Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I - De achtergrond van de zaak
1. De Lid-Staten van de Gemeenschap zijn partij bij de Overeenkomst inzake de invoer van voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard, die onder auspiciën van de Unesco werd gesloten en op 22 november 1950 te Lake Success, New York, werd opengesteld voor ondertekening (United Nations Treaty Series, deel 131, 1952, nr. 1734). Partijen bij deze overeenkomst (bekend onder de naam Overeenkomst van Florence) verbinden zich ertoe, op de invoer van onder meer wetenschappelijke instrumenten en apparaten die voor het onderwijs of voor zuiver wetenschappelijk onderzoek zijn bestemd, geen douanerechten of andere heffingen toe te passen, tenzij onder meer wanneer in het land van invoer instrumenten of apparaten van dezelfde wetenschappelijke waarde worden vervaardigd.
2. Deze Overeenkomst is in de Gemeenschap ten uitvoer gelegd bij verordening (EEG) nr. 1798/75 van de Raad van 10 juli 1975 betreffende de invoer met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijk of culturele aard (PB 1975, L 184, blz. 1). In de considerans van deze verordening wordt verwezen naar de Overeenkomst van Florence; in de eerste overweging van deze considerans staat ook dat "ten einde zowel het vrije verkeer van ideeën als de uitoefening van culturele activiteiten en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek binnen de Gemeenschap te bevorderen, de invoer van voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard zoveel mogelijk dient te worden vrijgesteld van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief". Krachtens artikel 3, lid 1, sub b, van de verordening mogen wetenschappelijke instrumenten en apparaten met vrijstelling van douanerechten worden ingevoerd, wanneer "geen instrumenten of apparaten van overeenkomstige wetenschappelijke waarde in de Gemeenschap worden vervaardigd". Verordening nr. 1798/75 is gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1027/79 van de Raad van 8 mei 1979 (PB 1979, L 134, blz. 1), maar door deze wijziging is aan de tekst van artikel 3, lid 1, sub b, niets veranderd.
3. Op 21 december 1978 bestelde de Technische Universitaet Muenchen (hierna: "de universiteit") bij de Japanse onderneming Jeol een apparaat dat werd omschreven als een "Scanning Electron Microscope", model JSM-35 C. Dit apparaat was bestemd voor onderzoek van elektrochemische processen, kunststoffen, fotochemische emulsies biologische systemen en problemen op het gebied van geologie, mineralogie en levensmiddelenchemie.
4. Op 1 juni 1979, 5 oktober 1979 en 23 maart 1981 verzocht de universiteit om inklaring van het apparaat. Aanvankelijk was het Hauptzollamt Muenchen-Mitte van mening, dat het apparaat krachtens verordening nr. 1798/75 met vrijstelling van douanerechten kon worden ingevoerd. Vervolgens besloot het Hauptzollamt evenwel, dat het apparaat niet kon worden vrijgesteld van douanerechten, zulks op basis van beschikking 82/86/EEG van de Commissie van 23 december 1981 (PB 1982, L 41, blz. 53), waarbij in verband met een ander geval van invoer was vastgesteld, dat het apparaat JSM-35 C niet met vrijstelling van douanerechten kon worden ingevoerd, omdat een toen door Philips Nederland BV in Nederland vervaardigd apparaat (de PSEM 500 X) van gelijke wetenschappelijk waarde was. Bijgevolg vorderde het Hauptzollamt bij beschikkingen van 14 april, 15 april en 22 juni 1982 douanerechten ten bedrage van 31 110,20 DM, alsmede 3 746,50 DM aan BTW.
5. De universiteit diende tegen de beschikking van het Hauptzollamt een bezwaarschrift in en de Duitse autoriteiten legden de zaak aan de Commissie voor ingevolge artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2784/79 van de Commissie van 12 december 1979 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 1798/75 (PB 1979, L 318, blz. 32). Vervolgens leidde de Commissie de procedure van artikel 7, leden 3 tot en met 7, van verordening nr. 2784/79 in. ((Tussen haakjes zij opgemerkt dat de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen naar verordening nr. 2784/79 verwijst, maar in haar antwoorden op de vragen van het Hof de indruk wekt, dat de procedure werd beheerst door verordening (EEG) nr. 3195/75 van de Commissie (PB 1975, L 316, blz. 17), die vooraf ging aan verordening nr. 2784/79. Dit lijkt echter niet van belang, omdat de relevante bepalingen van de twee verordeningen vrijwel gelijkluidend zijn en de verschillen in de onderhavige zaak geen rol spelen. In het navolgende zal ik naar verordening nr. 2784/79 verwijzen.))
6. Zoals voorgeschreven in artikel 7, lid 5, van verordening nr. 2784/79, werd om advies gevraagd aan een groep van deskundigen, bestaande uit vertegenwoordigers van alle Lid-Staten, die bijeenkomt in het kader van het Comité douanevrijstellingen. Deze groep kwam tot de slotsom dat het Philips-apparaat PSEM 500 X en het apparaat JSM-35 C van gelijke wetenschappelijke waarde waren. Overeenkomstig artikel 7, lid 6, tweede alinea, van de verordening gaf de Commissie beschikking 83/348/EEG van 5 juli 1983, waarin werd vastgesteld dat het apparaat genaamd "Jeol-Scanning Electron Microscope, model JSM-35 C" niet met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief mag worden ingevoerd (PB 1983, L 188, blz. 22). Deze beschikking steunde opnieuw op het feit, dat het Philips-apparaat van gelijke wetenschappelijke waarde was.
7. Opgemerkt zij, dat toen de groep van deskundigen eenmaal had geconcludeerd dat het Philips-apparaat van gelijke wetenschappelijk waarde als het Jeol-apparaat was, de Commissie in deze aangelegenheid kennelijk geen discretionaire bevoegdheid meer had. Artikel 7, lid 6, tweede alinea, van verordening nr. 2784/79 bepaalt:
"Wanneer uit dit onderzoek (dat wil zeggen het door de groep van deskundigen verrichte onderzoek) blijkt, dat het instrument of apparaat waarvoor vrijstelling wordt gevraagd, niet als wetenschappelijk dient te worden beschouwd, dan wel dat instrumenten of apparaten van dezelfde wetenschappelijke waarde momenteel in de Gemeenschap worden vervaardigd, geeft de Commissie een beschikking waarin wordt vastgesteld dat het betrokken instrument of apparaat niet aan de voorwaarden voldoet die zijn gesteld om met vrijstelling te worden toegelaten."
8. Als uitvloeisel van beschikking 83/348 van de Commissie bevestigde het Hauptzollamt zijn besluit om voor het betrokken apparaat douanerechten te heffen. De universiteit stelde hiertegen beroep in bij het bevoegde Finanzgericht. Het Finanzgericht was van oordeel, dat het Philips-apparaat niet van gelijke wetenschappelijke waarde was als het Jeol-apparaat en verklaarde het invorderingsbesluit daarom nietig. Het Finanzgericht achtte zich niet gebonden door beschikking 83/348 van de Commissie, die zijns inziens in strijd met het gemeenschapsrecht en dus ongeldig was. Het overwoog eveneens, dat de beschikking geen algemeen geldende rechtsregel vormde en slechts bindend was voor de Lid-Staten tot wie zij was gericht. Vermoedelijk beschouwde het zichzelf of het Hauptzollamt niet als een onderdeel van de Duitse staat. Ik wil evenwel beklemtonen, dat alle gemeenschapshandelingen bindend zijn voor alle organen van de Lid-Staten, tenzij zij ongeldig zijn verklaard, en dat de nationale rechtelijke instanties niet bevoegd zijn zelf handelingen van de gemeenschapsinstellingen ongeldig te verklaren (arrest van 22 oktober 1987, zaak 314/85, Foto-Frost, Jurispr. 1987, blz. 4199).
9. Het Hauptzollamt stelde tegen deze uitspraak van het Finanzgericht hoger beroep in bij het Bundesfinanzhof, dat heeft verzocht om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van beschikking 83/348 van de Commissie.
II - Het door het Bundesfinanzhof opgeworpen probleem: de draagwijdte van de rechterlijke toetsing
10. Het Bundesfinanzhof is zich ervan bewust, dat het Hof zich tot dusver terughoudend heeft opgesteld met betrekking tot de toetsing van de inhoud van een beschikking waarbij vrijstelling van invoerrechten wordt geweigerd, op grond dat in de Gemeenschap instrumenten of apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde worden vervaardigd. Het Bundesfinanzhof citeert het arrest van 15 maart 1989 (zaak 303/87, Universitaet Stuttgart, Jurispr. 1989, blz. 705), waarin het Hof overeenkomstig zijn eerdere rechtspraak verklaarde dat het:
"(..) gelet op het technische karakter van het onderzoek ter zake van de gelijkwaardigheid van verschillende apparaten, de inhoud van een door de Commissie conform het advies van het Comité douanevrijstellingen gegeven beschikking slechts aan de kaak (kan) stellen bij een klaarblijkelijke beoordelingsfout of bij misbruik van bevoegdheid".
11. Het Bundesfinanzhof voert geen enkel argument aan, op grond waarvan beschikking 83/348 van de Commissie ongeldig zou zijn. Wel verzoekt het het Hof zijn eerdere rechtspraak te heroverwegen en de praktijk te laten varen om zijn rechterlijke toetsing te beperken tot de vraag of de beschikking van de Commissie feitelijk of rechtens een kennelijke fout bevat of misbruik van bevoegdheid vormt. In de verwijzingsbeschikking zegt het Bundesfinanzhof het volgende:
"Een slechts beperkte toetsing in de zin van de bestaande rechtspraak van het Hof zou betekenen, dat een juridisch onjuiste, voor de burger bezwarende beschikking van de Commissie in stand zou blijven, enkel omdat de door de Commissie gemaakte fouten niet klaarblijkelijk zijn. Hoe moeilijker de te beantwoorden technische vragen, des te onaantastbaarder zou de betrokken beschikking van de Commissie zijn. Het is de vraag of een dergelijke beperking van de rechtsbescherming van de burger verenigbaar is met het naar gemeenschapsrecht geldende fundamentale beginsel van een doeltreffende rechtsbescherming."
12. Het Bundesfinanzhof wijst erop, dat de problemen betreffende de douane-indeling van goederen dikwijls even technisch zijn, terwijl er toch geen steun is voor de opvatting, dat de betrokken administratieve beschikkingen aan een dergelijke beperkte rechterlijke toetsing zijn onderworpen.
13. Er valt veel te zeggen voor de opmerkingen van het Bundesfinanzhof. Uiteraard mag de technische aard van een zaak er niet toe leiden, dat het Hof zijn verplichting krachtens artikel 164 EEG-Verdrag om de eerbiediging van het recht te verzekeren, niet nakomt. Het mag technische problemen niet uit de weg gaan en het moet in voorkomend geval bereid zijn deze problemen op te lossen door met toepassing van artikel 49 van het Reglement voor de procesvoering een deskundigenonderzoek te bevelen. Ook bij prejudiciële verwijzingen beschikt het Hof over deze mogelijkheid krachtens artikel 103 van het Reglement voor de procesvoering.
14. Bovendien is de formulering die het Hof in de zaak Universitaet Stuttgart (reeds aangehaald in punt 10) en in zijn eerdere arrest van 27 september 1983 (zaak 216/82, Universitaet Hamburg, Jurispr. 1983, blz. 2771) heeft gebruikt, minder gelukkig, omdat de indruk wordt gewekt, dat het Hof een beschikking van de Commissie die een fout rechtens bevat, niet nietig kan verklaren, tenzij het om een klaarblijkelijke fout gaat. Volgens mij moet deze uitspraak niet al te letterlijk worden genomen. Mijns inziens staat vast, dat elk besluit van een gemeenschapsinstelling met bindende rechtsgevolgen, zelfs een besluit over een technisch probleem, nietig kan worden verklaard, wanneer het een fout rechtens bevat, ook wanneer het geen kennelijke fout betreft. Opgemerkt zij, dat in de Franse tekst van het arrest in de Stuttgart-zaak wordt gesproken van een "erreur manifeste d' appréciation" en niet, zoals in de Hamburg-zaak, van een "klaarblijkelijke fout feitelijk of rechtens".
15. Anderzijds bestaan er degelijke rechtspolitieke redenen op grond waarvan het Hof terughoudend behoort te zijn met inmenging in een beschikking op technisch gebied die in overeenstemming met de aanbevelingen van een groep van deskundigen is gegeven. Bij een korte blik in de processtukken blijkt reeds, dat het in deze zaak om problemen gaat die ver buiten het werkterrein van een normale rechter liggen. Het Hof van Justitie is bijvoorbeeld niet het geëigende forum om vast te stellen of het Philips-apparaat PSEM 500 X uitgerust is met een terugverstrooiingsdetector waarmee verschillen in atoomnummer kunnen worden onderscheiden. Evenmin is het Hof in staat om te beoordelen of met de eucentrisch kantelbare objecttafel van dit apparaat het oppervlak van het preparaat sneller en nauwkeuriger op de Rowlandcirkel van de spectrometer kan worden gepositioneerd dan met de lichtmicroscoop, gekoppeld aan de Jeol JSM-35 C. Deze vragen kunnen alleen door een wetenschapsbeoefenaar worden beantwoord.
16. Gelet op deze tegenstrijdige overwegingen kunnen vragen zoals de gelijkwaardigheid van twee wetenschappelijke instrumenten in beginsel beter worden voorgelegd aan een onafhankelijk lichaam dat is samengesteld uit personen die de benodigde technische kennis bezitten. Voor zover deze problemen aan een dergelijk lichaam zijn toevertrouwd en dit lichaam procedures volgt die in overeenstemming zijn met de relevante wet en met alle eventueel toepasselijke algemene rechtsbeginselen, rekening houdt met alle relevante zaken, voorbij gaat aan alle niet-relevante zaken en een beslissing neemt die ten minste voldoende is gemotiveerd om een vorm van rechterlijke toetsing mogelijk te maken, kan ik aanvaarden, dat het Hof zich ten opzichte van de hierna vastgestelde beslissing terughoudend moet opstellen, en zeker zijn eigen mening over technische vraagstukken niet in de plaats van die van de deskundigen moet stellen. Onder deze omstandigheden zou het Hof gerechtigd zijn, zijn rol te beperken tot een toetsing of aan de beslissing rechtens een gebrek kleeft, in het bijzonder een procedurefout, dan wel of de beslissing kennelijk onjuist was.
III - De procedure die leidde tot de bestreden beschikking
17. Derhalve moet worden onderzocht of de omstandigheden waaronder beschikking 83/348 van de Commissie uiteindelijk werd gegeven, zodanig zijn dat het Hof terecht met een beperkte toetsing kan volstaan. Te dien einde zal ik de in verordening nr. 2784/79 neergelegde procedures samenvatten, vervolgens de werkmethode van de groep deskundigen die bijeenkomt in het kader van het Comité douanevrijstellingen, onderzoeken en dan de totstandkoming van beschikking 83/348 behandelen.
18. Artikel 6 van verordening nr. 2784/79 bepaalt dat, om wetenschappelijke instrumenten of apparaten met vrijstelling te kunnen invoeren, de instelling of organisatie van bestemming ("de importerende instelling") een daartoe strekkend verzoek moet indienen bij de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar deze instelling of organisatie is gevestigd. Het verzoek moet diverse gegevens bevatten inzake het betrokken instrument of apparaat, waaronder een beschrijving van de objectieve technische kenmerken op grond waarvan het wetenschappelijk karakter ervan kan worden aangetoond. Het verzoek moet eveneens vermelden voor welk gebruik het instrument of apparaat is bestemd en een nauwkeurige beschrijving geven van het project waarvoor het zal worden gebruikt. Artikel 6, lid 2, sub j, van de verordening verplicht de importerende instelling tot vermelding van:
"de naam of firmanaam en het adres van het bedrijf of de bedrijven in de Gemeenschap waarbij de nodige stappen werden gedaan met het oog op de leverantie van een instrument of apparaat van gelijke wetenschappelijke waarde als die van het instrument of apparaat waarvoor om vrijstelling wordt verzocht, het resultaat van deze stappen en de nauwkeurige redenen waarom een in de Gemeenschap verkrijgbaar instrument of apparaat niet voor de verwezenlijking van de beoogde bijzondere wetenschappelijke activiteiten kan worden gebruikt".
Bovendien dient "bij dit verzoek documentatiemateriaal te worden gevoegd met alle dienstige gegevens over de kenmerken en technische bijzonderheden van het instrument of apparaat".
19. Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2784/79 verplicht de autoriteit tot wie het verzoek om vrijstelling is gericht, zelf op het verzoek te beslissen in alle gevallen waarin de gegevens waarover zij beschikt, haar in staat stellen te bepalen of het instrument of apparaat al dan niet als wetenschappelijk moet worden beschouwd en of er op dat moment al dan niet instrumenten of apparaten van dezelfde wetenschappelijke waarde in de Gemeenschap worden vervaardigd. Wanneer deze autoriteit niet in staat is om een beslissing te nemen, moet het verzoek en de daarop betrekking hebbende technische documentatie op grond van artikel 7, lid 2, van de verordening aan de Commissie worden gezonden. Vervolgens moet de Commissie de in artikel 7, leden 3 tot en met 7, neergelegde procedure inleiden. Ik zal artikel 7, leden 3 tot en met 5, letterlijk citeren:
"3. Binnen twee weken volgende op de datum van ontvangst van het verzoek zendt de Commissie daarvan een afschrift aan de Lid-Staten met de desbetreffende documentatie.
4. Wanneer geen enkele Lid-Staat binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van toezending van deze mededeling, bezwaren bij de Commissie heeft ingediend met betrekking tot de invoer met vrijstelling van het betrokken instrument of apparaat, wordt genoemd instrument of apparaat geacht te voldoen aan de voor die invoer met vrijstelling gestelde voorwaarden. Hiervan wordt binnen twee weken na het verstrijken van de vastgestelde termijn door de Commissie kennis gegeven aan de Lid-Staten.
5. Wanneer een Lid-Staat, binnen de in lid 4 bedoelde termijn van drie maanden, bij de Commissie bezwaren heeft ingediend met betrekking tot de invoer met vrijstelling van het betrokken instrument of apparaat, legt de Commissie dit speciale geval zo spoedig mogelijk ter beoordeling voor aan een groep deskundigen bestaande uit vertegenwoordigers van alle Lid-Staten, die bijeenkomt in het kader van het Comité douanevrijstellingen.
De in de vorige alinea bedoelde bezwaren dienen met redenen omkleed te zijn. Al naar gelang van het geval moet hieruit blijken waarom genoemd instrument of apparaat niet als wetenschappelijk beschouwd moet worden of moet hierin het juiste type worden aangegeven van het in de Gemeenschap vervaardigde instrument of apparaat dat beschouwd dient te worden als zijnde van gelijke wetenschappelijk waarde als dat waarvoor de vrijstelling is gevraagd, alsmede de naam of firmanaam en het adres van het bedrijf in de Gemeenschap dat dit kan leveren. In dit laatste geval dient een technische documentatie betreffende de in de Gemeenschap vervaardigde instrumenten of apparaten onverwijld naar de Commissie gezonden te worden.
Zodra de Commissie deze gegevens ontvangen heeft, geeft zij die door aan de Lid-Staten."
20. Artikel 7, lid 6, dat reeds gedeeltelijk door mij is aangehaald, schrijft de Commissie voor om in overeenstemming met de conclusies van de groep van deskundigen een beschikking te geven, waarin wordt vastgesteld dat het instrument voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld om met vrijstelling te worden toegelaten, dan wel dat het daaraan niet voldoet. Artikel 7, lid 7, bepaalt dat, wanneer de Commissie na het verstrijken van een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek door de Commissie, niet de in lid 6 bedoelde beschikking heeft gegeven, het betrokken instrument of apparaat geacht wordt te voldoen aan de voorwaarden die zijn gesteld om met vrijstelling te worden toegelaten.
21. Ten aanzien van de werkmethoden van de in artikel 7, lid 5, van verordening nr. 2784/79 bedoelde groep van deskundigen beschikt het Hof enkel over de door de Commissie verstrekte gegevens. De groep verricht zijn werkzaamheden overeenkomstig het Reglement van orde van het Comité douanevrijstellingen van 17 september 1975. Het Reglement van orde van het Comité blijkt niet te zijn gepubliceerd. Het schijnt dat voor het lidmaatschap van het Comité geen enkele formele kwalificatie vereist is. Artikel 7 van verordening nr. 1798/75 vermeldt enkel, dat het Comité "is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en onder voorzitterschap staat van een vertegenwoordiger van de Commissie". Artikel 6 van het Reglement van orde bepaalt, dat elke Lid-Staat zich door maximaal vijf ambtenaren mag laten vertegenwoordigen. Volgens de Commissie zijn de benoemde personen gewoonlijk ambtenaren van respectievelijk de Ministeries van Wetenschap, Industrie, Handel of Financiën. Inderdaad blijkt, dat alle deelnemers aan de op 30 en 31 mei 1983 gehouden 122ste bijeenkomst van het Comité, tijdens welke het verzoek van de universiteit werd onderzocht en waarvan de notulen door de Commissie aan het Hof zijn overlegd, ambtenaren waren van Ministeries van Financiën, Handel of Industrie, en dergelijke. De Commissie erkent, dat deze ambtenaren geen speciale wetenschappelijke kennis bezaten.
22. Beschikking 83/348 werd op 5 juli 1983 gegeven in overeenstemming met de conclusie waartoe de groep van deskundigen tijdens genoemde 122ste bijeenkomst was gekomen. De tweede overweging van de considerans vermeldt namelijk, dat de groep op 30 mei 1983 is bijeengekomen, teneinde dit speciale geval te onderzoeken. Volgens de derde overweging is uit dit onderzoek gebleken, dat de Jeol JSM-35 C als een wetenschappelijk apparaat moest worden beschouwd. In de vierde overweging staat dat:
"(...) op grond van de door de Lid-Staten verzamelde inlichtingen, is gebleken dat apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde als genoemd apparaat en geschikt voor het zelfde gebruik momenteel in de Gemeenschap worden vervaardigd; dat dit in het bijzonder het geval is met het apparaat PSEM 500 X, vervaardigd door Philips Nederland BV".
23. De notulen van de 122ste bijeenkomst van het Comité douanevrijstelling vermelden weinig over het onderzoek van het verzoek van de Universitaet. Er wordt slechts gezegd, dat het Philips-apparaat PSEM 500 X van gelijke wetenschappelijke waarde werd geacht (zie punt 2.12 op blz. 5 met betrekking tot procedure 004/83). Volgens de Commissie worden verzoeken om vrijstelling van douanerechten gewoonlijk door het Comité in twee of meer bijeenkomsten behandeld, zodat voldoende tijd voor nader onderzoek beschikbaar blijft. In deze zaak werd het verzoek echter in één enkele bijeenkomst behandeld, omdat slechts een eerdere beschikking behoefde te worden bevestigd. Vermoedelijk doelde de Commissie op beschikking 82/86 van 23 december 1981 (reeds aangehaald in punt 4), waarin met betrekking tot een ander verzoek werd vastgesteld, dat het apparaat Jeol JSM-35 C niet met vrijstelling van rechten kon worden ingevoerd, omdat het apparaat PSEM 500 X van gelijke wetenschappelijke waarde was.
24. Hoe kon het Comité tijdens zijn 122ste bijeenkomst tot de conclusie komen dat de voorwaarden voor vrijstelling van douanerechten niet waren vervuld? Achtte het Comité zich eenvoudig gebonden aan de eerdere beschikking of heeft het de zaak in het licht van de door de universiteit aanvoerde argumenten werkelijk heroverwogen? Wanneer de zaak echt opnieuw is bekeken, op welk bewijsmateriaal steunt de conclusie dan? De notulen van de 122ste bijeenkomst zijn onthullend voor de wijze waarop het Comité in de regel te werk gaat. Tijdens deze bijeenkomst werden 18 verzoeken behandeld, en in vier gevallen was het Comité van mening, dat een instrument van gelijke wetenschappelijke waarde in de Gemeenschap werd vervaardigd. Een van de vier betrokken gevallen betrof het door de universiteit ingevoerde apparaat. In de andere drie gevallen vermeldden de notulen, dat een of meer nationale delegaties "bevestigde(n)", dat een instrument van gelijke wetenschappelijke waarde in de Gemeenschap werd vervaardigd. Op basis van deze "bevestiging" stelde het Comité in elk van deze zaken vast, dat de voorwaarden voor vrijstelling van douanerechten niet waren vervuld. Hoewel uit de notulen van een comité niet noodzakelijkerwijs blijkt hoe diepgaand is gediscussieerd, wekken de notulen van de 122ste bijeenkomst van het Comité douanevrijstellingen beslist de indruk dat, wanneer één enkele nationale delegatie uitdrukkelijk verklaart, dat een bepaald instrument van oorsprong uit de Gemeenschap van gelijke wetenschappelijke waarde is als het instrument waarvoor om vrijstelling van douanerechten wordt verzocht, het Comité deze verklaring in de praktijk zonder verdere discussie aanvaardt. De notulen bevatten geen enkele aanwijzing waaruit blijkt, dat het Comité het probleem van de gelijkwaardigheid collectief bespreekt, dan wel zich afvraagt of met het instrument de door de importerende instelling beoogde taken kunnen worden verricht.
25. Wanneer in het onderhavige geval in het Comité hierover wel een discussie heeft plaatsgevonden, rijst de vraag op welk bewijsmateriaal het zijn conclusies baseerde. Vermoedelijk beschikte het Comité over de gegevens die door de universiteit bij haar verzoek om toelating met vrijstelling van douanerechten waren gevoegd. Het beschikte eveneens over gegevens uit Nederland, de Lid-Staat die bezwaar maakte tegen toelating met vrijstelling van douanerechten. Onder die gegevens bevond zich een document, genaamd "Application for the duty-free importation of JSM-35 C Electron Microscope into Federal Republic of Germany, file nr. 283-3618". Dit document blijkt te zijn opgesteld door Philips Nederland BV, de fabrikant van het apparaat dat van gelijke wetenschappelijke waarde als de JSM-35 C werd geacht. Het is duidelijk, dat de opsteller van het document toegang heeft gehad tot het verzoek van de universiteit en de begeleidende stukken. Het wekt dan ook geen verbazing, dat hij elk argument dat de superioriteit van het Japanse apparaat moet aantonen tracht te weerleggen, en tot de conclusie komt dat beide instrumenten van dezelfde wetenschappelijke waarde zijn. Dit document lijkt het voornaamste bewijsstuk te zijn op basis waarvan het Comité heeft kunnen beslissen, dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor toelating met vrijstelling van douanerechten. De Commissie zegt niet te weten of het document aan de universiteit is getoond en in elk geval staat vast, dat de universiteit niet de gelegenheid is geboden om de inhoud van het document te betwisten.
IV - De conclusie met betrekking tot de "gelijke wetenschappelijke waarde"
26. In het licht van deze samenvatting van de in verordening nr. 2784/79 neergelegde procedure, de werkmethoden van het Comité douanevrijstellingen en de ontstaansgeschiedenis van beschikking 83/348, zal ik thans onderzoeken of deze beschikking ongeldig is wegens een fout feitelijk of rechtens. De eerste vraag die moet worden onderzocht is of het Comité douanevrijstellingen en de Commissie voldoende rekening hebben gehouden met alle relevante omstandigheden. Het voornaamste punt dat door het Comité moest worden onderzocht, was of de betrokken apparaten, gelet op het specifieke doel waarvoor de universiteit een apparaat nodig had, gelijkwaardig waren.
27. In artikel 3, lid 3, tweede streepje, van verordening nr. 1798/75 wordt, zakelijk weergegeven, bepaald, dat "de gelijkheid van de wetenschappelijke waarde" wordt beoordeeld door de kenmerken en bijzonderheden van het ingevoerde instrument of apparaat te vergelijken met die van het overeenkomstige instrument of apparaat dat in de Gemeenschap wordt vervaardigd, ten einde vast te stellen of dit laatstgenoemde voor dezelfde wetenschappelijke doeleinden kan worden gebruikt als waartoe het ingevoerde instrument of apparaat is bestemd en of het vergelijkbare diensten kan bewijzen. Na de bij verordening nr. 1027/79 aangebrachte wijzigingen is de thans geldende bepaling artikel 3, lid 3, derde streepje, waarin de woorden "kenmerken en bijzonderheden" zijn vervangen door de woorden "essentiële technische kenmerken". In zijn arrest van 27 maart 1985 (zaak 4/84, Johan-Wolfgang-Goethe-Universitaet, Jurispr. 1985, blz. 991) verklaarde het Hof het volgende:
"(...) de gelijkwaardigheid van de betrokken apparaten (moet) niet alleen worden beoordeeld op basis van de door de gebruiker in zijn verzoek als noodzakelijk voor zijn onderzoek aangemerkte specificaties van deze apparaten, maar in de eerste plaats op basis van een objectieve beoordeling van de geschiktheid van de apparaten voor de experimenten waarvoor de gebruiker het ingevoerde apparaat heeft bestemd.
Uit (...) de bewoordingen van artikel 3, lid 3, tweede gedachten-streepje, van verordening nr. 1798/75 volgt, dat voor deze objectieve beoordeling moet worden uitgegaan van het door de gebruiker van het ingevoerde apparaat beoogde specifieke onderzoeksproject. De groep deskundigen mag haar beoordeling derhalve niet baseren op de aard van het project in het algemeen. Zo dat in casu is geschied, berust de litigieuze beschikking rechtens op een onjuistheid".
28. In zijn conclusie in dezelfde zaak is advocaat-generaal Mancini ingegaan op het argument dat het apparaat moet worden vergeleken op basis van algemene criteria en niet op basis van het onderzoeksproject van de importerende instelling. Hij verklaarde het volgende:
"(...) ik ben het met deze opvatting niet eens. Ik meen dat zowel de letter van de regeling, die voorschrijft dat de kenmerken van een apparaat met het oog op de beoogde specifieke werkzaamheden moeten worden onderzocht, als het doel waarvoor de regeling is gegeven, zich daartegen verzetten. Verordening (EEG) nr. 1798/75 heeft immers tot doel, het vrije verkeer van ideeën, de uitoefening van culturele activiteiten en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek binnen de Gemeenschap te bevorderen, door de invoer van de daartoe benodigde apparaten zoveel mogelijk vrij te stellen van douanerechten. Daarom kan het met zekerheid worden uitgesloten, dat de opstellers van de regeling een oppervlakkig onderzoek van de onderzoeksprojecten geoorloofd of zelfs verplicht hebben geacht, enkel om het werk van de douane te vereenvoudigen. Integendeel alles wijst erop , dat zij aan een zeer grondig onderzoek hebben gedacht....".
29. Zoals advocaat-generaal Mancini in dezelfde conclusie beklemtoonde, zou het onlogisch zijn van de importerende instelling een dergelijke hoeveelheid gegevens te verlangen over het door hem gewenste apparaat, over de in de Gemeenschap beschikbare apparaten en over de aard van zijn wetenschappelijk werk, wanneer de kwestie van de gelijkwaardigheid anders zou moeten opgelost dan door een diepgaand onderzoek naar de specifieke activiteiten van de invoerende instelling. Er zij aan herinnerd, dat artikel 6, lid 2, sub j, van verordening nr. 2784/79 de instelling ertoe verplicht, melding te maken van "de nauwkeurige redenen waarom een in de Gemeenschap verkrijgbaar instrument of apparaat niet voor de verwezenlijking van de beoogde bijzondere wetenschappelijke activiteiten kan worden gebruikt" ((Tussen haakjes wijs ik erop dat het woord "nauwkeurige" niet voorkomt in de overeenkomstige bepaling van verordening nr. 3195/75, te weten artikel 3, lid 2, sub g.))
30. In de onderhavige zaak is in de motivering van beschikking 83/348, noch in de notulen van de bijeenkomst tijdens welke het Comité douanevrijstellingen het verzoek behandelde, iets te vinden op grond waarvan kan worden aangenomen dat het Comité heeft onderzocht of het Nederlandse apparaat, gelet op het specifieke doel waarvoor de universiteit het wilde gebruiken, van gelijke waarde was als het Japanse apparaat. Integendeel, alles wijst erop, dat het Comité zich eenvoudig gebonden achtte aan een eerdere beschikking met betrekking tot een ander ingevoerd apparaat. In haar antwoord op schriftelijke vragen van het Hof verklaart de Commissie uitdrukkelijk, dat het Comité in beginsel altijd twee of meer bijeenkomsten aan de verzoeken wijdt, maar dat het verzoek van de universiteit in één enkele bijeenkomst is behandeld, omdat slechts een eerder gegeven beschikking, namelijk beschikking 82/86, behoefde te worden bevestigd. Dit wekt stellig de indruk, dat nauwelijks aandacht is besteed aan het specifieke wetenschappelijke doel waarvoor de universiteit een apparaat nodig had, terwijl het wellicht voor heel andere activiteiten diende dan dat van de importerende instelling in de vorige zaak.
31. In feite ontstaat bij vergelijking van de consideransen van beide beschikkingen de indruk, althans voor een leek, dat de eisen van de importerende instellingen in beide zaken inderdaad verschillend waren. In het geval van beschikking 82/86 was het apparaat bestemd voor "kwalitatieve en kwantitatieve analyses van door warmtebehandeling ontstane kristalfasen in glazen en keramisch glas, dienend voor het in vaste toestand brengen van zeer radioactief afval". In het geval van beschikking 83/348 had de universiteit het apparaat nodig voor "het onderzoek van electrochemische processen, kunststoffen, fotografische emulsies, biologische systemen en in het bijzonder voor de kwalitatieve en kwantitatieve analyse van de voorkomende anorganische en biologische systemen bij grote scherpte-diepte en zeer lage temperaturen (-150 C)".
32. Gelet op het feit dat duidelijk geen rekening is gehouden met het specifieke doel waarvoor de universiteit het apparaat nodig had, ben ik van mening, dat het Hof, evenals in de zaak Johan-Wolfgang-Goethe-Universitaet, moet vaststellen, dat aan de bestreden beschikking rechtens een gebrek kleeft, zodat zij ongeldig moet worden verklaard.
33. Het lijkt mij ook noodzakelijk te onderzoeken of aan de hiervóór beschreven procedure andere gebreken kleefden, die de bestreden beschikking ongeldig kunnen maken. Hoewel de problemen die ik zou willen bespreken niet specifiek door het Bundesfinanzhof aan de orde zijn gesteld, dient het antwoord op de door deze rechter gestelde vraag naar de precieze omvang van de rechterlijke toetsing van een beschikking die technische deskundigheid vereist, mijns inziens af te hangen van een onderzoek naar de aard van het lichaam dat de beslissing neemt en van de waarborgen die de procedure biedt die tot de beslissing leidt.
V - De aard van het beslissende orgaan
34. Wat de aard van het beslissende orgaan betreft, is het wenselijk, dat de leden van het Comité onpartijdig zijn en zelf de benodigde technische deskundigheid bezitten dan wel worden geadviseerd door onpartijdige personen met dergelijke deskundigheid. Het is evenwel de vraag of de leden van het Comité douanevrijstellingen werkelijk onpartijdig kunnen worden geacht. Er bestaat een duidelijk risico, dat ambtenaren van Ministeries van Financiën, of Handel en Industrie uiterst gevoelig zullen zijn voor de belangen van in hun respectieve landen gevestigde fabrikanten en dat het Comité de neiging tot protectionisme van de nationale vertegenwoordiger in wiens land een apparaat van de beweerde gelijke wetenschappelijk waarde wordt vervaardigd, eenvoudigweg bekrachtigt. De notulen van de 122ste bijeenkomst van het Comité bieden weinig dat deze vrees kan wegnemen.
35. Het feit dat de leden van het Comité zelf geen wetenschapsbeoefenaar blijken te zijn, is niet zonder meer beslissend. Gelijk de Commissie beklemtoont, is een deskundige op een bepaald gebied van wetenschap wellicht niet in staat zich uit te spreken over problemen op ander gebieden en zou het onmogelijk zijn om te verzekeren dat alle specialisaties vertegenwoordigd zijn; waar het om gaat is, dat de leden van het Comité de mogelijkheid moeten hebben om de hulp in te roepen van onafhankelijke deskundigen binnen de nationale administraties of eventueel van universiteiten en soortgelijke instellingen.
36. De informatie waarover het Hof in de onderhavige zaak beschikt, doet echter vermoeden, dat de leden van het Comité zich niet zozeer door dit soort onafhankelijke adviezen hebben laten leiden, maar eerder door de mening van in de Gemeenschap gevestigde fabrikanten. Zoals ik reeds opmerkte (punt 25), was het voornaamste bewijsstuk op grond waarvan het Comité kon hebben beslist, dat het Nederlandse en het Japanse apparaat van gelijke wetenschappelijke waarde waren, een rapport dat was opgesteld door de fabrikant van het Nederlandse apparaat, die uiteraard niet als een onpartijdige informatiebron kan worden beschouwd. In elk geval is dit het voornaamste document waarop de Commissie zich beroept voor de conclusie dat er sprake van gelijkwaardigheid was.
37. Op zich is er niets tegen, dat de leden van het Comité via hun nationale overheid fabrikanten in hun respectieve landen raadplegen. Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2784/79 spreekt uitdrukkelijk van "overleg met belanghebbende economische kringen", en dit overleg kan zeker nuttig zijn of zelfs essentieel om een goed gemotiveerde beslissing te kunnen nemen. Wat niet door de beugel kan is, dat de zienswijze van de fabrikant in de Gemeenschap, die zo een uitgesproken belang heeft bij het resultaat van de procedure, een dominerende rol speelt, en dat de verschillende mogelijkheden van beide instrumenten, gelet op het beoogde gebruiksdoel, niet op objectieve en onafhankelijke wijze door personen met de benodigde wetenschappelijke kennis worden beoordeeld.
38. Volgens mij is in deze zaak zonder enige twijfel het meeste gewicht toegekend aan de zienswijze van Philips, de fabrikant in de Gemeenschap. In elke fase van de procedure lijken de schriftelijke verklaringen van deze onderneming een beslissende rol te hebben gespeeld. Toen Nederland bezwaar maakte tegen de toelating van het Japanse apparaat met vrijstelling van dounanerechten (zie de brief van 31 maart 1983 van het Nederlandse Ministerie van Financiën, één van de bijlagen bij de opmerkingen van de Commissie), was dit bezwaar uitsluitend gebaseerd op genoemd rapport van Philips. Zoals gezegd, is dit rapport waarschijnlijk het enige bewijsstuk geweest, op grond waarvan het Comité douanevrijstellingen zijn conclusie met betrekking tot de gelijkwaardigheid heeft kunnen baseren. Wanneer er nog ander wetenschappelijk bewijsmateriaal bestond, heeft de Commissie dit niet onder de aandacht van het Hof gebracht (afgezien van een vage verwijzing naar telefonisch overleg met deskundigen van het Gemeenschappelijk Onderzoekcentrum te Ispra). Tijdens de procedure voor het Hof heeft de Commissie zich vrijwel volledig op de door Philips geleverde documentatie beroepen, zonder blijkbaar zelfs maar te beseffen, dat een mening uit een dergelijke bron de voorzichtigheid verdient waarmee de door een belanghebbende partij aangevoerde bewijzen gewoonlijk worden behandeld.
39. Onder deze omstandigheden ben ik er niet van overtuigd, dat beschikking 83/348 geacht kan worden te steunen op objectieve bevindingen van een onafhankelijke groep van personen met de benodigde technische deskundigheid. Om deze reden kom ik eveneens tot de conclusie, dat de beschikking zo gebrekkig is dat zij ongeldig moet worden verklaard. Bovendien, zelfs wanneer men deze gebrekkigheid niet ernstig genoeg acht om de geldigheid van de beschikking aan te tasten, moet zij in elk geval elke rechtvaardiging voor een eventuele beperking van de omvang van 's Hofs toetsing van de inhoud van de beschikking wegnemen.
VI - Het recht om te worden gehoord
40. Ik kom nu tot de waarborgen die de procedure biedt, en in de eerste plaats tot de vraag of het recht van de universiteit om te worden gehoord is geschonden, in het bijzonder door het feit dat haar niet de gelegenheid is geboden om commentaar te leveren op het genoemde document, waarin Philips elk argument dat het Japanse apparaat beter was dan zijn eigen apparaat, verwierp.
41. De bestaande rechtspraak is op dit punt volstrekt duidelijk. In verschillende zaken betreffende de invoer met vrijstelling van douanerechten heeft het Hof, wanneer een beroep werd gedaan op het beginsel "audi et alteram partem" verklaard, dat de betrokken regeling de aanvrager van de vrijstelling geen recht verleent om te worden gehoord of om de argumenten dat het betrokken apparaat niet in aanmerking komt voor toelating met vrijstelling van douanerechten te bestrijden: zie de arresten van 25 oktober 1984, (zaak 185/83, Rijksuniversiteit te Groningen, Jurispr. 1984 blz. 3623, r.o. 20), 26 juni 1986 (zaak 203/85, Nicolet Instrument, Jurispr. 1986, blz. 2049, r.o. 15) en 8 maart 1988 (zaak 43/87, Nicolet Instrument, Jurispr. 1988, blz. 1557, r.o. 13 en 14).
42. Na enige aarzeling ben ik tot de overtuiging gekomen, dat deze rechtspraak moet worden gevolgd. Gelet op het grote aantal te nemen beslissingen moet worden voorkomen, dat de administratie te zwaar wordt belast door vast te houden aan een tijdrovende procedure op tegenspraak, waarin de aanvrager de argumenten van de fabrikant in de Gemeenschap, die zich tegen toelating met vrijstelling van douanerechten verzet, mag bestrijden. Het feit dat de regeling niet in een dergelijke procedure voorziet, is uiteraard niet beslissend, aangezien zou kunnen worden gesteld, dat een algemeen rechtsbeginsel verlangt, dat de importerende instelling wordt gehoord, zelfs wanneer in de regeling een uitdrukkelijke bepaling terzake ontbreekt. In de zaak Rijksuniversiteit te Groningen (reeds aangehaald in punt 41) lijkt advocaat-generaal VerLoren van Themaat dit standpunt in te nemen. Ook ik erken, dat het in het belang van een goed bestuur beter zou zijn, wanneer de aanvrager van de vrijstelling de aan het Comité verstrekte gegevens ontvangt, voor zover mogelijk, voordat het Comité een beslissing neemt.
43. Volgens mij is het recht om in een dergelijk geval te worden gehoord echter niet wettelijk voorgeschreven. Terwijl een dergelijke waarborg onontbeerlijk is in rechterlijke en administratieve procedures die tot oplegging van een boete of een andere sanctie kunnen leiden, lijkt het mij niet essentieel dat in administratieve procedures als de onderhavige, waarin de gevolgen voor de aanvrager niet ernstiger kunnen zijn dan het verlies van een voordeel, zoals het recht om een bepaald apparaat met vrijstelling van douanerechten in te voeren, het recht wordt verleend om te worden gehoord of om argumenten van opponenten te bestrijden. Er bestaat een duidelijk verschil tussen de onderhavige procedure en procedures in het kader van de mededingingsregels van het Verdrag, of zelfs anti-dumpingprocedures, want in casu staat uitsluitend de mogelijkheid op het spel om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van een recht dat gewoonlijk wordt geheven. Mijns inziens is het recht van de universiteit om te worden gehoord in deze procedure dus voldoende beschermd doordat de toelichting bij haar aanvraag om douanevrijstelling, waarin zij haar zienswijze heeft kunnen uiteenzetten, overeenkomstig artikel 7, leden 2 en 3, van verordening nr. 2784/79 aan de Commissie en aan het Comité douanevrijstellingen is gezonden.
VII - De motivering van de beschikking
44. De volgende vraag is of beschikking 83/348 voldoende was gemotiveerd. Zeker is, dat de motivering in de considerans van de beschikking, op zijn zachtst gezegd, laconiek was. Met betrekking tot het probleem van de gelijkwaardigheid wordt in de vierde overweging eenvoudig gezegd dat "op grond van de door de Lid-Staten verzamelde inlichtingen is gebleken dat apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde als genoemd apparaat en geschikt voor hetzelfde gebruik momenteel in de Gemeenschap worden vervaardigd", in het bijzonder het Philips-apparaat PSEM 500 X. De beschikking vermeldt niet waarom het Philips-apparaat van gelijke wetenschappelijke waarde was als het Jeol-apparaat en evenmin waaruit "de door de Lid-Staten verzamelde inlichtingen", waarop de conclusie van gelijkwaardigheid berustte, bestonden. Ook de notulen van de 122ste bijeenkomst van het Comité douanevrijstellingen zwijgen op dit punt.
45. Ook hier is de bestaande rechtspraak van het Hof volstrekt duidelijk. Het Hof heeft herhaaldelijk verklaard, dat een motivering als die in beschikking 83/348, ondanks haar laconieke karakter, toch voldoet aan de minimumeisen van artikel 190 EEG-Verdrag: zie de arresten in de zaak Rijksuniversiteit te Groningen (reeds aangehaald in punt 41), r.o. 39; in zaak 203/85, Nicolet Instrument (reeds aangehaald in punt 41), r.o. 11, en in de zaak Universitaet Stuttgart (reeds aangehaald in punt 10), r.o. 14.
46. Ondanks deze rechtspraak vraag ik mij af, of de minimale motivering die de Commissie in dergelijke zaken gebruikt en die lijkt te bestaan in een herhaling van een standaardformule waarbij enkel de naam van het in de Gemeenschap vervaardigde apparaat wordt gewijzigd, voldoet aan de vereisten van artikel 190 EEG-Verdrag. Een samenhangende uiteenzetting van de wetenschappelijke gronden die de conclusie rechtvaardigen dat er sprake van gelijkwaardigheid is, zou wel het minste zijn. In dit verband is het interessant om de vierde overweging van de considerans van beschikking 83/348, waarin het probleem van de gelijkwaardigheid zo summier wordt behandeld, te vergelijken met de derde overweging waarin de redenen om het apparaat JSM-35 C als een wetenschappelijk apparaat te beschouwen uitgebreider, hoewel ook kort, worden uiteengezet.
47. De ontoereikendheid van de motivering zou kunnen zijn gecompenseerd, wanneer "de door de Lid-Staten verzamelde inlichtingen" (dat wil zeggen het rapport van Philips) ter kennis van de universiteit waren gebracht, die dan zou hebben geweten op welke wetenschappelijke gronden haar aanvraag om vrijstelling van douanerechten was geweigerd. Door toezending van het Philips-rapport aan de universiteit zou dan zijn voldaan aan een van de essentiële functies van het motiveringsvereiste, omdat de universiteit dan had kunnen vaststellen of de beslissing gegrond was, dan wel een gebrek vertoonde op grond waarvan de wettigheid ervan kon worden betwist (vergelijk zaak 195/80, Michel, Jurispr. 1981, blz. 2861, r.o. 22).
VIII - Gevolgen voor de draagwijdte van de rechterlijke toetsing
48. Gelet op het door mij ingenomen standpunt, behoeft in deze zaak niet te worden onderzocht in hoeverre het Hof bereid zou moeten zijn de inhoud van beschikkingen van de Commissie in dit soort zaken te toetsen. Zelfs bij een beperkte rechterlijke toetsing kan de bestreden beschikking niet in stand blijven. Aangezien het Bundesfinanzhof dit probleem echter expliciet aan de orde heeft gesteld en het Hof wellicht verkiest de bestreden beschikking niet op de door mij aangevoerde gronden nietig te verklaren, zal ik mijn mening over dit probleem beknopt uiteenzetten. Ik merk slechts op, dat het beleid om de rechterlijke toetsing te beperken tot de vraag of aan een beschikking rechtens een gebrek kleeft dan wel of de beschikking klaarblijkelijk onjuist is, mijns inziens terecht zou zijn, wanneer vast zou staan, dat het Comité douanevrijstellingen handelt op basis van adviezen van onpartijdige deskundigen, serieus aandacht besteedt aan het ter ondersteuning van een aanvraag geleverde bewijsmateriaal en wanneer de hierna genomen beslissing voldoende is gemotiveerd. Om de reeds genoemde redenen ben ik niet van mening, dat in casu aan deze vereisten is voldaan.
49. Op dit punt is het leerzaam om de rechtspraak van het Hof met betrekking tot wetenschappelijke apparaten te vergelijken met zijn rechtspraak betreffende de mogelijkheid van toetsing van de bevindingen van medische commissies op het uiteraard andere gebied van ambtenarenzaken. Het Hof heeft de medische bevindingen van dergelijke commissies niet willen toetsen en was van mening, dat de toetsing beperkt moet blijven tot problemen betreffende de samenstelling en het juiste functioneren van deze commissies. Maar het Hof rechtvaardigde deze beperking van zijn rechterlijke toetsing door te beklemtonen, dat de betrokken regeling voorziet in een passende klachten-procedure en zorgvuldig nastreeft om het evenwicht en de objectiviteit van de medische commissie te waarborgen (zie de arresten van 21 mei 1981, zaak 156/80, Morbelli, Jurispr. 1981, blz. 1357, r.o. 19, en 29 november 1984, zaak 265/83, Suss, Jurispr. 1984, blz. 4029, r.o. 11). Om genoemde redenen is het duidelijk, dat een dergelijke rechtvaardiging niet kan worden aangevoerd ter beperking van de omvang van de rechtelijke toetsing van door het Comité douanevrijstellingen genomen beslissingen betreffende technische kwesties.
IX - Conclusie
50. Concluderend geef ik in overweging, de door het Bundesfinanzhof
aan het Hof gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
Beschikking 83/348/EEG van de Commissie 5 juli 1983, waarbij wordt vastgesteld dat het apparaat, genaamd Jeol-Scanning Electron Microscope model, JSM-35 C, niet met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijke douanetarief mag worden ingevoerd, is ongeldig.
(*) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy