CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G.JACOBS
van 20 mei 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In deze zaken concluderen verzoekers krachtens artikel 173 EEG-Verdrag tot nietigverklaring van richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten (PB 1990, L 192, biz. 10). Verzoekers zijn in zaak C-271/90 Spanje, in zaak C-281/90 België en in zaak C-289/90 Italië. In zaak C-271/90 intervenieert Frankrijk ter ondersteuning van verzoeker. Wanneer ik in het volgende spreek van verzoekers, dient daaronder ook Frankrijk te worden verstaan. Aangezien de drie zaken met elkaar verknocht zijn, heeft de president van het Hof op 21 november 1991 besloten tot voeging ervan voor de mondelinge behandeling en het arrest.
2.
Het fundamentele probleem in iedere zaak is de omvang van de bevoegdheden die aan de Commissie zijn toegekend bij artikel 90, lid 3, van het Verdrag, krachtens welk artikel richtlijn 90/388 is vastgesteld. Artikel 90 bepaalt als volgt:
„1.
De Lid-Staten nemen of handhaven met betrekking tot de openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel welke in strijd is met de regels van dit Verdrag, met name die bedoeld in de artikelen 7 en 85 tot en met 94.
2.
De ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, vallen onder de regels van dit Verdrag, met name onder de mededingingsregels, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Gemeenschap.
3.
De Commissie waakt voor de toepassing van dit artikel en richt, voor zover nodig, passende richtlijnen of beschikkingen tot de Lid-Staten.”
Richtlijn 90/388
3.
Richtlijn 90/388 (hierna: „richtlijn diensten”) ligt in de lijn van de door de Commissie ontplooide initiatieven om de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt voor telecommunicatiediensten en-apparatuur te bevorderen: zie daaromtrent het Groenboek van de Commissie van 30 juni 1987 [COM(87) 290] en haar document van 9 februari 1988 over de tenuitvoerlegging van dat Groenboek [COM(88) 48]. In haar „Richtsnoeren voor de toepassing van de EG-mededingingsregels in de telecommunicatiesector” (PB 1991, C 233, blz. 2) verklaarde de Commissie, dat een van de belangrijkste politieke doelstellingen „de ontwikkeling van efficiënte netwerken en diensten op Europese schaal moet zijn, tegen de laagste prijs en met de hoogste kwaliteit, ten einde de Europese gebruiker in de eengemaakte markt van 1992 een basisinfrastructuur te verlenen voor efficiënte verrichtingen”, en, zo vervolgde zij, „[het] moet de telecommunicatie-exploitanten worden toegestaan en moeten zij worden aangemoedigd om de nodige samenwerkingsmechanismen tot stand te brengen met het oog op de ontwikkeling van — het zorgen voor — een volledige communautaire interconnectiviteit tussen openbare netwerken, en waar nodig tussen de diensten, ten einde de Europese gebruikers in staat te stellen gebruik te maken van een uitgebreider pakket van betere en goedkopere telecommunicatiediensten” (ibid.).
4.
Die doelstellingen genieten de algemene ondersteuning van de Raad: zie resolutie van de Raad van 30 juni 1988 (PB 1988, C 257, biz. 1). Bovendien zijn de Lid-Staten in Maastricht als volgt overeengekomen: met name op het gebied van de telecommunicatie en „in het kader van een stelsel van open en concurrerende markten is het optreden van de Gemeenschap gericht op de bevordering van de onderlinge koppeling en interoperabiliteit van de nationale netwerken, alsmede van de toegang tot deze netwerken”: zie het in het EEG-Verdrag op te nemen nieuwe artikel 129 B
5.
De Richtsnoeren van de Commissie hebben, aldus paragraaf 12, hoofdzakelijk betrekking op de „toepassing van de mededingingsregels op de ondernemingen, met name de artikelen 85 en 86 van het Verdrag”. In die paragraaf wordt vervolgens verklaard, dat de Richtsnoeren geen betrekking hebben op de mededingingsregels „die op de Lid-Staten van toepassing zijn, met name artikel 5 en artikel 90, leden 1 en 3. De beginselen betreffende de toepassing van artikel 90 in de telecommunicatiesector zijn neergelegd in de richtlijnen die de Commissie krachtens artikel 90, lid 3, heeft vastgesteld met het oog op de tenuitvoerlegging van het Groenboek.” De Richtsnoeren vermelden twee van die richtlijnen, waaronder de richtlijn diensten, waarvan verzoekers thans de geldigheid betwisten.
6.
In een poging de gedachtengang te verduidelijken die aan de vaststelling van de richtlijn diensten is voorafgegaan, legt de Commissie in haar verweerschriften uit, dat aanvankelijk alleen de exploitant van een telecommunicatienet diensten aanbood die bestonden in de overdracht van signalen over dat netwerk. De technische en commerciële ontwikkeling heeft er echter toe geleid, dat steeds meer diensten worden aangeboden door andere ondernemingen dan de netwerkexploitant, door middel van op het netwerk aangesloten apparaten. Een door de Commissie genoemd voorbeeld is de distributie van geld door middel van geldautomaten. Deze dienst wordt verricht door ondernemingen die lijnen huren bij een telecommunicatieorganisatie om geldautomaten op hun centrale computers aan te sluiten. Een ander voorbeeld dat de Commissie geeft, is de elektronische betaling op verkooppunten. Daarbij vindt de betaling plaats via een eindapparaat dat op het openbare telefoonnet is aangesloten. Het eindapparaat leest magnetisch een door de koper aangeboden kaart en brengt vervolgens de informatie met betrekking tot de koper en de verrichte koop over naar de computer van de financiële instelling die de kaart heeft uitgegeven, via door die instelling gehuurde lijnen. Nog een voorbeeld is de reservering van vliegtickets per computer; daarvoor is een telecommunicatielijn nodig waarlangs de bediener informatie verkrijgt over welke plaatsen op een bepaalde vlucht nog vrij zijn. Andere voorbeelden zijn bediening en controle op afstand van produktie-installaties, elektronische post en teleaankoop.
7.
Met het oog op enerzijds die technische ontwikkeling en anderzijds het risico, dat het bestaan in de Lid-Staten van telecommunicatieorganisaties die bijzondere of uitsluitende rechten genieten voor het opzetten van openbare telecommunicatienetten en het aanbieden van openbare telecommunicatiediensten, zou leiden tot het afschermen van de nationale markten, besloot de Commissie, dat regelgeving noodzakelijk was. De beoogde regelgeving moest twee hoofdelementen bevatten: in de eerste plaats de snelle opheffing van inbreuken op het gemeenschapsrecht in de sector van telecommunicatiediensten en het voorkomen van nieuwe inbreuken; in de tweede plaats de harmonisatie van de voor de telecommunicatiediensten geldende normen. Deze tweede doelstelling is het voorwerp van richtlijn 90/387/EEG van de Raad betreffende de totstandbrenging van de interne markt voor telecommunicatiediensten door middel van de tenuitvoerlegging van Open Network Provision (ONP) (PB 1990, L 192, blz. 1), die op dezelfde dag is vastgesteld als de richtlijn diensten. Volgens artikel 1, lid 1, heeft richtlijn 90/387 betrekking op de „harmonisatie van de voorwaarden voor open en efficiënte toegang tot en gebruik van openbare telecommunicatienetwerken en, eventueel, openbare telecommunicatiediensten”. De richtlijn diensten heeft tot doel, bij te dragen aan de verwezenlijking van de eerste van de twee genoemde doelstellingen. De Commissie was van mening, dat de verleners van telecommunicatiediensten werden gehinderd door een aantal belemmeringen in de gehele Gemeenschap en dat een handeling van algemene strekking een doeltreffender en geschikter middel zou zijn om die doelstelling te verwezenlijken dan het aanspannen van een hele reeks niet-nakomingsprocedures tegen de betrokken Lid-Staten.
8.
De considerans van de richtlijn diensten bevat een gedetailleerde beschrijving van de ongewenste situatie waaraan zij een einde moet maken. Volgens overweging 2 van de considerans is het recht om telecommunicatienetwerken in de Lid-Staten aan te leggen en te exploiteren en het recht om diensten op dat gebied aan te bieden, gewoonlijk verleend aan een of meer telecommunicatieorganisaties die houders zijn van uitsluitende of bijzondere rechten. Overweging 4 van de considerans vermeldt, dat „alle Lid-Staten (...) zelf wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen hebben vastgesteld, dan wel telecommunicatieorganisaties de bevoegdheid daartoe hebben gegeven, waarbij het vrij verlenen van telecommunicatiediensten wordt beperkt”. In feite wordt volgens overweging 4, door de toekenning van uitsluitende of bijzondere rechten aan ondernemingen voor de exploitatie van het netwerk, de aanbieding van de betrokken diensten door andere ondernemingen uit of naar andere Lid-Staten „beperkt”. ( 1 ) Vervolgens worden enkele voorbeelden gegeven van dit soort beperkingen, waarvan wordt gezegd dat zij in beginsel strijdig zijn met artikel 59 van het Verdrag, ofschoon wordt erkend, dat bepaalde beperkingen op de vrije aanbieding van diensten gerechtvaardigd kunnen zijn. Overweging 12 van de considerans vermeldt, dat wanneer dat niet het geval is, „het behoud of het invoeren van elk bijzonder of uitsluitend recht (...) een inbreuk op artikel 90 in samenhang met artikel 59 uitmaakt”.
9.
Vervolgens wordt in de considerans van de richtlijn diensten uiteengezet, dat tevens maatregelen moeten worden genomen om het hoofd te bieden aan het risico, dat telecommunicatieorganisaties misbruik maken van hun machtspositie met betrekking tot de aanleg en exploitatie van het net waarvan zij in feite de bijzondere of uitsluitende rechten genieten die hun zijn toegekend door de Lid-Staten. Verder wordt in overweging 15 van de considerans vermeld, dat „wanneer bijzondere of uitsluitende rechten op het gebied van de telecommunicatiediensten door de Staat zijn toegekend aan organisaties die, wat de aanleg en de exploitatie van het net betreft, reeds een machtspositie innemen, deze rechten tot gevolg hebben dat deze machtspositie door de uitbreiding ervan tot de diensten wordt versterkt”. Overweging 17 van de considerans vermeldt, dat „de uitsluitende rechten die voor telecommunicatiediensten worden verleend aan de openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan de Lid-Staten bijzondere of uitsluitende rechten voor de aanleg van het telecommunicatienetwerk hebben verleend, onverenigbaar zijn met artikel 90, lid 1, in samenhang met artikel 86”. De Commissie erkent niettemin, dat evenals bij artikel 59 bepaalde afwijkingen van artikel 86 van het Verdrag gerechtvaardigd kunnen zijn in deze context.
10.
De hoofddoelstellingen van de richdijn diensten zijn de opheffing van beperkingen op de vrije aanbieding van diensten, die zijn opgelegd door de telecommunicatieorganisaties waaraan de Lid-Staten bijzondere of uitsluitende rechten hebben toegekend, en de uitbanning van misbruik door die organisaties van de machtspositie die zij ten aanzien van de aanleg en de exploitatie van het net hebben. Om deze doelstellingen te verwezenlijken, legt de richtlijn diensten de Lid-Staten bepaalde specifieke verplichtingen op, in het bijzonder wat de rol betreft van de telecommunicatieorganisaties bij de reglementering van het aanbieden van telecommunicatiediensten en wat de contractuele verhoudingen betreft tussen die ondernemingen en hun klanten.
11.
Overweging 28 van de considerans luidt als volgt:
„Overwegende dat de nationale wetten in het algemeen aan de telecommunicatieorganisaties de taak toevertrouwen om de telecommunicatiediensten te reglementeren, meer in het bijzonder ter zake van het verlenen van vergunningen, de controle op de vergunningen en het voorschrijven van specificaties voor interfaces, de toewijzing van frequenties en het toezicht op de gebruiksvoorwaarden; dat deze wetten soms alleen de algemene principes voor de exploitatie van de aan vergunning onderworpen diensten aangeven en de telecommunicatieorganisaties de bevoegdheid laten om de specifieke toepassingsvoorwaarden nader te omschrijven.”
12.
Overweging 29 van de considerans luidt:
„Overwegende dat dit samengaan van regelgevende en commerciële activiteiten van de telecommunicatieorganisaties rechtstreeks van invloed is op de activiteit van de economische subjecten die telecommunicatiediensten aanbieden in concurrentie met de betrokken organisaties; dat genoemde organisaties immers door deze dubbele activiteit de verstrekking van de door hun concurrenten aangeboden diensten bepalen of althans in sterke mate beïnvloeden; dat het feit dat aan een onderneming met een dominerende positie wat de aanleg en de exploitatie van het net betreft, de bevoegdheid wordt verleend om de toegang tot de markt van de telecommunicatiediensten te regelen, de dominerende positie van deze onderneming op deze markt verstevigt; dat dit feit, gelet op het belangenconflict, de toegang van concurrenten tot de markten voor telecommunicatiediensten kan belemmeren en de vrije keuze van de gebruikers kan beperken; dat voorts deze maatregelen de afzetkanalen van uitrusting bestemd voor de verwerking van telecommunicatiesignalen en derhalve de technologische vooruitgang op dit gebied, kunnen beperken; dat de cumulering van deze activiteiten dan ook een misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 86 vanwege de betrokken telecommunicatieorganisaties opleven; dat waar deze gedragingen voortvloeien uit een maatregel van de Staat, deze maatregel ook onverenigbaar is met artikel 90, lid 1, in samenhang met artikel 86 van het Verdrag.”
13.
Verder wordt in overweging 31 van de considerans overwogen:
„(...) dat voor het verrichten van telecommunicatiediensten die voortaan voor concurrentie openstaan, de houders van de betrokken bijzondere of uitsluitende rechten hun afnemers in het verleden overeenkomsten met een lange looptijd hebben kunnen opleggen; dat dergelijke overeenkomsten de mogelijkheid van nieuwe concurrenten om deze afnemers hun diensten aan te bieden, en voor deze laatsten om daarvan te genieten, in de praktijk beperken; dat derhalve dient te worden bepaald dat de gebruiker binnen een redelijke termijn de ontbinding van zijn overeenkomst kan verkrijgen.”
14.
In overweging 33 van de considerans verklaart de Commissie haar beroep op artikel 90, lid 3, om de doelstellingen van de richtlijn diensten te verwezenlijken, aldus:
„Overwegende dat artikel 90, lid 3, de Commissie duidelijk plichten oplegt en nauwkeurig omschreven bevoegdheden toekent ten aanzien van het toezicht op de betrekkingen tussen de Lid-Staten en hun openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten hebben toegekend, met name ter zake van de verwijdering van belemmeringen op het vlak van het vrij verrichten van diensten, de discriminatie tussen onderdanen van de Lid-Staten en de mededinging; dat anderzijds een globale aanpak is vereist om een einde te maken aan de inbreuken die in bepaalde Lid-Staten nog worden gepleegd en om duidelijke aanwijzingen te geven aan de Lid-Staten die hun wetgeving herzien om nieuwe inbreuken te vermijden; dat bijgevolg een richtlijn in de zin van artikel 90, lid 3, van het Verdrag daartoe het meest geschikte middel is.”
15.
Tot de belangrijkste bepalingen van de richtlijn diensten behoren de volgende:
16.
Artikel 2, eerste alinea, verplicht de Lid-Staten te zorgen voor de afschaffing van de „bijzondere of uitsluitende rechten voor het aanbod van andere telecommunicatiediensten dan de spraaktelefoondienst”, en de maatregelen te nemen „die nodig zijn om het recht van alle marktdeelnemers om deze telecommunicatiediensten aan te bieden, te waarborgen”.
17.
Artikel 4, eerste alinea, bepaalt als volgt: „De Lid-Staten die voor de aanleg en exploitatie van openbare telecommunicatienetten bijzondere of uitsluitende rechten in stand houden, nemen de nodige maatregelen om de voorwaarden voor de toegang tot de netwerken openbaar, objectief en nietdiscriminerend te maken.”
18.
Artikel 6 verplicht de Lid-Staten met name te zorgen voor de afschaffing van bestaande beperkingen met betrekking tot de verwerking van signalen voorafgaand aan hun transmissie via het openbaar net of na hun ontvangst, tenzij wordt aangetoond, dat deze beperkingen noodzakelijk zijn om de openbare orde of essentiële eisen te doen naleven. ( 2 ) De term „essentiële eisen” wordt in artikel 1, lid 1, gedefinieerd als de „redenen van algemeen belang en van niet-economische aard die een Lid-Staat ertoe kunnen bewegen de toegang tot het openbare telecommunicatienetwerk of de openbare telecommunicatiediensten te beperken. Deze redenen zijn de veiligheid van het functioneren van het netwerk, het behoud van netwerkintegriteit en, in gerechtvaardigde gevallen, de interoperabiliteit van diensten en de bescherming van gegevens.”
19.
Artikel 7 verplicht de Lid-Staten ervoor te zorgen, dat bepaalde bestuurlijke en technische functies en toezichthoudende functies worden uitgevoerd door een instantie die onafhankelijk is van iedere openbare of particuliere organisatie waaraan bijzondere of uitsluitende rechten zijn verleend voor de aanleg van een openbaar telecommunicatienetwerk of het aanbieden van openbare telecommunicatiediensten.
20.
Artikel 8 bepaalt als volgt:
„De Lid-Staten zorgen ervoor dat, zodra de betrokken bijzondere of uitsluitende rechten zijn afgeschaft, de telecommunicatieorganisaties hun klanten die door een overeenkomst voor het aanbieden van telecommunicatiediensten voor langer dan een jaar aan hen zijn gebonden, de mogelijkheid geven om deze overeenkomst met een termijn van zes maanden op te zeggen, voor zover bij het sluiten van die overeenkomst bijzondere of uitsluitende rechten voor het aanbieden van die diensten bestonden.”
21.
Ten slotte zijn de Lid-Staten krachtens artikel 9 gehouden, de Commissie de informatie te verschaffen die nodig is om haar in staat te stellen regelmatig verslagen op te stellen over de toepassing van de richtlijn.
Het arrest van het Hof in zaak C-202/88
22.
De stelling van verzoekers komt er in wezen op neer, dat artikel 90, lid 3, van het Verdrag de Commissie niet de bevoegdheid toekent de richtlijn diensten vast te stellen. Die stelling heeft meerdere aspecten, waarvan sommige na 's Hofs arrest van 19 maart 1991 (zaak C-202/88, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1223) niet zijn gehandhaafd. In die zaak was een vergelijkbaar beroep ingesteld door Frankrijk, ondersteund door Italië, België, Duitsland en Griekenland, tegen de geldigheid van de tweede richtlijn die vermeld wordt in voornoemde „Richtsnoeren voor de toepassing van de EG-mededingingsregels in de telecommunicatiesector” van de Commissie. Daar ging het om een richtlijn die twee jaar vóór de richtlijn diensten was vastgesteld, te weten richtlijn 88/301 /EEG van de Commissie van 16 mei 1988 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur (PB 1988, L 131, biz. 73). Evenals de richtlijn diensten is richtlijn 88/301 (hierna: „richtlijn eindapparatuur”) vastgesteld op grond van artikel 90, lid 3, van het Verdrag. De belangrijkste bepalingen ervan, die in meerdere opzichten overeenkomen met die van de richtlijn diensten, zijn de volgende.
23.
Krachtens artikel 2 moeten de Lid-Staten die ondernemingen bijzondere of uitsluitende rechten verlenen voor invoer, afzet, aansluiting, opstarten en/of onderhoud van telecommunicatie-eindapparatuur, zorgen voor de opheffing daarvan en de Commissie in kennis stellen van de maatregelen die daartoe zijn genomen.
24.
Overeenkomstig artikel 3 moeten de Lid-Staten ervoor zorgen, dat „economische subjecten het recht hebben eindapparatuur in te voeren, in de handel te brengen, aan te sluiten, op te starten en te onderhouden”. De Lid-Staten hebben echter het recht, bij ontstentenis van technische specificaties te verbieden, dat eindapparatuur wordt aangesloten en opgestart die niet aan bepaalde eisen voldoet, en van de economische subjecten de noodzakelijke technische kennis te eisen voor het aansluiten, opstarten en onderhouden van eindapparatuur.
25.
Overeenkomstig artikel 6 moeten de Lid-Staten ervoor zorg dragen, dat met ingang van 1 juli 1989 de formele vastlegging van de technische specificaties en de controle op de toepassing daarvan alsook de goedkeuring wordt uitgevoerd door een eenheid die onafhankelijk is van de particuliere en overheidsondernemingen die goederen en/of diensten op telecommunicatiegebied aanbieden.
26.
Artikel 7 verplicht de Lid-Staten, de maatregelen te nemen die nodig zijn opdat de huur- en onderhoudscontracten voor eindapparatuur die onderworpen zijn aan bijzondere of uitsluitende rechten, kunnen worden opgezegd met een opzeggingstermijn van ten hoogste één jaar.
27.
Krachtens artikel 9 zijn de Lid-Staten gehouden, jaarlijks een verslag aan de Commissie uit te brengen aan de hand waarvan deze zich ervan kan vergewissen, of de artikelen 2, 3, 4, 6, en 7 worden nageleefd.
28.
In zaak C-202/88 voerde verzoekster een aantal middelen aan ten bewijze van de ongeldigheid van de richtlijn eindapparatuur. Evenals in de onderhavige zaken ging het in die zaak om de uitlegging van artikel 90 van het Verdrag en om de omvang van de bevoegdheden van de Commissie ex artikel 90, lid 3. De draagwijdte van artikel 90, lid 2, was niet in geding, want de verklaring in overweging 11 van de considerans van de richtlijn eindapparatuur, dat de toepassingsvoorwaarden van die bepaling niet waren vervuld, werd niet betwist. De draagwijdte van artikel 90, lid 2, wordt ook in deze zaken niet betwist, maar om een wat andere reden. De Commissie erkent, dat bepaalde beperkingen op het aanbieden van telecommunicatiediensten zijn gerechtvaardigd uit hoofde van artikel 90, lid 2 (zie bij voorbeeld overweging 20 van de considerans van de richtlijn diensten). Verzoeksters hebben het standpunt van de Commissie inzake de werking van artikel 90, lid 2, in deze situatie niet betwist en het Hof behoeft zich derhalve niet over die vraag te buigen.
29.
In zijn arrest van 19 maart 1991 (zaak C-202/88) verklaarde het Hof, dat artikel 90, lid 3, de Commissie de bevoegdheid toekent om algemene regels uit te vaardigen ter nadere bepaling van de voor de Lid-Staten uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen met betrekking tot de in artikel 90, leden 1 en 2, bedoelde ondernemingen. De afloop van het geding was derhalve afhankelijk van de vraag, of de Commissie gebleven was binnen de grenzen van de haar bij het Verdrag toegekende normatieve bevoegdheid (zie r. o. 14 en 15 van het arrest).
30.
De Franse regering stelde, dat de Commissie, voor zover de richtlijn tot doel had onmiddellijk een eind te maken aan met het Verdrag strijdige nationale maatregelen, de in artikel 169 van het Verdrag neergelegde procedure had moeten gebruiken en niet die van artikel 90, lid 3. Dit argument werd afgewezen door het Hof, dat in rechtsoverweging 17 en 18 van het arrest verklaarde:
„In dit verband moet worden vastgesteld, dat artikel 90, lid 3, EEG-Verdrag de Commissie de bevoegdheid verleent, op algemene wijze door middel van richtlijnen de verplichtingen aan te geven die uit artikel 90, lid 1, voortvloeien. De Commissie oefent deze bevoegdheid uit wanneer zij, zonder de in de afzonderlijke Lid-Staten bestaande bijzondere situaties in aanmerking te nemen, de krachtens het EEG-Verdrag op hen rustende verplichtingen concretiseert. Deze bevoegdheid kan er zich naar haar aard niet toe lenen, te doen vaststellen dat een Lid-Staat een bepaalde krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichting nier is nagekomen.
Blijkens de inhoud van de hier in geding zijnde richtlijn heeft de Commissie zich ertoe beperkt, in het algemeen de verplichtingen vast te stellen die ingevolge het EEG-Verdrag op de Lid-Staten rusten. Bijgevolg kan deze richtlijn niet worden uitgelegd als de vaststelling, dat bepaalde Lid-Staten in concrete gevallen de krachtens het Verdrag op hen rustende verplichtingen niet zijn nagekomen (...).”
31.
De Franse regering stelde voorts, dat de Commissie, door een richtlijn vast te stellen die de volledige afschaffing verlangt van bijzondere en uitsluitende rechten met betrekking tot telecommunicatie-eindapparatuur, de controlerende bevoegdheden haar toegekend bij artikel 90, lid 3, dat het bestaan van bijzondere en uitsluitende rechten onderstelt, had overschreden. De opvatting, dat handhaving van die rechten op zichzelf een „maatregel” in de zin van artikel 90, lid 1, vormt, zou niet stroken met de bewoordingen van die bepaling.
32.
Het Hof wees ook dit argument af en wees erop, dat de Commissie krachtens de haar bij artikel 90, lid 3, opgedragen controlerende bevoegdheid de op de Lid-Staten rustende verdragsverplichtingen kan preciseren (zie r. o. 21 van het arrest). De omvang van die bevoegdheid was derhalve afhankelijk van de draagwijdte van de regels waarvan de Commissie de naleving trachtte zeker te stellen. Ook indien artikel 90 uitging van het bestaan van ondernemingen met bijzondere of uitsluitende rechten, volgde daaruit niet, dat die rechten noodzakelijkerwijs als verenigbaar met het Verdrag waren te beschouwen. De vraag naar de verenigbaarheid van die rechten met het Verdrag, aldus het Hof, hing af van de regels waarnaar artikel 90, lid 1, verwijst.
33.
Bovendien was het Hof niet van mening, dat de Commissie inbreuk had gemaakt op de bevoegdheden van de Raad: de mogelijkheid dat de Raad een regeling uitvaardigt op grond van een algemene bevoegdheid die hij krachtens het Verdrag (bij voorbeeld artikel 100 A of artikel 87) bezit op een van de door artikel 90 bedoelde gebieden, vormt geen beletsel voor de uitoefening door de Commissie van de bevoegdheid die dit artikel aan haar toekent (zie arrest van 6 juli 1982, gevoegde zaken 188/80-190/80, Frankrijk, Italië en Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr. 1982, blz. 2545, r. o. 14).
34.
De geldigheid van de artikelen 2, 6, 7 en 9 van de richtlijn eindapparatuur werd ook bestreden op grond dat deze bepalingen er ten onrechte van uitgingen, dat de Lid-Staten de artikelen 30, 37, 59 en 86 van het Verdrag hadden geschonden. Het Hof aanvaardde dit middel slechts in twee opzichten.
35.
In de eerste plaats overwoog het Hof, dat met betrekking tot de in artikel 2 vermelde bijzondere rechten noch de considerans noch de bepalingen van de richtlijn duidelijk aangeven welke bijzondere rechten beoogd worden en in hoeverre deze rechten strijdig zijn met het Verdrag. Daaruit volgde, dat de Commissie de verplichting niet had gerechtvaardigd die zij de Lid-Staten had opgelegd, om de bijzondere rechten van invoer, afzet, aansluiting, opstarten en/of onderhoud van telecommunicatie-eindapparatuur af te schaffen. Dientengevolge werd artikel 2 van de richtlijn nietig verklaard voor zover het de afschaffing van deze rechten beoogde.
36.
In de tweede plaats verklaarde het Hof artikel 7 van de richdijn nietig, dat de Lid-Staten de verplichting oplegde, de opzegging van bepaalde soorten overeenkomsten te vergemakkelijken, zulks op grond dat de door artikel 90 van het Verdrag aan de Commissie toegekende bevoegdheden zich beperkten tot de door de Lid-Staten genomen maatregelen. Mededingingsbeperkende gedragingen waartoe de ondernemingen op eigen initiatief hebben besloten, kunnen door de Commissie slechts ter discussie worden gesteld door afzonderlijke, overeenkomstig de artikelen 85 en 86 van het Verdrag genomen besluiten. Aangezien de richdijn niet duidelijk kon maken, dat de houders van bijzondere of uitsluitende rechten door de nationale regelingen waren gedwongen of aangezet om overeenkomsten te sluiten met een lange looptijd, kon artikel 90 niet worden beschouwd als een geschikte grondslag om de door deze overeenkomsten opgeworpen hindernissen voor de mededinging uit de weg te ruimen.
37.
Het Hof verklaarde eveneens artikel 9 van de richdijn nietig, voor zover dit de Lid-Staten verplichtte een verslag op te stellen aan de hand waarvan de Commissie zich ervan kon vergewissen, of de bepalingen van artikel 2 met betrekking tot de bijzondere rechten en de bepalingen van artikel 7 werden nageleefd. Het Hof concludeerde evenwel tot de geldigheid van artikel 2 wat de uitsluitende rechten betreft, en van de artikelen 6 en 9.
De geldigheid van de richtlijn diensten
38.
Naar mijn mening geeft arrest C-202/88 in grote lijnen antwoord op de tijdens de schriftelijke procedure naar voren gebrachte argumenten in deze zaken. Uit dat arrest blijkt, dat de Commissie krachtens artikel 90, lid 3, de bevoegdheid heeft richtlijnen vast te stellen, waarbij zij de krachtens het Verdrag op de Lid-Staten rustende verplichtingen op specifieke gebieden preciseert. Het feit dat artikel 169 van het Verdrag een ander rechtsmiddel biedt tegen de afzonderlijke Lid-Staten, belet haar niet, die bevoegdheid uit te oefenen. Bovendien vloeit uit artikel 90, lid 1, niet voort, dat het bestaan van ondernemingen waaraan de Lid-Staten bijzondere of uitsluitende rechten hebben verleend, noodzakelijkerwijze verenigbaar is met het Verdrag. De bevoegdheden van de Commissie ex artikel 90 kunnen echter enkel worden gebruikt tegen door de Lid-Staten genomen maatregelen en de Commissie is niet gerechtigd krachtens dat artikel maatregelen vast te stellen die tegen gedragingen van particulieren zijn gericht.
39.
Ter terechtzitting is echter een aantal nieuwe punten naar voren gebracht in het licht van 's Hofs uitspraak in zaak C-202/88. De Belgische regering betoogt, dat de Commissie slechts gerechtigd is bepalingen van gemeenschapsrecht door middel van een krachtens artikel 90, lid 3, vastgestelde richtlijn toe te passen, wanneer het effect daarvan in een bepaalde context voldoende duidelijk is. Volgens de Belgische regering is de toepassing van artikel 59 in de sector telecommunicatiediensten dermate ingewikkeld, dat de Commissie niet bevoegd is het in die sector toe te passen op grond van artikel 90, lid 3, bij ontbreken van een richtlijn van de Raad die de werking ervan duidelijk aangeeft.
40.
Ik kan dat argument niet aanvaarden, dat noch door de bewoordingen van artikel 90, noch door die van het arrest in zaak C-202/88 wordt gestaafd. In rechtsoverweging 21 van dat arrest, waarop de Belgische regering zich baseert, heeft het Hof juist uitdrukkelijk erkend, dat de Commissie de bevoegdheid had om in het kader van artikel 90, lid 3, de door het Verdrag aan de Lid-Staten opgelegde verplichtingen te preciseren. In ieder geval zou het uiterst moeilijk, ja zelfs onmogelijk zijn, het door de Belgische regering verdedigde criterium in de praktijk toe te passen, want er zou altijd ruimte blijven voor discussie over de vraag, of deze of gene bepaling van gemeenschapsrecht voldoende duidelijk is om toepassing van artikel 90, lid 3, te rechtvaardigen. Dat criterium zou derhalve afbreuk doen zowel aan de rechtszekerheid als aan de doeltreffendheid van de bevoegdheden van de Commissie uit hoofde van die bepaling.
41.
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt, dat de Commissie, mits zij geen inbreuk maakt op de bevoegdheden van de Raad, gerechtigd is te handelen krachtens artikel 90, lid 3, teneinde te verzekeren dat in het geval van ondernemingen die onder de werkingssfeer van artikel 90, leden 1 en 2, vallen, de Lid-Staten al hun verdragsverplichtingen nakomen. Mijns inziens kan een Lid-Staat niet stellen, dat een op die grondslag vastgestelde maatregel nietig moet worden verklaard omdat de draagwijdte van de betrokken bepalingen van gemeenschapsrecht vooraf niet duidelijk was. Opgemerkt zij, dat de Belgische regering in deze zaak het standpunt van de Commissie betreffende het effect van artikel 59 op de markt voor telecommunicatiediensten, niet heeft bestreden.
42.
Wat artikel 86 betreft, heeft de Belgische regering ter terechtzitting erkend, dat dit de door de Commissie gestelde werking heeft en dat het voldoende duidelijk is om te worden toegepast in het kader van artikel 90, lid 3. Niettemin houdt de Belgische regering staande, dat de Lid-Staten hun verplichtingen ex artikel 86 op het door de richtlijn diensten bedoelde gebied op tal van wijzen kunnen nakomen, en dat onder deze omstandigheden de Commissie het recht niet had de Lid-Staten hiertoe een bepaalde wijze voor te schrijven. Bij wijze van voorbeeld stelt de Belgische regering, dat het mogelijk is om op meer manieren aan artikel 7 van de richtlijn te voldoen. Maar in plaats van steun te bieden aan het betoog van de Belgische regering suggereert dit voorbeeld juist, dat artikel 7 de Lid-Staten enkel een resultaatsverplichting oplegt en aan de nationale instanties de bevoegdheid laat vorm en middelen te kiezen overeenkomstig artikel 189 van het Verdrag. De Belgische regering heeft geen andere punten aangegeven waarop de richtlijn had kunnen worden versoepeld onder handhaving van soortgelijke waarborgen tegen inbreuken op artikel 86. Ik geef derhalve in overweging het betoog, dat de Commissie haar bevoegdheden ex artikel 90, lid 3, heeft overschreden door een te strak kader vast te leggen voor de uitbanning van inbreuken op artikel 86, af te wijzen.
43.
De Italiaanse regering heeft ter terechtzitting gesteld, dat het enkele feit dat een Lid-Staat een machtspositie creëert door bijzondere of uitsluitende rechten in de zin van artikel 90, lid 1, toe te kennen, op zich niet onverenigbaar is met artikel 86. Zij citeerde ter ondersteuning van die stelling het arrest van 10 december 1991 (zaak C-179/90, Merci convenzionali Porto di Genova, Jurispr. 1991, blz. I-5889). Volgens de Italiaanse regering wordt artikel 86 slechts geschonden, wanneer er misbruik wordt gemaakt van een machtspositie. Het zou derhalve onverenigbaar zijn met het evenredigheidsbeginsel, wanneer de Commissie de afschaffing eist van alle bijzondere en uitsluitende rechten voor het aanbieden van andere telecommunicatiediensten dan de spraaktelefoondienst: zij had eenvoudig maatregelen moeten nemen ten aanzien van specifieke gevallen van misbruik van machtspositie door ondernemingen die dergelijke rechten genieten.
44.
Ik wijs er echter op, dat het Hof in zaak C-179/90 heeft erkend, dat een Lid-Staat de bepalingen van artikel 90, lid 1, in samenhang met die van artikel 86 schendt, wanneer een onderneming waaraan hij uitsluitende rechten heeft toegekend, eenvoudig door de uitoefening van die rechten ertoe wordt gebracht, misbruik te maken van haar machtspositie, of wanneer de betrokken rechten een situatie kunnen creëren waarin die onderneming ertoe wordt gebracht, een dergelijk misbruik te maken (zie r. o. 17 van het arrest).
45.
Voorts is een argument dat vergelijkbaar is met hetgeen in casu door de Italiaanse regering naar voren is gebracht, afgewezen in het arrest van 13 december 1991 (zaak C-18/88, GB-Inno-BM, Jurispr. 1991, blz. I-5941). In die zaak werd het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de verenigbaarheid met de artikelen 30 en 86 van het Verdrag van een nationale regeling die een openbaar lichaam onder gezag van een bevoegde minister belast met de verantwoordelijkheid voor de aanleg en exploitatie van een openbaar telefoonnet en haar het recht geeft telefoons te leveren en de bevoegdheid om vergunningen af te geven voor het aansluiten op het net van telefoontoestellen die zij niet zelf heeft geleverd. In de loop van de procedure werd betoogd, dat de aanwijzing als vergunning gevende instantie van een lichaam dat een concurrent is van de ondernemingen die een verzoek tot toelating indienen, op zichzelf geen misbruik was in de zin van artikel 86 wanneer zich geen concrete gevallen van misbruik voordeden, zoals discriminerende toepassing van toelatingsregels. Dat argument werd afgewezen door het Hof, dat oordeelde, dat de uitbreiding, zonder objectieve rechtvaardiging, van het monopolie voor de aanleg en exploitatie van het telefoonnet tot de markt voor telefoontoestellen als zodanig werd verboden door artikel 86 en, wanneer de uitbreiding het gevolg was van een door de staat vastgestelde maatregel, door de bepalingen van artikel 90, lid 1, in samenhang met die van artikel 86 (zie r. o. 24 van het arrest).
46.
Uit de rechtspraak blijkt derhalve, dat de Commissie bij de uitoefening van de rechten die artikel 90, lid 3, haar toekent, de Lid-Staten kan verplichten de uitsluitende rechten af te schaffen die zij tevoren hebben verleend, wanneer door de uitoefening van die rechten inbreuk kan worden gemaakt op artikel 86 of wanneer zij tot gevolg hebben, dat zij een bestaande machtspositie versterken. De Commissie behoeft zich niet te beperken tot het nemen van maatregelen in een concreet geval van misbruik door de onderneming met een machtspositie. Bovendien gaat het argument van de Italiaanse regering niet in op de vraag, of de eis de hierbedoelde bijzondere en uitsluitende rechten af te schaffen, noodzakelijk was om een eind te maken aan de inbreuken op artikel 59 van het Verdrag. Het Hof heeft in zijn arrest van 18 juni 1991 (zaak C-260/89, ERT, Jurispr. 1991, blz. I-2925) erkend, dat hoewel het bestaan van een monopolie voor het aanbieden van diensten als zodanig niet onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, dat wel het geval zou zijn, indien het monopolie werd uitgevoerd op een manier die het vrij aanbieden van diensten aantast. De Italiaanse regering betwist niet de beoordeling van de Commissie, dat zulks waarschijnlijk het effect is van het verlenen van bijzondere of speciale rechten voor het aanbieden van bepaalde soorten telecommunicatiediensten.
47.
In het licht van de beslissing van het Hof in zaak C-202/88 mag men echter twijfelen aan de geldigheid van een aantal bepalingen van de richtlijn diensten. Ik zal allereerst de bepalingen van deze richtlijn behandelen, die betrekking hebben op bijzondere rechten, en vervolgens artikel 8 aan een onderzoek onderwerpen.
48.
De beslissing van het Hof in zaak C-202/88 maakt duidelijk, dat het van belang is, in het kader van artikel 90 te onderscheiden tussen bijzondere rechten en uitsluitende rechten. Omdat de Commissie niet had aangegeven, om welke soorten bijzondere rechten het ging en in hoeverre zij strijdig konden zijn met het Verdrag, werd artikel 2 van de richtlijn eindapparatuur, voor zover het op dergelijke rechten betrekking had, nietig verklaard.
49.
Er zij opgemerkt, dat hoewel artikel 1 van de richdijn eindapparatuur verwijst naar „bijzondere of uitsluitende rechten (...) van invoer, afzet, aansluiting, opstarten en/of onderhoud van telecommunicatie-eindapparatuur”, deze richtlijn geen definitie bevat van de term „bijzondere of uitsluitende rechten”. In dit opzicht is er een verschil tussen de richtlijn eindapparatuur en de richtlijn diensten, waarvan overweging 2 van de considerans luidt als volgt:
„Overwegende dat in alle Lid-Staten de aanleg en de exploitatie van het telecommunicatienetwerk en het aanbieden van diensten op dat gebied gewoonlijk via toekenning van bijzondere of uitsluitende rechten aan een of meer telecommunicatieorganisaties is toevertrouwd; dat deze rechten worden gekenmerkt door de discretionaire bevoegdheid die de overheid op verschillende niveaus uitoefent wat de toegang tot de markten voor telecommunicatiediensten betreft.”
Verder definieert artikel 1 van de richtlijn diensten de „bijzondere of uitsluitende rechten” als „rechten die door een Lid-Staat of een overheidsinstelling op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen zijn verleend aan een of meer openbare of particuliere lichamen, uit hoofde waarvan aan hen het recht om bepaalde diensten aan te bieden of bepaalde activiteiten te ontplooien, is voorbehouden”.
50.
Het is dus tamelijk duidelijk, dat wanneer een Lid-Staat aan één onderneming een monopolie verleent voor de exploitatie van een openbaar telecommunicatienetwerk of voor het aanbieden van telecommunicatiediensten, die onderneming een uitsluitend recht geniet in de zin van de richtlijn diensten. Wanneer het recht om het netwerk te exploiteren of telecommunicatiediensten aan te bieden, wordt verleend aan meer dan één onderneming, maar het aantal van die ondernemingen beperkt is, genieten die ondernemingen bijzondere rechten in de zin van deze richtlijn. Deze uitlegging van de term „bijzondere of uitsluitende rechten” is ter terechtzitting bevestigd door de Commissie, die verklaarde, dat bijzondere rechten rechten zijn die een beperkt aantal telecommunicatieorganisaties hebben die op discretionaire en subjectieve wijze door een Lid-Staat worden gekozen. Ik ben derhalve van oordeel, dat het door de richtlijn diensten gemaakte onderscheid tussen bijzondere rechten en uitsluitende rechten duidelijk genoeg is gedefinieerd.
51.
Ik merk op, dat de considerans van de richtlijn diensten uitvoerig verwijst naar zowel uitsluitende rechten als naar bijzondere rechten en voor beide soorten rechten dezelfde conclusies trekt ten aanzien van de verenigbaarheid daarvan met de artikelen 59 en 86. Ofschoon naar mijn mening de toekenning van bijzondere rechten en de toekenning van uitsluitende rechten even schadelijke gevolgen kunnen hebben voor het vrij verrichten van diensten, is het mogelijk, dat een onderneming die bijzondere rechten heeft in de zin waarin die term wordt gebruikt in de richtlijn, niet een machtspositie op de relevante markt inneemt. Dat is trouwens ter terechtzitting erkend door de Commissie, die uitdrukkelijk het standpunt heeft verlaten, dat het toekennen door een Lid-Staat van bijzondere rechten in die sector strijdig was met de bepalingen van artikel 86 juncto artikel 90, lid 1. Zij blijft echter wel van oordeel, dat de toekenning van dergelijke rechten onverenigbaar is met de bepalingen van artikel 59 juncto artikel 90, lid 1.
52.
De considerans van de richtlijn maakt echter in dit verband geen onderscheid tussen de toekenning van bijzondere rechten en de toekenning van uitsluitende rechten: de toekenning van al die rechten wordt behandeld alsof zij in strijd is zowel met artikel 59 als met artikel 86. Ter terechtzitting merkte de Commissie op, dat dat probleem kan worden opgelost door uit de considerans eenvoudig bepaalde zinnen te schrappen, die de indruk wekken dat de toekenning van bijzondere rechten onverenigbaar is met artikel 86. Ik ben er niet van overtuigd, dat het probleem zo gemakkelijk kan worden opgelost. Aangezien de Commissie de enige instelling is die betrokken is bij de vaststelling van richtlijnen of beschikkingen op grond van artikel 90, lid 3, is het naar mijn mening bijzonder belangrijk, dat een dergelijke regeling uitvoerig met redenen wordt omkleed. De considerans van de richtlijn diensten moet in haar huidige vorm derhalve worden geacht niet te voldoen aan de eisen van artikel 190 van het Verdrag. Het is daarom noodzakelijk te onderzoeken, wat het gevolg is van het door mij geconstateerde motiveringsgebrek voor de geldigheid van de richtlijn.
53.
De richtlijn bevat een aantal bepalingen die blijkens de considerans gebaseerd zijn op de gedachte, dat een onderneming waaraan bijzondere rechten zijn verleend in de sector waarop de richtlijn betrekking heeft, een machtspositie inneemt op de relevante markt. In de artikelen 2 en 4 is uitdrukkelijk sprake van bijzondere rechten en deze artikelen zouden naar mijn mening juist zoals artikel 2 van de richtlijn eindapparatuur nietig moeten worden verklaard voor zover zij mede op die rechten betrekking hebben. Dit betekent in feite, dat de verwijzingen naar bijzondere rechten moeten worden geschrapt.
54.
Bovendien leggen de artikelen 3, 6 en 7 de Lid-Staten een aantal specifieke verplichtingen op met betrekking tot de „telecommunicatieorganisaties”. Die worden in artikel 1, lid 1, eerste streepje ( 3 ), gedefinieerd als „openbare en particuliere lichamen, met inbegrip van door hen gecontroleerde dochterondernemingen, waaraan door een Lid-Staat bijzondere of uitsluitende rechten zijn verleend om openbare telecommunicatienetten aan te leggen en, in voorkomend geval, om telecommunicatiediensten aan te bieden”. Ook de artikelen 3, 6 en 7 zijn dus, evenals de artikelen 2 en 4, gedeeltelijk gebaseerd op verklaringen in de considerans met betrekking tot de werking van artikel 86, waar de Commissie niet meer achter staat. Anders dan de artikelen 2 en 4 kunnen de bepalingen van de artikelen 3, 6 en 7 betreffende bijzondere rechten niet worden gesplitst van de andere bepalingen van die artikelen. Naar mijn mening kan de werkingssfeer van de drie betrokken artikelen evenwel worden beperkt tot de ondernemingen waaraan uitsluitende rechten zijn verleend, door de vermelding van bijzondere rechten in de definitie van telecommunicatieorganisaties in artikel 1, lid 1, van de richtlijn te schrappen. Men zou dus kunnen volstaan met het doorhalen van de woorden „bijzondere of” in die definitie.
55.
Ten slotte kom ik tot artikel 8 van de richtlijn. Dit verplicht de Lid-Staten ervoor te zorgen, dat bepaalde soorten overeenkomsten kunnen worden opgezegd, maar in arrest C-202/88 is vastgesteld, dat tegen mededingingsbeperkende gedragingen waartoe de ondernemingen op eigen initiatief overgaan, de Commissie slechts kan optreden door middel van individuele beschikkingen krachtens de artikelen 85 en 86 van het Verdrag. Volgens het Hof staat artikel 90 de Commissie slechts toe, op te treden tegen maatregelen van de Lid-Staten.
56.
De Commissie verklaarde ter terechtzitting, dat zij de nodige consequenties had getrokken uit de beslissing van het Hof in zaak C-202/88 en dat zij voornemens was maatregelen te nemen uit hoofde van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962: Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204) tegen ondernemingen die hun klanten overeenkomsten van het bedoelde soort hadden opgelegd. Zij voegde hieraan toe, dat zij tevens onderzocht, in welke mate de wetgevingen van de Lid-Staten het sluiten van dergelijke overeenkomsten oplegden of aanmoedigden. Vervolgens zou zij in het licht van dat onderzoek bezien, of er reden was artikel 8 in te trekken dan wel de daarop betrekking hebbende motivering te wijzigen.
57.
Ofschoon de Commissie niet zover ging te erkennen, dat artikel 8 van de richtlijn ongeldig is, lijkt het mij duidelijk dat dat wel het geval is. Evenmin als de richtlijn eindapparatuur bevat de richdijn diensten de suggestie, dat de ondernemingen waaraan bijzondere of uitsluitende rechten zijn toegekend, door nationale maatregelen zijn gedwongen of aangemoedigd tot het sluiten van de in artikel 8 vermelde soort overeenkomsten. Hieruit volgt, dat de Commissie niet bevoegd was, een dergelijke bepaling op grond van artikel 90, lid 3, vast te stellen. Mitsdien moet artikel 8 van de richtlijn nietig worden verklaard.
Conclusie
58.
Derhalve geef ik het Hof in overweging:
1)
de volgende bepalingen van richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 nietig te verklaren:
—
artikel 1, lid 1, eerste streepje, voor zover dit in de definitie van „telecommunicatieorganisaties” insluit openbare en particuliere lichamen, met inbegrip van door hen gecontroleerde dochterondernemingen, waaraan door een Lid-Staat bijzondere of uitsluitende rechten zijn verleend om openbare telecommunicatienetten aan te leggen en, in voorkomend geval, om telecommunicatiediensten aan te bieden;
—
de artikelen 2 en 4, voor zover zij mede betrekking hebben op bijzondere rechten;
—
artikel 8;
2)
het beroep voor het overige te verwerpen;
3)
partijen en interveniente in hun eigen kosten te verwijzen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engeis.
( 1 ) In de Engelse tekst van de richtlijn staat „onvermijdelijk (inevitably) beperkt”, maar dit bijwoord ontbreekt in alle andere taalversies.
( 2 ) De Engelse tekst van artikel 6 is verminkt, maar uit de andere taalversies blijkt duidelijk dat dit de betekenis is die men voor ogen heeft gehad. Het is volstrekt ontoelaatbaar, dat een gemeenschapsregeling wordt gepubliceerd in een vorm die simpelweg onbegrijpelijk is indien men andere taalversies niet raadpleegt.
( 3 ) De Engelse tekst van artikel 1, lid 1, eerste streepje, gebruikt het woord „telecommunication” in het enkelvoud, maar uit de andere taalversies blijkt, dat de definitie betrekking heeft op de term „telecommunicatieorganisaties” die elders in de richtlijn wordt gebruikt.
Full & Egal Universal Law Academy