Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De juridische context en de feiten van de onderhavige zaken
1. Deze zaken hebben betrekking op de geldigheid van twee beschikkingen van de Commissie waarbij de aanvragen van verzoeksters, de Spaanse vennootschappen Pesquerias de Bermeo en Naviera Laida, om toekenning van een aanmoedigingspremie voor twee experimentele visserijcampagnes in de Atlantische Oceaan Zuid-West, zijn afgewezen.
Hieronder volgt een korte weergave van de relevante voorschriften.
Overeenkomstig artikel 1 van verordening (EEG) nr. 4028/86 van de Raad van 18 december 1986 inzake communautaire acties voor verbetering en aanpassing van de structuur van de visserij en de aquicultuur(1), kan de Commissie communautaire financiële bijstand verlenen voor bepaalde acties om de structurele ontwikkeling in de visserijsector te vergemakkelijken, waaronder heroriëntatie van de visserij door het opzetten van experimentele visserijcampagnes.
Titel V van de verordening bevat voorschriften op het gebied van de experimentele visserij. In artikel 13 wordt een experimentele visserijcampagne omschreven als
"(...) elke vorm van visserij met commerciële doeleinden die in een bepaalde zone wordt uitgevoerd om de rentabiliteit van een regelmatige en duurzame exploitatie van de visbestanden in die zone te evalueren."
Artikel 14 noemt de voorwaarden waaraan de projecten voor experimentele visserijcampagnes moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een "aanmoedigingspremie". In casu zijn vooral van belang artikel 14, lid 2, sub c, waarin wordt bepaald dat de projecten
"visserijzones (moeten) betreffen waarvoor, op grond van de ramingen over de visbestanden, op langere termijn een stabiele en rendabele exploitatie mag worden verwacht",
en artikel 14, lid 3, bepalende dat
"een project verscheidene opeenvolgende visserijcampagnes in dezelfde visserijzone mag omvatten, om daarmee de grondslag te leggen voor een stabiele en duurzame exploitatie".
Ten slotte moet worden vermeld artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1871/87 van de Commissie van 16 juni 1987 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 4028/86 van de Raad met betrekking tot de aanmoediging van de experimentele visserij(2), dat bepaalt dat
"de aanmoedigingspremie alleen wordt toegekend voor campagnes waarmee is begonnen na de datum waarop de betrokken aanvraag bij de Commissie is geregistreerd (...)".
Volgens artikel 15 van verordening nr. 4028/86 bedraagt de aanmoedigingspremie 20 % van de voor financiering in aanmerking komende kosten van de campagne, met dien verstande dat de bijdrage van de betrokken Lid-Staat tussen 10 en 20 % van die kosten moet liggen.
Volgens artikel 16, lid 1, van verordening nr. 4028/86 worden de projecten door de betrokken Lid-Staat bij de Commissie ingediend, nadat de Lid-Staat daarover advies heeft uitgebracht.
Luidens artikel 16, lid 3, van de verordening beslist de Commissie "binnen twee maanden na indiening van een project" over de toekenning van de in artikel 15 bedoelde premie. Deze beschikking wordt zowel aan de begunstigden als aan de betrokken Lid-Staat medegedeeld, terwijl de andere Lid-Staten ervan in kennis worden gesteld in het kader van het Permanent Comité voor de visserijstructuur.
De feitelijke omstandigheden van de onderhavige zaken kunnen in het kort worden weergegeven als volgt:
Op 13 december 1989 dienden Pesquerias de Bermeo SA en Naviera Laida SA bij het secretariaat-generaal voor de zeevisserij te Madrid aanvragen in om toekenning van aanmoedigingspremies. Op 7 februari 1990 deelde het secretariaat-generaal voor de zeevisserij mee, dat het een steun van 43 931 600 PTA, zijnde 20 % van de toegelaten exploitatiekosten, zou verlenen in geval de Commissie zou besluiten een aanmoedigingspremie toe te kennen.
Op 14 februari 1990 werden de aanvragen van verzoeksters door de Spaanse autoriteiten ingediend. Op 15 respectievelijk 22 februari 1990 startten Naviera Laida SA en Pesquerias de Bermeo SA hun visserijcampagnes met het schip "Geminis", respectievelijk het schip "Ceres".
Op 24 april 1990 legde de Commissie tijdens een bijeenkomst van het Permanent Comité voor de visserijstructuur de volgende verklaring af:
"Om de Lid-Staten behulpzaam te zijn bij de selectie van de experimentele visserijcampagnes die zij aan haar voorleggen, zal de Commissie, al naar gelang de tijdens de eerdere campagnes verzamelde kennis, preciseren voor welke zones en soorten zij een campagne niet meer opportuun acht.
In de loop van het jaar kan zij dit nader preciseren.
Zo acht de Commissie het op basis van de eerdere campagnes voor 1990 niet meer opportuun, dat dit soort campagnes wordt uitgevoerd in de zones Atlantische Oceaan Zuid-West, waar deze hebben plaatsgevonden."
De Commissie heeft te kennen gegeven, dat deze verklaring was ingegeven door de omstandigheid, dat in de periode 1987-1989 van de in totaal 42 visserijcampagnes waarvoor aanmoedigingspremies waren verleend, er 25 hadden plaatsgevonden in de Atlantische Oceaan Zuid-West en betrekking hadden op dezelfde vissoorten als de door verzoeksters ingediende projecten.
Bij brief van 25 april 1990 deelde de Commissie verzoeksters mee dat zij het, in het perspectief van eerder verkregen inlichtingen, niet meer opportuun achtte visserijcampagnes in de Atlantische Oceaan Zuid-West te financieren en dat zij bijgevolg geen aanmoedigingspremies meer kon verlenen voor campagnes in de bedoelde zone. Verzoeksters ontvingen deze brief naar eigen zeggen eerst op 7 mei 1990. Na een nieuwe briefwisseling tussen partijen, waarbij verzoeksters onder meer de aandacht vestigden op het feit dat de campagnes geruime tijd aan de gang waren, gaf de Commissie op 6 juni 1990 de thans in geding zijnde beschikkingen, waarbij de aanmoedigingspremies voor de door verzoeksters ingediende projecten werden geweigerd.
De twee beschikkingen zijn dus gegeven na het verstrijken van de in artikel 16, lid 3, van verordening nr. 4028/86 gestelde termijn, hetgeen door de Commissie niet wordt betwist.
Voor de onderhavige zaken is eveneens van belang, dat de Commissie op 7 november 1989 een beschikking gaf waarbij een aanmoedigingspremie werd toegekend voor twee projecten die verzoeksters op 14 februari 1989 hadden ingediend en die betrekking hadden op dezelfde schepen, dezelfde zones en dezelfde soorten als de projecten waarvoor verzoeksters op 14 februari 1990 om steun verzochten. In deze beschikkingen wees de Commissie erop, dat aan alle noodzakelijke voorwaarden voor de toekenning van de aanmoedigingspremie was voldaan en dat de projecten behoorden tot de projecten die het best leken te passen bij het belang van de Gemeenschap om uitvoering te geven aan een gemeenschappelijk visserijbeleid.
Conclusies van partijen
Verzoeksters concluderen dat het den Hove behage:
- de beroepen ontvankelijk te verklaren;
- de beschikkingen van de Commissie nietig te verklaren;
- voor recht te verklaren, dat verzoeksters elk recht hebben op een aanmoedigingspremie ten bedrage van 43 931 600 PTA;
- verweerster te veroordelen tot vergoeding van de als gevolg van de onwettige beschikkingen geleden verliezen, en
- verweerster in de kosten te verwijzen.
Verweerster concludeert dat het den Hove behage:
- het beroep voor zover dit strekt tot nietigverklaring, te verwerpen;
- de conclusies strekkende tot erkenning van het recht van verzoeksters op een aanmoedigingspremie, niet-ontvankelijk te verklaren;
- de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk, subsidiair ongegrond te verklaren;
- verzoeksters in de kosten te verwijzen.
Hierna wordt slechts naar de opmerkingen van partijen verwezen voor zover dat noodzakelijk is om mijn standpunt in deze zaken te bepalen. Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en de standpunten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting.
Hebben verzoeksters een actieve legitimatie?
De beschikkingen van de Commissie zijn gericht tot verzoeksters. Beide zaken kunnen dus overeenkomstig artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag ten gronde worden behandeld.
Zijn de beschikkingen van de Commissie onwettig?
Met als uitgangspunt de twee feitelijke gegevens die de kern van de onderhavige zaken vormen, te weten
- dat de beschikkingen van de Commissie zijn gegeven na het verstrijken van de in artikel 16, lid 3, van verordening nr. 4028/86 gestelde termijn van twee maanden, en
- dat de Commissie in een tijdsbestek van zes maanden beschikkingen heeft gegeven waarbij zij een aanmoedigingspremie voor in essentie identieke projecten heeft toegekend respectievelijk geweigerd,
hebben verzoeksters een hele reeks van argumenten aangevoerd ter ondersteuning van hun conclusies strekkende tot nietigverklaring van de beschikkingen van de Commissie.
Verzoeksters' argumenten kunnen het best worden behandeld door antwoord te geven op de volgende drie vragen:
a) Kan aan overschrijding van de in artikel 16, lid 3, van verordening nr. 4028/86 gestelde termijn het door verzoeksters gevorderde rechtsgevolg worden verbonden?
b) Heeft de Commissie verordening nr. 4028/86 geschonden door zich op het standpunt te stellen, dat verzoeksters niet voldeden aan de voorwaarden voor verkrijging van de aanmoedigingspremie?
c) Heeft de Commissie met haar beschikkingen inbreuk gemaakt op het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, zoals die zijn erkend in het gemeenschapsrecht?
Ad a) Overschrijding van de termijn voor het geven van een beschikking
Volgens verzoeksters is de termijn van twee maanden waarbinnen de Commissie haar beschikking moet geven, dwingend in dier voege dat de Commissie na het verstrijken van deze termijn slechts een voor verzoeksters positieve beschikking kan geven. De beschikkingen van de Commissie zijn volgens verzoeksters ongeldig op grond dat zij een afwijzing van hun aanvragen bevatten.
Deze opvatting wordt volgens verzoeksters onder meer geschraagd door het feit, dat uit artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1871/87 kan worden afgeleid, dat een experimentele campagne onmiddellijk kan beginnen na de datum waarop de aanvraag om bijstand bij de Commissie is geregistreerd. Gegeven het feit - aldus verzoeksters - dat een experimentele campagne gewoonlijk reeds zal zijn begonnen op het tijdstip waarop de Commissie haar beschikking geeft, kan een eventuele negatieve beschikking niet anders dan binnen de termijn worden gegeven, aangezien elke overschrijding van de termijn de kandidaten schade berokkent.
Dienaangaande verwijzen verzoeksters naar de specifieke uitgaven die in verhouding tot gewone campagnes zijn gemoeid met de uitvoering van experimentele campagnes, aangezien het bij voorbeeld vereist is dat wetenschappelijke waarnemers aan boord zullen zijn of, wanneer dat onmogelijk is, dat een wetenschappelijk instituut bij de voorbereidingen van de campagne wordt betrokken, enzovoort (zie artikel 14, lid 2, sub d, van verordening nr. 4028/86). Overigens moeten de experimentele campagnes een bepaalde duur hebben, zodat zij niet zomaar kunnen worden afgebroken wanneer de visvangst niet bevredigend is (zie artikel 14, lid 2, sub b).
Bovendien moet de termijn worden beoordeeld met inachtneming van de bijzondere behoeften aan duidelijkheid en voorspelbaarheid die kenmerkend zijn voor de visserijsector, waar de campagnes en de visreizen van tevoren moeten kunnen worden gepland.(3)
Volgens de Commissie geeft deze termijn slechts een indicatie van het tijdstip waarop de beschikking van de Commissie redelijkerwijs moet zijn gegeven. De termijn dient om vast te stellen vanaf welk tijdstip tegen de Commissie een beroep wegens haar stilzitten kan worden ingesteld. Daarentegen kan overschrijding van de termijn niet van invloed zijn op de inhoud van de beschikking zelf en kan zij derhalve evenmin leiden tot nietigverklaring ervan.
Het valt uiteraard te betreuren, dat de Commissie niet in staat is geweest de betrokken beschikkingen binnen de door de Raad vastgestelde termijn te geven, en men kan zich met rede afvragen wat de logica is van het stellen van termijnen wanneer op niet-inachtneming ervan geen enkele juridische sanctie staat. Maar men moet toegeven, dat op het onderhavige gebied een beroep wegens nalaten tegen de Commissie een rechtsmiddel is dat in beperkte mate effect sorteert.
Het is duidelijk dat deze overwegingen onvoldoende grond vormen om aan te nemen, dat niet-inachtneming van de termijn door de Commissie het door verzoeksters verlangde rechtsgevolg heeft.
Mijns inziens zijn de volgende overwegingen doorslaggevend voor de bepaling van een standpunt over het argument van verzoeksters.
Verordening nr. 4028/86 verbindt geen rechtsgevolgen aan overschrijding van de termijn van artikel 16. Dit punt is van belang, omdat de algemene regel moet zijn, dat aan overschrijding van een termijn niet zulke belangrijke rechtsgevolgen kunnen worden verbonden als die welke door verzoeksters worden verlangd, behoudens indien de gemeenschapswetgever zulks uitdrukkelijk heeft voorzien. Deze zienswijze wordt bevestigd door het feit, dat er inderdaad gevallen bestaan waarin overschrijding van een termijn waarbinnen de Commissie wordt geacht haar beschikking te geven, uit hoofde van een uitdrukkelijke bepaling van een verordening gevolgen meebrengt als die welke door verzoeksters worden verlangd.(4)
Het is evenwel de vraag, of er in bijzondere en dwingende omstandigheden aan termijnoverschrijdingen dergelijke rechtsgevolgen kunnen worden verbonden, ook indien zulks niet uitdrukkelijk is bepaald, en - zo ja - of op het thans onderzochte terrein sprake is van dergelijke omstandigheden.
Het Hof heeft zich over een dergelijke kwestie kunnen uitspreken in zijn arrest van 27 januari 1988 (zaak 349/85, Denemarken/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 169). Artikel 5 van verordening nr. 729/70 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid stelt een termijn van één jaar vast waarbinnen de Commissie de rekeningen goedkeurt, welke termijn de Commissie had overschreden. Het Hof overwoog als volgt:
"(...) Nu op de niet-naleving van deze termijn geen sanctie is gesteld, kan zij, gezien de aard van de beschikking tot goedkeuring van de rekeningen - die als voornaamste doel heeft, te verzekeren dat de door de nationale instanties aanvaarde uitgaven overeenkomstig de communautaire voorschriften werden gedaan - behoudens de aantasting van de belangen van een Lid-Staat slechts als een ordetermijn worden beschouwd" (r.o. 19).(5)
Hieruit kan mijns inziens worden afgeleid, dat de rechtsgevolgen van een bepaling waarbij een termijn wordt gesteld die formeel niet vergezeld gaat van een sanctie, moeten worden bepaald met inachtneming van de onderliggende aard en strekking van de beschikking die binnen de betrokken termijn moet worden gegeven, en dat het, al naar gelang de omstandigheden, mogelijk zal zijn concreet rekening te houden met de situatie van degene tot wie de beschikking is gericht en wiens belangen zijn geschaad.
Met betrekking tot de onderliggende strekking van de beschikkingen van de Commissie inzake de toekenning van een aanmoedigingspremie, vermeldt de considerans van verordening nr. 4028/86:
"(...) dat de Gemeenschap daarnaast, aangezien zij een tekort heeft aan visserijprodukten, moet trachten haar voorzieningsmogelijkheden te verbreden, met name door middel van een vergroting van de vangstmogelijkheden en een uitbreiding van de aquicultuur;
(...)
Overwegende dat ook dient te worden gezorgd voor instandhouding of zelfs verbetering van de vangstmogelijkheden buiten de wateren waarvoor de communautaire visserijwetgeving geldt; dat dit doel kan worden bereikt door rechtstreekse communautaire bijstand voor projecten inzake experimentele visserij of voor tijdelijke samenwerkingsverbanden van ondernemingen."
De experimentele campagnes strekken er aldus toe, de vangstmogelijkheden en daardoor de voorzieningsmogelijkheden van de Gemeenschap te vergroten. Juist ter bereiking van dit doel dient de Commissie beschikkingen inzake de toekenning van de aanmoedigingspremies te geven. De aanmoedigingspremies zijn niet bedoeld als financiële bijstand voor bedreigde branches in de visserijsector. Bij het geven van beschikkingen inzake de toekenning ervan, worden de behoeften van de begunstigde niet geëvalueerd. De aanmoedigingspremies dienen er slechts toe om - zoals hun naam al zegt - de begunstigde ertoe te bewegen, in het belang van de Gemeenschap bepaalde acties te ondernemen.
Uit de aldus beschreven doelstelling kunnen mijns inziens geen argumenten worden afgeleid om aan overschrijding van de termijn het door verzoeksters verlangde rechtsgevolg te verbinden.
Volgens verzoeksters moest, zoals gezegd, in het bijzonder rekening worden gehouden met de situatie van de aanvragers van financiële bijstand voor de experimentele campagnes, omdat deze, met de kosten die zij meebrengen, kunnen beginnen voor het verstrijken van de termijn waarbinnen de Commissie haar beschikking moet geven, gelijk uitdrukkelijk is voorzien in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1871/87.
Dit standpunt moet worden verworpen. Artikel 3, lid 2, is in ontkennende bewoordingen gesteld, in die zin dat de bepaling ertoe strekt experimentele campagnes die zijn begonnen voordat de aanvraag om bijstand bij de Commissie is geregistreerd, van de toekenning van financiële bijstand uit te sluiten. Deze bepaling veronderstelt dus niet algemeen een stelsel waarin de experimentele campagnes beginnen voordat de beschikking van de Commissie wordt gegeven.
Degene die de premie heeft aangevraagd en met zijn campagne begint voordat de Commissie haar beschikking heeft gegeven, handelt voor eigen rekening en op eigen risico. Het staat vast dat de Commissie de aanvraag om bijstand binnen een termijn van twee maanden kan afwijzen, zelfs indien de campagne is begonnen. Ik zie geen dwingende redenen om te veronderstellen, dat de rechtspositie van de aanvragers ingrijpend zou worden verbeterd wanneer de termijn van twee maanden eenmaal is verstreken. Verzoeksters moeten zich bewust zijn geweest van het feit, dat zij een risico liepen door met de campagnes te beginnen voordat zij over de beschikking van de Commissie beschikten.
Verzoeksters zijn onmiddellijk na de indiening van de aanvragen om bijstand, dat wil zeggen bijna twee maanden voordat een beschikking kon worden verwacht, met hun experimentele campagnes begonnen. Eerst drie weken na het verstrijken van de termijn werd verzoeksters door de Commissie meegedeeld, dat projecten van deze soort niet meer voor communautaire steun in aanmerking kwamen (de brief van de Commissie is gedateerd 27 april 1990, dat wil zeggen 10 dagen na het verstrijken van de termijn, terwijl verzoeksters deze naar eigen zeggen evenwel pas op 7 mei 1990 hebben ontvangen). Anders gezegd, de feitelijke situatie van verzoeksters zou blijkbaar niet anders zijn geweest indien de beschikking van de Commissie binnen de termijn was gegeven, en daardoor onaantastbaar was geworden.
Er is dus in verband met de thans in geding zijnde termijn geen sprake van bijzondere en dwingende omstandigheden die, bij gebreke van uitdrukkelijke bepalingen op dit punt, een rechtvaardiging kunnen vormen voor het zeer ingrijpende rechtsgevolg dat verzoeksters zouden willen verbinden aan overschrijding van de gestelde termijn. Ik ben derhalve van mening, dat overschrijding van de termijn op zich niet kan leiden tot nietigheid van de beschikkingen.
Ad b) De vraag of de Commissie verordening nr. 4028/86 heeft geschonden door zich op het standpunt te stellen, dat verzoeksters niet voldeden aan de voorwaarden voor verkrijging van de aanmoedigingspremie
Verzoeksters stellen dat de beschikkingen van de Commissie naar de inhoud nietig zijn, omdat hun aanvragen voldeden aan de noodzakelijke voorwaarden voor toekenning van de aanmoedigingspremie. Het voornaamste argument waarop zij dit middel doen steunen is dat de Commissie, die in 1989 bijstand had verleend, in 1990 - niet meer dan zes maanden na de eerste positieve beschikkingen - niet tot het tegenovergestelde resultaat kon komen voor aanvragen betreffende visserijcampagnes die in essentie overeenkwamen met de in 1989 uitgevoerde campagnes.
Het lijdt mijns inziens geen twijfel, dat de Commissie met haar beschikkingen heeft gehandeld binnen de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid die haar bij het beheer van het betrokken stelsel moet worden toegekend.
In haar beschikkingen van 6 juni 1990 baseerde de Commissie haar weigeringen op de volgende overwegingen:
"(...) overwegende dat de vissers uit de Gemeenschap de visbestanden van deze zone kennen; dat voorts de resultaten van de exploitatie van deze zone bekend zijn en dat een experimentele visserijcampagne om de rentabiliteit van een regelmatige en duurzame exploitatie van de visbestanden in de zone te evalueren, niet gerechtvaardigd is;
overwegende bijgevolg dat deze experimentele visserijcampagne niet voldoet aan de voorwaarden voor de communautaire financiële bijstand, inzonderheid de voorwaarden bedoeld in artikel 14, lid 2, sub c, van verordening (EEG) nr. 4028/86 (...)"
Artikel 14, lid 2, sub c, van de verordening stelt als voorwaarde dat de projecten voor experimentele visserijcampagnes "visserijzones moeten betreffen waarvoor, op grond van de ramingen over de visbestanden, op langere termijn een stabiele en rendabele exploitatie mag worden verwacht". Met haar weigering om bijstand te verlenen, refereerde de Commissie dus aan het feit dat deze voorwaarde niet was vervuld. Partijen verschillen van mening over de vraag, of deze voorwaarde inderdaad niet is vervuld. Uit de motivering van de Commissie blijkt evenwel ook, dat de weigering eerst en vooral voortvloeit uit de vaststelling, dat de betrokken zone voldoende is geëxploreerd. Volgens de Commissie hadden, zoals gezegd, van de in de periode 1987-1990 in totaal 42 uitgevoerde projecten, er 25 betrekking op experimentele campagnes in de Atlantische Oceaan Zuid-West met betrekking tot dezelfde vissoorten.
In een voldoende geëxploreerde zone voldoet een visserijcampagne niet aan de fundamentele voorwaarde, dat zij een "experimentele campagne" is in de zin van de verordening, te weten een campagne die wordt uitgevoerd "om de rentabiliteit van een regelmatige en duurzame exploitatie van de visbestanden in die zone te evalueren". Aangezien de Commissie slechts "communautaire financiële bijstand verleent voor experimentele visserijcampagnes" (artikel 14), kan zij geen bijstand verlenen voor vormen van visserij die worden uitgevoerd in zones die haars inziens voldoende zijn geëxploreerd.
Dat de Commissie op een bepaald moment is genoodzaakt financiële bijstand te weigeren voor projecten die grote overeenkomst vertonen met eerdere projecten waarvoor wel steun is verleend, is een logisch gevolg van het feit dat het om experimentele campagnes gaat.
Verzoeksters betogen bovendien, dat uit artikel 14, lid 3, voortvloeit dat een aanmoedigingspremie moet worden toegekend voor verscheidene opeenvolgende experimentele campagnes, wanneer het erom gaat "de grondslag te leggen voor een stabiele en duurzame exploitatie" van een zone. Volgens verzoeksters zijn de beschikkingen van de Commissie in strijd met deze bepaling, omdat daarin hun aanvragen om toekenning van aanmoedigingspremies voor nieuwe projecten voor experimentele visserijcampagnes in dezelfde zone worden afgewezen.
Dit standpunt moet worden verworpen. In de eerste plaats heeft deze bepaling blijkens de bewoordingen ervan geen betrekking op de toekenning van de aanmoedigingspremie voor verscheidene opeenvolgende projecten, maar op de vraag, of een en hetzelfde project verscheidene experimentele campagnes kan omvatten, hetgeen in casu geenszins aan de orde is. In de tweede plaats wordt in de bepaling de term "mag" en niet "moet" gebruikt, zodat het aan de Commissie is, te beoordelen of het dienstig is, dat een project verscheidene campagnes omvat.
Overigens hebben verzoeksters blijkbaar geen andere gegevens aangevoerd aan de hand waarvan kan worden aangenomen dat de Commissie de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden.
In hun memories hebben verzoeksters misbruik van bevoegdheid gesteld. Mijns inziens hebben zij evenwel niets aangevoerd ter motivering van een dergelijke hypothese. De door verzoeksters dienaangaande aangevoerde argumenten hebben mijns inziens veeleer betrekking op de vraag, of het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen is geschonden, welke vraag hieronder aan de orde zal komen.
Ad c) Het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen
Volgens de Commissie zijn bepaalde middelen van verzoeksters pas in repliek uitdrukkelijk behandeld. Dit zou met name gelden voor de middelen dat door de beschikkingen van de Commissie het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen zijn geschonden.
Het is de vraag, of deze middelen overeenkomstig artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard op grond dat zij te laat zijn voorgedragen.
Blijkens de rechtspraak van het Hof (zie onder meer het arrest van 15 december 1961, gevoegde zaken 19/60, 21/60, 2/61 en 3/61, Société Fives Lille Cail e.a., Jurispr. 1961, blz. 591, en 30 september 1982, zaak 108/81, Amylum, Jurispr. 1982, blz. 3107), is er sprake van een nieuw middel wanneer het noch rechtstreeks, noch indirect in het verzoekschrift is aangevoerd.
Mijns inziens hebben verzoeksters in hun verzoekschriften indirect op deze beginselen gedoeld, waar zij in dit stadium de Commissie hebben verweten, de criteria te hebben gewijzigd na het verstrijken van de termijn voor het geven van een beschikking. Zo stellen verzoeksters in hun verzoekschriften, dat "de dwaling ten aanzien van het recht is toe te schrijven (...) aan het feit, dat de Commissie van mening is, dat (...) zij zich kan baseren op na het verstrijken van deze termijn vastgestelde criteria", dat "de Commissie bij het verstrijken van de termijn (...) door een groot gebrek aan vooruitziendheid de wezenlijke karakteristieken van de bedoelde campagne wilde wijzigen op basis van de door haar op 6 juni 1990 vastgestelde nieuwe criteria (...)", en dat "het handelen van de Commissie erin bestond, dat zij (...) na meer dan vier maanden (...) liet weten, dat zij van mening was veranderd en vooral dat zij de bijstand niet toekende, terwijl de campagne reeds was begonnen (...)"
Onder deze omstandigheden is er onvoldoende grond om de betrokken argumenten niet-ontvankelijk te verklaren.
Het komt mij voor, dat het vertrouwensbeginsel het voorwerp vormt van een tweeledige argumentatie.
In de eerste plaats, de omstandigheid dat de Commissie in november 1989 financiële bijstand heeft verleend voor een volledig identiek project en er daardoor blijk van gaf, juist tegenover dit soort van projecten positief te staan, gevoegd bij het feit dat verzoeksters binnen de gestelde termijn geen kennisgeving hadden ontvangen van een afwijzende beschikking. Mitsdien, aldus verzoeksters, mocht ervan worden uitgegaan dat de bijstand zou worden toegekend.
Dienaangaande zij opgemerkt, dat het Hof in zijn rechtspraak heeft overwogen, dat ondernemers geen gewettigd vertrouwen kunnen hebben in het voortbestaan van een situatie die door besluiten van de gemeenschapsinstellingen in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid kan worden gewijzigd.(6) Mijns inziens zou het feit, dat de Commissie op een gegeven moment een gunstig advies heeft uitgebracht over een bepaalde soort experimentele campagnes, niet tot gevolg moeten hebben dat zij wordt beperkt in haar mogelijkheid om op basis van objectieve overwegingen haar oordeel te wijzigen over het soort van projecten dat het gemeenschapsbelang dient.
In de tweede plaats betogen verzoeksters dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, omdat de Commissie eerst na het verstrijken van de termijnen - bij gelegenheid van een bijeenkomst van het Permanent Comité voor de visserijstructuur - heeft meegedeeld, dat zij was overgegaan tot de evaluatie van eerdere projecten van dit soort en dat zij tot de conclusie was gekomen, dat het voortaan niet meer zou stroken met het nagestreefde doel, voor die projecten financiële bijstand toe te kennen. Door deze gedragslijn ook toe te passen op de door verzoeksters ingediende projecten, waarvoor de termijn voor het geven van een beschikking reeds was verstreken, verleende de Commissie - aldus verzoeksters - aan de zojuist door haar gewijzigde criteria terugwerkende kracht.
Dienaangaande zij om te beginnen opgemerkt, dat mijns inziens geen element van de thans aanhangige zaken aanleiding geeft te veronderstellen, dat de Commissie haar criteria voor de evaluatie van projecten voor experimentele campagnes zou hebben gewijzigd. In werkelijkheid is de Commissie met toepassing van dezelfde criteria tot een ander resultaat gekomen, omdat de feitelijke omstandigheden - te weten de grote hoeveelheid reeds vergaarde inlichtingen - in de tussentijd waren gewijzigd. Het is duidelijk dat - zoals is uiteengezet met betrekking tot het antwoord op vraag b - de Commissie op basis van de in de verordening vastgestelde toepasselijke criteria noodzakelijkerwijs in staat moet zijn, op een gegeven moment haar standpunt over het nut van aanvullende experimentele campagnes in een bepaalde zone te wijzigen.
Bovendien kan de Commissie op goede gronden haar oordeel wijzigen, ook al voorziet zij dat deze wijziging uitwerking zal hebben op reeds ontvangen aanvragen. Er is geen reden om van de Commissie te verlangen, dat zij officieel van tevoren waarschuwt hoe zij haar beoordelingsbevoegdheid denkt uit te oefenen.
Wat overigens het rechtszekerheidsbeginsel betreft, formuleren verzoeksters in hun memories verschillende algemene overwegingen volgens welke het gemeenschapsrecht duidelijk en voorzienbaar moet zijn en dient te zijn gebaseerd op regels waarvan de toepassing voorzienbaar is. Mijns inziens heeft het rechtszekerheidsbeginsel zoals dit is toegepast in de argumentatie van verzoeksters, in casu geen autonome betekenis naast verzoeksters' betoog met betrekking tot het vertrouwensbeginsel.
De andere conclusies van verzoeksters
Verzoeksters hebben geconcludeerd tot verklaring voor recht, dat zij daadwerkelijk recht hebben op de aanmoedigingspremie.
Dit onderdeel van de conclusies moet reeds niet-ontvankelijk worden verklaard op grond dat het Hof niet bevoegd is kennis te nemen van een dergelijke vordering.
Ten slotte hebben verzoeksters geconcludeerd tot schadevergoeding. Aangezien de gegeven beschikkingen mijns inziens niet als onwettig kunnen worden aangemerkt, moet het beroep bijgevolg ongegrond worden verklaard.
Conclusie
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vordering tot verklaring voor recht dat verzoeksters recht hebben op de aanmoedigingspremie, niet-ontvankelijk te verklaren, het beroep voor het overige te verwerpen en verzoeksters te verwijzen in de kosten.
(*) Oorspronkelijke taal: Deens.
(1) - PB 1986, L 376, blz. 7.
(2) - PB 1987, L 180, blz. 1.
(3) - Verzoeksters beroepen zich hier op het arrest van het Hof van 10 juli 1980 (zaak 32/79, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1980, blz. 2403). In deze zaak werd onder meer gesteld, dat het Verenigd Koninkrijk de op hem rustende verplichting om via wettige en openbaar gemaakte maatregelen uitvoering te geven aan verordening nr. 1779/77, niet was nagekomen. Het Hof overwoog als volgt: (...) Deze verplichting om rechtens bindende en voor iedere belanghebbende kenbare uitvoeringsmaatregelen vast te stellen, is met name noodzakelijk in een sector als de zeevisserij, die enkel op basis van vooraf vastgestelde seizoenen kan worden georganiseerd; het vereiste van rechstduidelijkheid is bijzonder dwingend in een sector waarin elke onzekerheid kan leiden tot incidenten en tot toepassing van zeer zware straffen. (r.o. 46)
(4) - Een dergelijke bepaling is door het Hof onderzocht in het arrest van 22 september 1988 (zaak 148/87, Frydendahl Pedersen, Jurispr. 1988, blz. 4993). In deze zaak ging het om de geldigheid van een beschikking van de Commissie die was gericht tot de Deense regering, waarin de Commissie verklaarde dat er geen reden was om bepaalde invoerrechten die door verzoekster waren voldaan, terug te betalen. Artikel 7 van verordening nr. 1575/80 luidt als volgt: Indien de Commissie haar beschikking niet heeft gegeven binnen de in artikel 5 bedoelde termijn of binnen de in artikel 6 bedoelde termijn van geen enkele beschikking aan de betrokken Lid-Staten heeft kennis gegeven, geeft de beschikkende autoriteit een gunstig gevolg aan het verzoek van de betrokkene. Het Hof heeft dientengevolge de beschikking van de Commissie nietig verklaard op grond dat deze niet was vastgesteld vóór het verstrijken van de voorgeschreven termijn en op grond dat de poging van de Commissie om de termijn te omzeilen, had plaatsgevonden in het kader van een over de gehele linie gebrekkige procedure.
(5) - Zie ook de arresten van het Hof van 10 juli 1990 (zaak C-259/87, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-2845; zaak C-334/87, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-2849, en zaak C-335/87, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-2875).
(6) - Zie onder meer het arrest van 17 juni 1987 (gevoegde zaken 424/85 en 425/85, Frico, Jurispr. 1987, blz. 2755, r.o. 33), waarin het Hof overwoog als volgt: (...) De vaststelling dat in Lid-Staten met een lage rentevoet grote hoeveelheden boter in particuliere opslag werden gebracht, gaf de Commissie het recht de feitelijke situatie anders te beoordelen dan enkele maanden tevoren. Het is vaste rechtspraak van het Hof (...), dat ondernemers geen gewettigd vertrouwen kunnen hebben in het voortbestaan van een situatie die door besluiten van de gemeenschapsinstellingen in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid kan worden gewijzigd. Een verlaging van de uniforme rentevoet waarvan werd uitgegaan bij de vergoeding van de financieringskosten van de opslag, was dus een mogelijkheid waarmee een zorgvuldig en voorzichtig ondernemer rekening had te houden (...)
Full & Egal Universal Law Academy