Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Met betrekking tot de hogere voorziening die door Vidrányi tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 12 juli 1990 is ingesteld, kom ik - onder verwijzing naar het rapport ter terechtzitting voor de bijzonderheden van het geval - tot de volgende beoordeling:
2. 1. Het eerste middel klaagt over schending van het recht bij de beoordeling van de vraag, of bepaalde, zuiver administratieve documenten aan verzoeker hadden moeten worden medegedeeld, zodat hij zijn standpunt had kunnen bepalen. Het betrof hier - zoals u weet - verklaringen van vroegere meerderen van verzoeker uit 1982 over de werkomstandigheden van verzoeker tot het moment waarop hij in 1979 met invaliditeitspensioen werd gestuurd.
3. Volgens requirant vereiste het beginsel van hoor en wederhoor, dat hem de gelegenheid werd gegeven ten aanzien van de genoemde verklaringen een standpunt in te nemen, omdat alleen op die manier een objectief en volledig beeld van de situatie en gebeurtenissen ontstond die voor zijn administratieve positie (eventuele toepassing van artikel 73 van het personeelsstatuut) van belang zijn. Het oordeel van het Gerecht van eerste aanleg, dat het afwijkende gedrag van de Commissie geen procedurefout inhield, levert zijns inziens schending van het recht op.
4. Zoals bekend, heeft het Gerecht van eerste aanleg deze klacht behandeld in de rechtsoverwegingen 31 en volgende en met name in rechtsoverweging 33 van zijn arrest. Met een beroep op het in zaak 140/86 (1) gewezen arrest (waarin werd gesteld dat stukken "die betrekking hebben op wat in verband met een voorval tijdens het werk feitelijk is vastgesteld, en die als uitgangspunt kunnen dienen voor een procedure tot erkenning van een arbeidsongeval of een beroepsziekte" als documenten van medische aard moeten worden beschouwd) oordeelde het Gerecht, dat de genoemde rapporten over de arbeidsomstandigheden van verzoeker ook als zodanig moesten worden beschouwd en dat rechtstreekse mededeling van deze rapporten aan verzoeker derhalve terecht was geweigerd.
5. In dit verband heeft requirant met nadruk gesteld, dat genoemd arrest in een geheel andere feitelijke context was gewezen en dat uit de gehele aldaar gevolgde redenering duidelijk volgt, dat het niet op zijn geval van toepassing is. Het Gerecht zou derhalve de hem voorgelegde feiten onder een onjuiste rechtsregel hebben gebracht, zodat het Gerecht terecht "schending van het gemeenschapsrecht" in de zin van artikel 51 van het 's Hofs Statuut-EEG kan worden verweten.
6. Dit standpunt - als ik dat aanstonds mag zeggen - is naar mijn mening geheel juist.
7. Men dient ervan uit te gaan, dat ook het communautaire ambtenarenrecht wordt beheerst door het belangrijke beginsel van het recht van verweer. Het wordt in zaak 140/86 in rechtsoverweging 7 genoemd, waar wordt benadrukt dat hierdoor moet worden verhinderd, dat besluiten van het tot aanstelling bevoegde gezag, die de ambtelijke positie en de loopbaan van een ambtenaar raken, worden genomen op basis van gegevens betreffende zijn gedrag, die zich niet in zijn persoonsdossier bevinden.
8. Ten aanzien van de toegankelijkheid van "medische documenten" in het kader van een procedure tot vaststelling van een beroepsziekte wordt in de volgende rechtsoverwegingen van hetzelfde arrest - terecht - een zekere relativering van genoemd beginsel noodzakelijk geacht. Er wordt benadrukt, dat de aan de ambtenaar geboden mogelijkheid (namelijk toegang te krijgen tot medische documenten) in overeenstemming moet zijn met de vereisten van het medische beroepsgeheim, "op grond waarvan iedere arts zelf dient te beoordelen of hij de door hem behandelde of onderzochte personen kan informeren over de aard van de aandoeningen waaraan zij mogelijkerwijs lijden". Vervolgens wordt het gerechtvaardigd geoordeeld, dat tot medische documenten slechts indirecte toegang wordt verleend, via een door de ambtenaar aangewezen vertrouwensarts.
9. Voor de draagwijdte van dit arrest nu (met betrekking tot het begrip "medische documenten") is zeker de in rechtsoverweging 11 opgenomen uitspraak beslissend (de arts dient te beoordelen of hij personen die hij behandelt of onderzoekt de aard van hun mogelijke kwalen kan mededelen), wat zuiver administratieve elementen uitsluit. Van belang is ook, dat het in genoemde zaak inderdaad documenten betrof die in geval van rechtstreekse mededeling tot ongerustheid bij de betrokkene hadden kunnen leiden (wat vanuit medisch oogpunt ongewenst kon zijn) en ten aanzien waarvan derhalve - tegen de eis van verzoeker - moest worden vastgesteld, dat zij terecht niet in zijn persoonsdossier waren opgenomen. Dit laatste valt weliswaar niet uit het arrest zelf af te leiden (dat slechts spreekt van stukken die betrekking hebben op wat in verband met een voorval tijdens het werk feitelijk is vastgesteld); zeer duidelijk is in dit opzicht echter de conclusie van de advocaat-generaal die (in paragraaf 20) uiteenzet, dat het stukken over een geval van radioactieve besmetting betreft, waarin de omstandigheden werden weergegeven waaronder de besmetting had plaatsgevonden, alsmede de resultaten van met name de medische onderzoeken waarmee de opgenomen hoeveelheid radioactiviteit werd vastgesteld.
10. De feiten waarover het Gerecht van eerste aanleg in zaak T-154/89 (2) had te oordelen, waren echter duidelijk heel anders, en dit moet inderdaad tot de conclusie leiden dat zij niet volgens de in zaak 140/86 neergelegde regels hadden mogen worden behandeld.
11. Uitgaande van de stelling van requirant, dat de arbeidsongeschiktheid die tot zijn invalide-verklaring heeft geleid, voornamelijk te wijten was aan de omstandigheden waaronder hij zijn functie moest vervullen, stelde de Commissie - zoals gezegd - een onderzoek daarnaar in bij de vroegere meerderen van requirant (zie de bij het verweerschrift in zaak T-154/89 gevoegde brief van 27 juli 1982, waarin overigens niet slechts over de werkomstandigheden in het algemeen werd gesproken, maar ook om een standpunt werd gevraagd ten aanzien van klachten van requirant over de door zijn meerderen gevolgde methodes en een vermeende conflictsituatie).
12. Dit leidde tot drie nota' s van vroegere meerderen van requirant, waarvan hij - en hiertegen richtte zich zijn klacht - vóór de uitspraak van de door hem bestreden uitspraak niet rechtstreeks kennis heeft gekregen (het betreft de bijlagen III tot VI bij het verweerschrift in zaak T-154/89).
13. Eén blik op deze in totaal uit drie getypte vellen bestaande stukken maakt direct duidelijk, dat zij - voor zover zij al voor het geval relevante uitspraken inhouden, wat van twee van deze nota' s niet kan worden gezegd - zeker geen "medische vaststellingen" of vaststellingen van soortgelijke aard bevatten (bij voorbeeld over "psychische problemen", zoals de vertegenwoordiger van de Commissie tijdens de mondelinge behandeling ten onrechte stelde), die requirant dienden te worden onthouden (in de zin van het arrest in zaak 140/86). Veelzeggend is ook, dat de Commissie er geen moeite mee had, requirant rechtstreeks toegang te verschaffen tot deze documenten (van welker bestaan hij kennelijk pas in 1989 kennis nam) tijdens de procedure voor het Gerecht (waar zij, zoals gezegd, samen met het verweerschrift zijn overgelegd).
14. Uit de inhoud van deze documenten (in één ervan is sprake van een conflictsituatie, alsmede van het feit dat requirant zich over zijn meerderen had beklaagd en dat zij zich aan hem hadden geërgerd) blijkt bovendien ook duidelijk, dat requirant volgens het beginsel van hoor en wederhoor de gelegenheid moest worden geboden zijn visie hierover te geven. Alleen zo had kunnen worden verhinderd, dat het bij een zuiver eenzijdige voorstelling van zaken door zijn meerderen (wier gedrag eveneens relevant is) bleef, en was het mogelijk geweest op een nader onderzoek aan te dringen, waardoor wellicht een ander beeld zou zijn ontstaan van de gevolgen van de werkomstandigheden voor de ziekte van requirant, wat zijn administratieve positie had kunnen beïnvloeden.
15. Voor mij is bovendien ook duidelijk, dat het niet aanging requirant te wijzen op de mogelijkheid van een standpuntbepaling via zijn behandelend arts. Voor zover de Commissie hierbij denkt aan artikel 21 van de bijzondere regeling voor de verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten (volgens welk de betrokken ambtenaar kan verlangen dat het volledige medische rapport van de door de instelling aangewezen arts aan een arts van zijn keuze wordt toegezonden), moet men namelijk wel goed zien, dat op deze wijze uiteraard geen toegang kon worden verschaft tot het volledige onderzoekrapport in de zin van artikel 17 van de genoemde regeling (waaronder de standpunten van de vroegere meerderen van requirant). Indien zij echter doelt op het feit dat de arts van requirant in het kader van de procedure voor de medische commissie tot alle documenten toegang had, dan mag men niet vergeten, dat in dat geval het debat over zuiver administratieve problemen (de voor requirant geldende arbeidsomstandigheden) voor de medische commissie had moeten plaatsvinden. Daarvoor is zij echter zeker niet het meest geschikte forum, en dit zou ook in tegenspraak zijn met de vaststelling in zaak 2/87 (3), dat de medische commissie geen contradictoir debat heeft te beslechten. Haar taak is uitsluitend om medische conclusies te trekken, en voor zover daartoe administratieve voorbereidingen nodig zijn, dienen deze door de Commissie - het administratieve orgaan - te worden verricht.
16. Mijns inziens heeft requirant de Commissie dan ook terecht verweten, dat de door haar gevoerde administratieve procedure niet regelmatig is geweest, en houdt het andersluidende oordeel van het Gerecht van eerste aanleg, dat hiertoe kwam door een onjuiste beoordeling van de draagwijdte van het arrest in zaak 140/86, een schending van het recht in. Op de gevolgen hiervan voor het verdere verloop van de procedure zal ik nog terugkomen.
17. 2. Gezien deze conclusie waartoe men in verband met het eerste middel van de hogere voorziening moet komen, lijkt het niet noodzakelijk nader in te gaan op het andere, hiermee samenhangende middel, dat aangezien requirant niet in de gelegenheid was geweest te reageren op de genoemde verklaringen van zijn meerderen, de medische commissie hem daarover had moeten horen, en dat het ontbreken van kritiek hiertegen in het arrest van het Gerecht van eerste aanleg eveneens schending van het gemeenschapsrecht oplevert.
18. Indien men met mij van mening is, dat requirant vóór de zitting van de medische commissie de gelegenheid moest worden gegeven een standpunt te formuleren over zuiver administratieve feiten, is het immers duidelijk niet nodig, dat de medische commissie met betrekking tot zuiver administratieve zaken ook nog eens een hoorzitting houdt en de betrokken ambtenaar de daarmee verband houdende documenten doet toekomen opdat hij tot een standpunt kan komen. De kritiek in die richting is door het Gerecht van eerste aanleg terecht als niet relevant afgewezen.
19. 3. Requirant klaagt er eveneens over, dat zijn kritiek op het rapport van de medische commissie, waarop het bestreden besluit van de Commissie was gebaseerd, door het Gerecht van eerste aanleg als ongegrond is aangemerkt.
20. Het gaat hierbij - in de huidige stand van het geding - om drie zaken:
- requirant beschouwt het oordeel van het Gerecht van eerste aanleg, dat het ten aanzien van dergelijke medische constateringen slechts een beperkte toetsingsbevoegdheid heeft, als principieel onjuist. Aangezien er voor geschillen op het vlak van het ambtenarenrecht thans twee gerechtelijke instanties bestaan, is zijns inziens een herziening van de rechtspraak tot nog toe (of beter gezegd: een afwijking daarvan) op zijn plaats, zodat in geval van kritiek op medische vaststellingen, zoals in het onderhavige geval, een tweede (contra-)expertise kan worden gelast.
21. - Requirant meent eveneens, dat de inhoud (respectievelijk de motivering) van het rapport van de medische commissie voor kritiek vatbaar is, voor zover een "begrijpelijk verband" tussen de medische vaststellingen en de conclusie van het rapport (in de zin van het arrest in zaak 277/84 (4)) ontbreekt.
22. - Bovendien is requirant van mening, dat kritiek op het rapport van de medische commissie op haar plaats is, omdat een deel van het aan de commissie verstrekte mandaat niet is uitgevoerd. Er had namelijk ook antwoord moeten worden gegeven op de vraag, of de werkzaamheden van requirant de wezenlijke oorzaak zijn geweest van de verergering van een reeds bestaande ziekte; hierover zegt het rapport van de medische commissie echter niets.
23. In dit verband wil ik vooraf opmerken, dat het feit dat de genoemde kritiek niet reeds in haar geheel voor het Gerecht van eerste aanleg is geuit en wij derhalve, althans ten dele, met nieuwe middelen van doen hebben, zonder enige twijfel van geen belang is. Op grond van de toepasselijke procesregels (artikel 113, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof) is namelijk volkomen duidelijk, dat een dergelijke verruiming van het voorwerp van het geding in hogere voorziening niet ontoelaatbaar is. Het criterium is veeleer dat het voorwerp van het geding niet wordt gewijzigd, en dit is zonder twijfel niet het geval, omdat ook de kritiek die nu voor het eerst naar voren wordt gebracht slechts dient ter motivering van het verzoek tot vernietiging van het besluit van de Commissie van 13 januari 1989.
24. Het is echter ook duidelijk - en hier loop ik wederom vooruit op de conclusie van mijn betoog -, dat het arrest van het Gerecht van eerste aanleg op de zojuist geschetste wijze moeilijk kan worden aangetast.
25. Zo kan men naar mijn mening het Gerecht van eerste aanleg niet verwijten, dat het zich heeft gehouden aan de rechtspraak volgens welke de rechterlijke toetsing zich niet tot medische beoordelingen uitstrekt (zie zaken 265/83 (5) en 2/87). Dit is geheel in overeenstemming met de aard van de rechterlijke toetsing en heeft duidelijk niets van doen met het aantal toetsende instanties. Bovendien valt te wijzen op het systeem van de reeds genoemde Regeling, die voorziet in een dubbele medische beoordeling (eerst door een door de administratie aangewezen arts en vervolgens door een medische commissie die als beroepsorgaan fungeert), waaruit terecht is geconcludeerd dat het aan de medische commissie is medische vragen af te doen (zie het arrest in zaak 156/80 (6)). Niet in de laatste plaats is ook van belang, dat requirant er niet in is geslaagd aan te tonen dat deze regeling, die op het eerste gezicht zeer wel doelmatig lijkt, niet in overeenstemming zou zijn met fundamentele procedurele beginselen (die wellicht aan nationale rechtsstelsels kunnen worden ontleend).
26. Wat voorts de opzet van het betrokken medische rapport betreft, is het weliswaar juist, dat de betekenis van de arbeidsomstandigheden voor de ziekte van requirant (afgezien van twee terloopse opmerkingen over spanningen op het werk en het idee-fixe van verzoeker dat hij door zijn meerderen werd achtervolgd) eigenlijk slechts in de conclusie van het rapport aan de orde komt. Aangezien hier echter (voor zover men uit de mededelingen van de vroegere meerderen van requirant kan opmaken) wordt gesproken van normale arbeidsomstandigheden en wordt gezegd, dat niet valt in te zien hoe zij de ziekte van requirant hadden kunnen beïnvloeden, kan men, hoewel het rapport van de medische commissie erg beknopt is, toch niet zeggen dat het niet overtuigend is in de zin van het arrest in zaak 277/84.
27. Naar mijn mening kan men ook geen kritiek leveren op het feit, dat niettegenstaande het aan de commissie verstrekte mandaat in het rapport niet wordt ingegaan op een eventuele verergering van de ziekte van requirant als gevolg van zijn werkzaamheden. Voor de artsen was van belang, dat de arbeidsomstandigheden - volgens de gegevens waarover zij konden beschikken - niet van de norm afweken. Hieruit concludeerden zij, dat deze voorwaarden niet van invloed konden zijn geweest op de ziekte van requirant, en daarmee gaven zij - althans impliciet - eveneens te kennen dat de arbeidsvoorwaarden uiteraard ook niet tot een verslechtering van de gezondheidstoestand van requirant hadden kunnen leiden.
28. 4. Een laatste grief van requirant betreft de omstandigheid, dat in eerste aanleg schending van artikel 24 van het Personeelsstatuut (in de vorm van een gebrek aan bijstand door de medische dienst van de Commissie) was aangevoerd en dat het arrest van het Gerecht van eerste aanleg hierop niet in het bijzonder is ingegaan (wat de conclusie zou rechtvaardigen, dat dit punt niet is onderzocht en er niet op is beslist).
29. Hier moet echter onmiddellijk aan worden toegevoegd, dat requirant zelf toegeeft dat de voor het Gerecht van eerste aanleg geformuleerde conclusies "n' ont presque rien à voir avec le manquement à l' article 24 du statut" en dat er derhalve geen enkele aanleiding is om het arrest van het Gerecht van eerste aanleg op deze grond te vernietigen. Naar zijn mening leidt de genoemde grief veeleer tot een recht op schadevergoeding en hij verzoekt het Hof deze rechtstreeks toe te kennen, indien hij de terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg niet nodig zou achten.
30. Voor mij staat zonder meer vast, dat deze grief in de onderhavige procedure niet kan slagen.
31. Aangezien requirant zelf verklaart, dat de in eerste aanleg voorgestelde conclusies "nauwelijks" iets met een schending van artikel 24 van het Statuut van doen hadden, is er zeker geen reden voor de kritiek, dat het Gerecht niet in het bijzonder is ingegaan op het artikel 24-argument, maar dit stilzwijgend heeft verworpen.
32. Aangezien anderzijds na de uitleg van requirant vaststaat, dat hij in dit kader eigenlijk schadevergoeding nastreeft (en niet slechts vernietiging van het besluit van de Commissie van 13 januari 1989), wordt hiermee eveneens duidelijk, dat hij een conclusie in het geding wil inbrengen die hij in eerste aanleg niet heeft voorgedragen. Dit is echter zeker ontoelaatbaar. In hogere voorziening kan slechts worden getoetst, of de in eerste aanleg aangevoerde conclusies al dan niet juist beoordeeld zijn. Het aanvoeren van nieuwe conclusies komt daarentegen neer op een verruiming van het voorwerp van het geding, wat artikel 113, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof uitdrukkelijk verbiedt. Daarmee is natuurlijk niets gezegd over de vraag, of requirant nu nog de mogelijkheid heeft een dergelijk verzoek bij de Commissie in te dienen.
33. 5. Samenvattend stel ik derhalve vast, dat slechts het als eerste besproken middel doel treft en dat dit arrest van het Gerecht derhalve gebrekkig is, omdat de houding van de Commissie tijdens de administratieve procedure (verzuim van mededeling van de opmerkingen van de vroegere meerderen van requirant aan deze) daarin ten onrechte als rechtmatig is aangemerkt.
34. Rest nog de vraag, of een en ander slechts moet leiden tot vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 12 juli 1990, met terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht, dan wel of niet veeleer moet worden aangenomen (wat artikel 54 van 's Hofs Statuut-EEG ook toelaat), dat de zaak in staat van wijzen is en door het Hof zelf kan worden afgedaan. Naar mijn mening moet aan laatstgenoemde mogelijkheid de voorkeur worden gegeven. Indien mijn standpunt wordt gedeeld, dan staat immers vast dat de door de Commissie gevolgde administratieve procedure niet regelmatig is geweest. In dat geval is echter evenmin uit te sluiten, dat dit gevolgen kan hebben gehad voor de beoordeling door de medische commissie van de oorzaak van de ziekte van requirant en daarmee voor het door de Commissie overeenkomstig artikel 73 van het Statuut genomen besluit. Het Hof kan derhalve zonder meer vaststellen, dat dit besluit op onregelmatige wijze tot stand is gekomen, en het vervolgens - overeenkomstig het verzoek van requirant - vernietigen. Vervolgens is het aan de Commissie de procedure opnieuw te starten (met de mogelijkheid voor requirant een diepgaander onderzoek van zijn arbeidsomstandigheden te vragen) en opnieuw - mogelijk na een nieuwe uitspraak van de medische commissie - te beslissen op de vraag, of de werkzaamheden van requirant de oorzaak zijn geweest van diens ziekte.
Conclusie
35. Bijgevolg concludeer ik tot gegrondverklaring van de door requirant ingestelde hogere voorziening en tot vernietiging van het door hem voor het Gerecht bestreden besluit van de Commissie. Wat betreft de kosten van de procedure moet, gezien de uitkomst van het geding - nu kan worden gezegd dat requirant eigenlijk in het gelijk wordt gesteld -, niet worden geaarzeld deze ten laste van de Commissie te brengen.
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) Arrest van 7 oktober 1987, Strack/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 3939.
(2) Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 12 juli 1990, Jurispr. 1990, blz. II-445.
(3) Arrest van 19 januari 1988, Biedermann/Rekenkamer, Jurispr. 1988, blz. 143.
(4) Arrest van 10 december 1987, Jaensch/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 4923.
(5) Zie het arrest van 29 november 1984, Suss/Commissie, Jurispr. 1984, blz. 4029.
(6) Arrest van 21 mei 1981, Morbelli, Jurispr. 1981, blz. 1357.
Full & Egal Universal Law Academy