Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Met de prejudiciële verwijzing die het onderwerp is van de onderhavige procedure, wenst het tribunal de grande instance te Valence (Frankrijk) van het Hof te vernemen, of een Lid-Staat op grond van de artikelen 7 en 58 tot en met 66 EEG-Verdrag alsmede artikel 67 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad (1) een werknemer uit de Gemeenschap werkloosheidsuitkeringen mag weigeren wanneer deze werknemer nooit aan de wettelijke regeling van de betrokken Lid-Staat onderworpen is geweest.
Onder verwijzing naar het rapport ter terechtzitting voor de details, wil ik de feiten van het hoofdgeding als volgt samenvatten.
2. Van Noorden, die de Nederlandse nationaliteit bezit, werkte van 1947 tot 30 juni 1985 in verschillende Lid-Staten (Nederland, België, Duitsland). Op 27 mei 1986 vestigde hij zich in Frankrijk, het land waarvan zijn vrouw de nationaliteit heeft, en meldde zich daar als werkzoekende. Vervolgens verzocht hij de Assedic de l' Ardèche et de la Drôme (Association pour l' emploi dans l' industrie et le commerce; het orgaan belast met het innen van bijdragen en het betalen van uitkeringen) om werkloosheidsuitkeringen krachtens de Franse wettelijke regeling.
Aanvankelijk liet de Assedic Van Noorden weten, dat hij gedurende 27 maanden recht had op werkloosheidsuitkering. Die uitkering werd echter na drie maanden stopgezet.
De veranderde houding van de Assedic was het gevolg van circulaire 86-19 van de Unedic (Union interprofessionnelle pour l' emploi dans l' industrie et le commerce; het orgaan dat de activiteiten van de verschillende Assedic cooerdineert). Volgens deze circulaire wordt vanaf 1 juli 1986 aan werknemers uit de Gemeenschap nog slechts een werkloosheidsuitkering toegekend wanneer zij laatstelijk een tijdvak van arbeid in Frankrijk hebben vervuld.
Van Noorden stelde bij de nationale rechter beroep in tegen de beslissing van de Assedic om hem niet langer dan drie maanden een uitkering te verstrekken. De nationale rechter besloot hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof.
3. Deze vraag levert geen bijzondere problemen op, aangezien de toepasselijke regeling zeer duidelijk is. Artikel 67, leden 1 en 2, van verordening nr. 1408/71 bepaalt namelijk, dat voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkering, voor zover nodig, rekening wordt gehouden met de krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid. Lid 3 van dat artikel stelt de toekenning van werkloosheidsuitkeringen evenwel afhankelijk van de voorwaarde, dat de werkzoekende laatstelijk tijdvakken van verzekering of van arbeid heeft vervuld "krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd". Dit wil zeggen dat betrokkene tijdvakken van verzekering of van arbeid moet hebben vervuld in de Lid-Staat waar hij de uitkering aanvraagt.
Dit wordt nog eens uitdrukkelijk bevestigd in artikel 69, lid 1, sub c, van genoemde verordening. Deze bepaling bevat de voorwaarden voor het behoud van het recht op uitkering van een werkloze die zich begeeft naar een andere Lid-Staat dan die welke bevoegd is om hem die uitkering te verstrekken. In dat geval wordt er slechts uitkering verleend gedurende drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de betrokkene niet langer ter beschikking stond van de diensten voor arbeidsbemiddeling van de Lid-Staat die hij heeft verlaten. Dit is nu precies de situatie van Van Noorden. Het is overigens volstrekt duidelijk, dat het bevoegde orgaan van de Lid-Staat waar de werkloze werk gaat zoeken, overeenkomstig artikel 70, lid 1, recht heeft op vergoeding van de uitkering. Dit punt wordt in de onderhavige zaak evenwel niet betwist.
4. De Assedic heeft dus kennelijk terecht slechts gedurende drie maanden een uitkering verstrekt aan Van Noorden. Deze kan immers geen aanspraak maken op een uitkering in de zin van artikel 67 van verordening nr. 1408/71, aangezien hij nooit aan de Franse sociale wetgeving onderworpen is geweest.
Tot staving van deze stelling zij eraan herinnerd, dat de Commissie bij de Raad een voorstel tot wijziging van verordening nr. 1408/71 (2) heeft ingediend. Het voorstel gaat juist over werklozen en heeft onder meer tot doel een artikel 69 bis in te voegen, waarbij migrerende werklozen die zich vestigen in een Lid-Staat waarmee zij nauwe banden hebben, - zoals wellicht het geval is bij Van Noorden -, voor het verstrekken van werkloosheidsuitkeringen worden gelijkgesteld met werknemers die tijdens het verrichten van hun laatste werkzaamheden aan de wettelijke regeling van die Lid-Staat waren onderworpen.
Ten overvloede kan nog worden opgemerkt, dat de artikelen 7 en 58 tot en met 66 EEG-Verdrag niet tot een andere conclusie leiden, aangezien de onderhavige verordeningsbepalingen niet in strijd lijken zijn met deze artikelen van het Verdrag.
5. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vraag van het tribunal de grande instance te Valence te beantwoorden als volgt:
"Het ter zake toepasselijke gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel 67 van verordening (EEG) nr. 1408/71, verzet zich er niet tegen, dat een Lid-Staat een werknemer werkloosheidsuitkeringen weigert na het in artikel 69 van die verordening bedoelde tijdvak van ten hoogste drie maanden, wanneer de werknemer nooit aan de sociale wetgeving van die Lid-Staat onderworpen is geweest."
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) PB 1971, L 149, blz. 2.
(2) PB 1980, C 169, blz. 22.
Full & Egal Universal Law Academy