het Parlement georganiseerd algemeen vergelijkend onderzoek op grond van schriftelijke bewijsstukken en van een examen geweigerd, een sollicitante, ambtenaar van de Commissie, tot het schriftelijk examen toe te laten, op grond dat zij de sollicitante op basis van de door deze overgelegde schriftelijke bewijsstukken niet het aantal punten had kunnen toekennen, dat vereist was om aan het schriftelijk examen te kunnen deelnemen. De ambtenaar claimde het recht, aanvullende stukken over te leggen. In rechtsoverweging 9 van het arrest overwoog het Hof:
dat verzoekster heeft begrepen dat het noodzakelijk was een volledig dossier over te leggen, aangezien zij ook overbodige documenten, zoals de diploma' s Mittlere Reife en Abitur heeft ingezonden, waarvan het feit dat zij ze bezat, gezien haar universitair diploma vanzelfsprekend was;
dat bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken deze uiteraard met het sollicitatieformulier moeten worden ingezonden, zonder dat de jury verplicht is ze bij de sollicitanten op te vragen;
dat als verzoekster de nadien ingezonden getuigschriften niet bij het sollicitatieformulier heeft gevoegd, zij daarvan enkel zichzelf een verwijt heeft te maken en de consequenties ervan heeft te aanvaarden;
dat overigens zij opgemerkt dat deze getuigschriften volgens de objectieve basiscriteria die de jury voor de beoordeling van de schriftelijke bewijsstukken der sollicitanten had vastgesteld, niet in aanmerking zouden zijn genomen.
Full & Egal Universal Law Academy