Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De verzoekende partijen, de ondernemingen British Aerospace en Rover Group, verzoeken het Hof om nietigverklaring van een door de Commissie aan de Britse regering gerichte beschikking van 27 juni 1990, vervat in een brief van 17 juli 1990 (1), voor zover de Commissie de Britse regering in die beschikking gelast een bedrag van 44,4 miljoen UKL van hen terug te vorderen.
Achtergrond
2. Bij beschikking 89/58/EEG van 13 juli 1988 (2) hechtte de Commissie haar goedkeuring aan een steunmaatregel van de Britse regering die bestond in een kapitaalinbreng van 469 miljoen UKL met het oog op de delging van schulden van de (op dat ogenblik zwaar verlieslatende) onderneming Rover Group (hierna "RG"). Deze kapitaalinbreng geschiedde in het kader van de verwerving van RG door British Aerospace (hierna "BAe"). De Britse regering had een voorgenomen kapitaalinbreng van 800 miljoen UKL aangemeld, waarvan de Commissie evenwel slechts een deel als met de gemeenschappelijke markt verenigbare steun beschouwde. Bovendien werd de goedkeuring van de Commissie verleend op een aantal voorwaarden, waarvan ik hier enkel deze aanhaal die voor het thans voorliggende geschil relevant zijn.
Ten eerste werd de goedkeuring verleend op voorwaarde dat de Britse regering de voorgenomen voorwaarden van de verkoop van RG, zoals deze aan de Commissie waren meegedeeld, niet zou wijzigen; deze aangemelde verkoopsvoorwaarden hielden met name in dat
- de door BAe te betalen koopprijs 150 miljoen UKL zou bedragen;
- BAe alle toekomstige herstructureringskosten voor haar rekening zou nemen;
- RG niet meer dan 500 miljoen UKL van haar huidige 1 600 miljoen UKL bedrijfsfiscale verliezen zou gebruiken en deze bedrijfsfiscale verliezen binnen RG zouden blijven;
- BAe de kernbedrijven van RG gedurende vijf jaar na de beschikking niet kon doorverkopen zonder een boete van ten hoogste 650 miljoen UKL op te lopen;
dit alles met uitzondering van de door de Britse overheid gefinancierde schuldaflossing die beperkt moest blijven tot een bedrag van 469 miljoen UKL. (3)
Ten tweede was de goedkeuring verbonden aan de voorwaarde dat de Britse regering zich tot en met 1992 zou onthouden van verdere steunverlening in de vorm van kapitaalbijdragen en andere vormen van steunverlening op eigen initiatief aan RG, uitgezonderd een regionale subsidie van ten hoogste 78 miljoen UKL ter ondersteuning van het toekomstige investeringsplan van RG. (4)
Ten aanzien van het resterende gedeelte van de door de Britse regering aangemelde voorgenomen kapitaalbijdrage (dat wil zeggen 331 miljoen UKL) kwam de Commissie in beschikking 89/58 tot de conclusie dat dit gedeelte een staatssteunmaatregel vormde die onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92 van het EEG-Verdrag en derhalve niet mocht worden toegekend. (5)
3. Bij schrijven van 2 september 1988 meldden de Britse autoriteiten de Commissie dat zij beschikking 89/58 naar behoren hadden uitgevoerd en stelden de Commissie in kennis van de maatregelen die zij daartoe hadden genomen. Op 21 november 1989 werd evenwel een rapport van de voorzitter van de "National Audit Office" (NAO), de Britse Nationale Rekenkamer, gepubliceerd met als bijlage een geheim memorandum van de NAO, waaruit bleek dat de Britse regering aanvullende financiële concessies had gedaan aan BAe naar aanleiding van de beslissing van de Commissie om de aangemelde kapitaalinbreng/schuldaflossing van 800 miljoen UKL slechts toe te laten ten belope van 469 miljoen UKL. Deze aanvullende concessies vertegenwoordigden, zo bleek uit het rapport en het memorandum, een waarde van naar schatting 38 miljoen UKL. Op verzoek van de Commissie werden haar door de Britse autoriteiten het rapport van de NAO, het geheime memorandum en later ook het koopcontract en verwante documenten overhandigd.
Het onderzoek van deze stukken en het overleg dat zij voerde met het "Department of Trade and Industry" (DTI), het Britse Ministerie van Handel en Industrie, brachten de Commissie tot de overtuiging dat DTI en BAe naar aanleiding van beschikking 89/58 inderdaad overeengekomen waren dat de Britse overheid een aantal aanvullende financiële concessies zou toekennen aan BAe in verband met de verwerving van RG. Opnieuw vermeld ik hier enkel de vaststellingen die voor onderhavige zaak van belang zijn:
- ten eerste bleek uit de aan de Commissie overhandigde stukken dat de Britse autoriteiten 9,5 miljoen UKL aan BAe hadden betaald ter dekking van een deel van de kosten van 13,6 miljoen UKL die BAe had gemaakt voor de verwerving van de minderheidsaandelen van RG. (6) Volgens de Commissie was dit bedrag op 9,5 miljoen UKL vastgesteld ten einde onder de drempel van 10 miljoen UKL te blijven waarvoor op grond van de wet op de industriële ontwikkeling van 1982 de goedkeuring van het Parlement zou zijn vereist;
- ten tweede bleek uit de stukken dat de Britse regering 1,5 miljoen UKL aan RG had betaald ter dekking van de kosten van juridisch en economisch advies die het RG concern zou hebben gemaakt in verband met de verkooptransactie;
- ten derde bleek uit de stukken dat de betaling door BAe van de koopsom voor RG ten belope van 150 miljoen UKL uitgesteld werd van 12 augustus 1988 tot 30 maart 1990. De Britse autoriteiten gaven dit toe en berekenden dat dit uitstel BAe een netto-voordeel van 22 miljoen UKL opleverde. Dit cijfer werd bekomen door het bruto-voordeel van 33,4 miljoen UKL aan uitgespaarde interestlasten te verminderen met 11,4 miljoen UKL, ten einde rekening te houden met het feit dat de financiële lasten van een lening van 150 miljoen UKL de rentabiliteit van BAe met 33,4 miljoen UKL zouden hebben verminderd en bijgevolg diens belastingverplichtingen (bij een tarief van 35 % vennootschapsbelasting) zouden hebben verminderd. De Commissie gaat echter niet akkoord met deze berekeningsmethode, omdat het haar vaste praktijk is om terugbetaling van onwettige steun te eisen zonder rekening te houden met enige fiscale implicatie. Zij is derhalve de mening toegedaan dat de additionele financiële concessie 33,4 miljoen UKL bedroeg.
4. Na bestudering van de hiervoor vermelde stukken en informatie en nader overleg met de Britse regering richtte de Commissie op 17 juli 1990 de in onderhavige zaak in geding zijnde brief aan de Britse regering, die als mededeling in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen werd gepubliceerd (7) en waarin de Commissie "de Britse regering in kennis ((stelde)) van haar besluit inzake de onjuiste tenuitvoerlegging van ((...)) beschikking 89/58 van 13 juli 1988". (8) In deel I van deze brief worden de voorwaarden die verbonden waren aan de goedkeuringsbeschikking 89/58 in herinnering gebracht, wordt melding gemaakt van de documenten en de aanvullende informatie die de Commissie vanaf 21 november 1989 bereikten en wordt een overzicht gegeven van de aanvullende financiële en andere concessies aan BAe. In deel II van deze brief wordt gemeld dat de Commissie met betrekking tot de hiervoor genoemde financiële concessies "de mening is toegedaan" dat zij te beschouwen zijn als een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag, steun die bovendien onrechtmatig werd verleend omdat hij, aldus de Commissie, ofwel geen deel uitmaakte van de verkoopvoorwaarden die de Commissie werden aangemeld tijdens de procedure die aan het nemen van beschikking 89/58 voorafging en met andere woorden inbreuk maakt op de eerste hiervoor genoemde voorwaarde van die beschikking (geen wijziging van de verkoopvoorwaarden), ofwel de derde voorwaarde van de beschikking (geen verdere steunverlening aan RG) schendt. (9) Deel IV van de brief luidt onder meer als volgt:
"Op grond van de bovenstaande overwegingen heeft de Commissie het volgende besloten:
a) de 44,4 miljoen UKL aanvullende steun die in verband met de verkoop van RG aan BAe is verleend, is onwettige steun in strijd met beschikking 89/58/EEG en de Britse autoriteiten worden verzocht dit bedrag terug te vorderen van de begunstigden (dit wil zeggen een bedrag van 9,5 miljoen UKL dat betaald is ter dekking van de kosten van de verwerving van minderheidsaandelen en het voordeel van 33,4 miljoen UKL dat voor BAe ontstond van het uitstel van de betaling van de koopsom) en 1,5 miljoen UKL van RG (die zij verkreeg ter dekking van de kosten van extern advies in verband met de verkoop).
(...)
De Britse autoriteiten moeten de Commissie binnen een maand na de kennisgeving van deze beschikking in kennis stellen van de maatregelen welke zij genomen (hebben) om daaraan gevolg te geven.
Indien de Britse autoriteiten niet binnen de gestelde termijn antwoorden of een onbevredigend antwoord geven, is de Commissie genoodzaakt de zaak bij het Europese Hof van Justitie aanhangig te maken."
Het Verenigd Koninkrijk besliste aan de in deze brief geformuleerde "verzoeken" gevolg te geven. Meer bepaald heeft de Britse regering (zo verduidelijkten verzoeksters tijdens de terechtzitting) een geding aangespannen bij de High Court te Londen waarin de terugbetaling van de hiervoor vermelde bedragen wordt gevorderd.
Middelen en argumenten van partijen
5. Tegen deze brief werd door verzoeksters BAe en RG een beroep tot nietigverklaring ingesteld. Zij zijn namelijk van mening dat de brief als een beschikking in de zin van artikel 189 van het EEG-Verdrag moet worden beschouwd, en dat deze beschikking nietig is wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften. Meer bepaald betogen verzoeksters dat zij ten onrechte niet zouden zijn gehoord door de Commissie vóór het treffen van de aangevochten beschikking. Verder voeren zij aan dat de voorwaarden voor terugvordering van de aan BAe gedane betalingen niet vervuld zijn en dat de Commissie ten onrechte de gedane betalingen heeft gekwalificeerd als steun die onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.
6. De Commissie ontkent niet dat de betwiste brief te beschouwen is als een "beschikking" en dat verzoeksters door die beschikking rechtstreeks en individueel worden geraakt, zodat hun beroep tot nietigverklaring ontvankelijk is. Terzelfder tijd blijkt echter uit het verweer van de Commissie dat zij de brief niet als een volwaardige beschikking in de zin van artikel 189 EEG-Verdrag beschouwt. Zij stelt namelijk dat de brief/ beschikking niet kan worden beschouwd als een autonome handeling, en wel omdat zij haar bestaansreden geheel aan beschikking 89/58 zou ontlenen (10) en in juridisch opzicht zelfs zou kunnen worden gekarakteriseerd als niet meer dan een (geen nieuwe rechtsgevolgen teweegbrengend) verlengstuk van beschikking 89/58, waarmee die beschikking ten uitvoer wordt gelegd. (11)
Dat de Commissie in casu bevoegd was om een dergelijke "uitvoeringsbeschikking" te treffen, blijkt volgens haar uit het feit dat zij had kunnen verkiezen om het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 93, lid 2, tweede zin, rechtstreeks voor het Hof van Justitie te dagen wegens niet-naleving van beschikking 89/58. In plaats daarvan verkoos de Commissie evenwel het Verenigd Koninkrijk een laatste gelegenheid te geven om haar verplichtingen na te komen door aan te geven op welke wijze en in welke mate het Verenigd Koninkrijk volgens de Commissie tekort was gekomen aan beschikking 89/58. Daartoe, aldus nog de Commissie, worden in de brief/ beschikking de steunmaatregelen die in strijd met beschikking 89/58 door de Britse regering werden verleend, geïdentificeerd en gekwantificeerd, en wordt ten aanzien van die maatregelen bevolen dat zij zouden worden teruggevorderd van de begunstigden. (12)
Gegeven deze analyse van de betwiste brief/ beschikking bestond er volgens de Commissie in haren hoofde geen verplichting om verzoeksters te horen vooraleer een beschikking te treffen. Het recht te worden gehoord was reeds van toepassing (en werd terdege gerespecteerd) in het kader van de procedure die tot beschikking 89/58 leidde; de bijkomende financiële concessies waarover wordt gehandeld in de brief/ beschikking waren i) gepland en onderhandeld tussen het Verenigd Koninkrijk enerzijds en BAe en RG anderzijds vóór de Commissie beschikking 89/58 trof, en waren bovendien niet aan de Commissie aangemeld, en ii) zijn onlosmakelijk verbonden met de voorwaarden van de verkoop van RG aan BAe. Daarom kon de beoordeling van deze concessies enkel gebeuren in het kader van de naleving en de handhaving van beschikking 89/58. Daaruit besluit de Commissie dat de betwiste brief/ beschikking niet meer is dan een uitvoerings- respectievelijk handhavingsmaatregel van beschikking 89/58 en dat zij er dienvolgens niet toe gehouden was verzoeksters opnieuw te horen.
Bevoegdheid van de Commissie tot het treffen van "uitvoeringsbeschikkingen"
7. Uit het voorgaande en uit de argumenten van partijen blijkt dat de kern van de thans voorliggende zaak erin bestaat te weten welke rechtsmiddelen de Commissie ter beschikking staan ingeval van niet-naleving door een Lid-Staat van de voorwaarden die de Commissie heeft gehecht aan een in een eerdere aan die Lid-Staat gerichte beschikking tot goedkeuring van een steunmaatregel. Meer bepaald rijst de vraag of, wanneer deze voorwaarden worden geschonden als gevolg van de toekenning van aanvullende financiële concessies, de Commissie bevoegd is om, zonder de belanghebbende partijen te horen, op basis van haar eerdere beschikking een "uitvoeringsbeschikking" te treffen waarin de niet-naleving van die voorwaarden wordt vastgesteld en waarin de aanvullende financiële concessies zonder verder onderzoek als met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steun worden beschouwd en de terugvordering ervan wordt bevolen. Voor verzoeksters is het recht om daarbij gehoord te worden aldus de ware inzet van het geding.
8. In het door de artikelen 92 en 93 van het Verdrag voorziene stelsel beschikt de Commissie mijns inziens over vier mogelijkheden om op te treden tegen de schending van een eerder genomen (voorwaardelijke of negatieve) beschikking in verband met staatssteun.
Ten eerste kan zij, zoals artikel 93, lid 2, tweede zin, van het Verdrag haar uitdrukkelijk toestaat, de betrokken Lid-Staat in afwijking van de artikelen 169 en 170 van het Verdrag rechtstreeks, dat wil zeggen zonder die Lid-Staat in gebreke te stellen en hem een met redenen omkleed advies over te maken, voor het Hof van Justitie dagen wegens niet-naleving van haar beschikking.
Desgewenst kan de Commissie, vooraleer de zaak bij het Hof aanhangig te maken, de betrokken Lid-Staat op informele wijze een "laatste kans" geven om de door haar geïdentificeerde schendingen van de eerdere beschikking ongedaan te maken. (13) Een dergelijke "laatste waarschuwing" is niet meer dan een aanwijzing en kan uiteraard niet als een beschikking in de zin van artikel 189 worden beschouwd. Met andere woorden, zij is ten aanzien van de Lid-Staat tot wie ze is gericht, niet bindend; wanneer tegen dergelijke "laatste waarschuwing" een beroep tot nietigverklaring zou worden ingesteld bij het Hof, zou zulk beroep niet-ontvankelijk zijn. (14)
De laatste paragraaf van de betwiste brief/ beschikking (hiervoor aangehaald in nr. 4) en de omstandigheid dat de brief als een "mededeling" in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen werd opgenomen, lijken te suggereren dat deze brief inderdaad als een dergelijke waarschuwing is te beschouwen en met andere woorden geen in rechte aanvechtbare beschikking is. Daartegenover staat evenwel dat de elders in de betwiste brief/ beschikking gebruikte termen geen twijfel laten bestaan over de bindende of althans gebiedende aard van het document. Zo wordt in deel IV van de brief/ beschikking gesteld dat de Commissie heeft "besloten" (in de authentieke Engelse versie: "decided", waarbij ik aanstip dat de brief werd aangekondigd als een "Decision", met andere woorden een beschikking van de Commissie: zie PB 1991, Engelse versie, C 21, blz. 2, inleidende paragraaf) dat de Britse autoriteiten "worden verzocht" (het Engels "are required" is nog duidelijker) deze financiële concessies terug te vorderen van de begunstigden. Ook voor de andere onderdelen van de beslissing van de Commissie wordt in het Engels het gebiedende "shall" gebruikt. Voorts laat de voorlaatste paragraaf van de brief/ beschikking weinig twijfel bestaan over de ware aard van dat document: er wordt immers gesteld dat de Britse autoriteiten de Commissie "moeten" in kennis stellen van de maatregelen die zij hebben genomen om gevolg te geven aan "deze beschikking" (daarbij valt op te merken dat in de authentieke Engelse versie ook hier het woord "Decision", geschreven met een hoofdletter, wordt gebruikt).
Dat de betwiste brief/ beschikking wel degelijk is te beschouwen als een (rechtsgevolgen teweegbrengende en de Britse regering bindende) beschikking, blijkt ten slotte uit de omstandigheid dat de Commissie geen exceptie van onontvankelijkheid heeft opgeworpen tegen het beroep van verzoeksters maar integendeel heeft verklaard "geen opmerkingen te hebben" bij het betoog van laatstgenoemden volgens hetwelk zij rechtstreeks en individueel worden geraakt door de aan de Britse regering opgelegde verplichtingen. (15) In het vervolg van mijn conclusie zal ik er dan ook van uitgaan dat de brief is te beschouwen als bindend voor de Lid-Staat tot wie zij gericht is en met andere woorden een beschikking inhoudt. De Commissie heeft dus geen gebruik gemaakt van de eerste mogelijkheid, nu zij onmiddellijk een beschikking en niet een onverbindende "laatste waarschuwing" tot het Verenigd Koninkrijk heeft gericht.
9. De tweede mogelijkheid die de Commissie ter beschikking staat is het nemen van voorlopige maatregelen zoals die in het arrest Boussac (16) beschreven staan. Wanneer de Lid-Staat, zoals in casu, inbreuk maakt op een beschikking waarin staatssteun wordt goedgekeurd op voorwaarde dat verdere financiële concessies achterwege worden gelaten, dan kan de Commissie, wanneer achteraf toch financiële concessies worden verleend, een beschikking treffen waarin de onmiddellijke opschorting van de betalingen en de overlegging van alle nodige gegevens voor de beoordeling van de rechtmatigheid van die betalingen worden gelast. De opschorting van de betalingen moet de Commissie de gelegenheid geven de verenigbaarheid van de bewuste betalingen met de gemeenschappelijke markt na te gaan. (17). Wanneer het bevel tot opschorting en overlegging niet zou worden nageleefd door de Lid-Staat in kwestie, dan heeft de Commissie het recht de verenigbaarheid van de aanvullende concessies met artikel 92 EEG-Verdrag te beoordelen aan de hand van de gegevens waarover zij beschikt (dat is de hierna genoemde derde mogelijkheid), dan wel de zaak rechtstreeks aan het Hof voor te leggen (dat is de hiervoor genoemde eerste mogelijkheid). (18)
In onderhavige zaak heeft de Commissie deze weg niet gevolgd en kon zij dat overigens ook niet: zij kreeg immers slechts lucht van de gewraakte betalingen op het ogenblik dat deze reeds waren uitgevoerd - met andere woorden een bevel tot opschorting zou geen enkel nut hebben gehad.
10. De derde mogelijkheid bestaat erin dat de Commissie ten aanzien van de nieuw ontdekte betalingen met toepassing van artikel 93, lid 2, eerste zin, een nieuwe procedure opent en in voorkomend geval in een nieuwe beschikking vaststelt, dat deze betalingen een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel uitmaken. Deze laatste beoordeling kan en mag geschieden met inachtneming van de eerdere beschikking. (19) In het recente arrest in zaak C-261/89 (20) heeft het Hof namelijk aanvaard dat de Commissie een steunmaatregel onverenigbaar kan verklaren met de gemeenschappelijke markt op basis van de overweging dat deze maatregel inbreuk maakt op een eerdere beschikking waarin steun werd goedgekeurd op voorwaarde dat gedurende een zekere periode geen verdere steun zou worden verstrekt. Het arrest verantwoordde deze stelling door erop te wijzen i) dat de Commissie in het kader van een procedure ex artikel 93, lid 2, ertoe is gehouden rekening te houden met alle relevante gegevens, daaronder begrepen de juridische en economische context die zij reeds heeft beoordeeld in een eerdere beschikking en ii) dat de onderzoeksprocedure ex artikel 93, lid 2, de gelegenheid biedt om rekening te houden met alle nieuwe gegevens die van aard kunnen zijn om de in de eerdere beschikking voltrokken beoordeling te wijzigen. (21) Belangrijk in dit arrest lijkt me dat het "hergebruik" van de in de eerdere beschikking voltrokken beoordeling slechts wordt toegelaten in het kader van een nieuwe procedure ex artikel 93, lid 2, wat inhoudt dat alle "belanghebbenden" worden "aangemaand hun opmerkingen te maken" (22) en dat de Commissie met eventueel ingediende opmerkingen terdege rekening moet houden.
In casu heeft de Commissie ook van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt: weliswaar wordt de toelaatbaarheid van de aanvullende financiële concessies in de aangevochten beschikking beoordeeld op basis van beschikking 89/58, maar de Commissie stelt zelf met nadruk (hiervoor, nr. 6), dat de aangevochten beschikking niet tot stand kwam op basis van de procedure ex artikel 93, lid 2, maar integendeel slechts een verlengstuk c.q. uitvoeringsmaatregel is van beschikking 89/58. Op grond van deze stellingname heeft zij de belanghebbenden (in casu BAe en RG) niet aangemaand hun opmerkingen te maken.
11. De Commissie beschikt mijns inziens nog over een vierde mogelijkheid. Wanneer, zoals in casu het geval lijkt te zijn, de Commissie tot de vaststelling komt dat zij haar eerdere steunbeschikking niet heeft kunnen nemen met volle kennis van alle relevante feiten omdat de betrokken Lid-Staat zonder haar medeweten naast de aangemelde steun ook een zeker bedrag aan niet-aangemelde steun heeft uitbetaald (bij voorbeeld om het effect van een gedeeltelijke onverenigbaarverklaring van de aangemelde steun ongedaan te maken), dan kan zij haar eerder gegeven (zij het gedeeltelijke en voorwaardelijke) goedkeuring van de aangemelde steun intrekken op basis van het beginsel fraus omnia corrumpit. De eerder gegeven goedkeuring berustte dan immers op een dwaling die het gevolg is van het achterhouden van informatie door de betrokken Lid-Staat. Vervolgens kan de Commissie de eerder aangemelde steun aan de hand van de aan het licht gekomen nieuwe gegevens opnieuw onderzoeken en op basis van dat onderzoek eventueel oordelen dat een gedeelte van de eerder goedgekeurde steun (of zelfs het volledige bedrag van die steun) onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt en de terugvordering ervan gelasten. Dit "hernieuwde" onderzoek moet uiteraard gebeuren in het kader van een procedure ex artikel 93, lid 2, zodat de betrokken Lid-Staat en ook alle belanghebbende partijen de gelegenheid wordt geboden hun standpunt uiteen te zetten omtrent de consequenties van de niet aangemelde steun op de eerder gegeven goedkeuring van de wel aangemelde steun. Het onderzoek zal uitmonden in een nieuwe beschikking waarin de Commissie zich uitspreekt zowel over de eerder goedgekeurde steun als over de niet aangemelde betalingen en waarin zij eventueel de terugvordering gelast van alle steunmaatregelen (eerder goedgekeurde zowel als achteraf ontdekte) waarvan de onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt in het licht van de nieuwe gegevens wordt vastgesteld.
In casu heeft de Commissie deze vierde mogelijkheid evenmin benut. Nergens in de betwiste brief/ beschikking of in haar conclusies voor het Hof stelt zij de intrekking van de eerder gegeven goedkeuring en de opening van een nieuwe procedure ex artikel 93, lid 2, in het vooruitzicht. Integendeel: in deel II, punt B van de betwiste brief/ beschikking komt de Commissie, bij de beoordeling van de destijds door BAe voor RG betaalde prijs in het licht van de haar naderhand toegekomen aanvullende informatie, tot het besluit dat, ook wanneer zij bij het voorbereiden van beschikking 89/58 over deze informatie had beschikt, zij niet tot een andere conclusie zou zijn gekomen dan die welke zij in beschikking 89/58 trok, te weten dat "de beoogde koopprijs een eerlijke weergave is van de reële netto-waarde van (RG) op de markt". (23)
12. Mijns inziens verlenen de hiervoor geschetste mogelijkheden, afzonderlijk genomen of in combinatie met elkaar, de Commissie een doeltreffende bevoegdheid om de naleving van haar beschikkingen inzake steunmaatregelen te verzekeren. Niettemin is de Commissie met de bewuste brief/ beschikking een andere weg opgegaan. Zoals gezegd heeft zij een "uitvoeringsbeschikking" vastgesteld op basis van beschikking 89/58, uitvoeringsbeschikking die vaststelt dat de Britse regering door het toekennen van een aantal aanvullende financiële concessies beschikking 89/58 heeft geschonden en de Britse regering gelast deze schending ongedaan te maken door de bewuste concessies van de begunstigde ondernemingen terug te vorderen. Ik geloof evenwel niet dat het door de artikelen 92 en 93 van het EEG-Verdrag gewilde stelsel de Commissie de bevoegdheid toekent voor het nemen van een dergelijke beschikking. De aan de Commissie uit hoofde van artikel 93 toekomende beschikkingsbevoegdheid dient ter beoordeling van de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van nationale steunmaatregelen. Zij kan daarentegen niet worden gebruikt wanneer het er enkel om gaat de niet-naleving van een eerdere beschikking vast te stellen. Meer bepaald ontbeert de Commissie de bevoegdheid om, eens zij zich in een beschikking heeft uitgesproken over de verenigbaarheid van een steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt, de niet-nakoming van die beschikking (die er in casu in bestond dat de Lid-Staat aanvullende financiële concessies toekende), bij wege van een nieuwe beschikking vast te stellen. In een dergelijk geval, zo blijkt ook uit artikel 93, lid 2, tweede zin, moet zij de niet-nakoming aan het Hof voorleggen. (24)
Het voorgaande belet evenwel niet dat de Commissie ten aanzien van de in strijd met een eerdere beschikking toegekende aanvullende financile concessies desgewenst een nieuwe beschikking uitvaardigt, waarin zij zich uitspreekt over de verenigbaarheid van deze aanvullende concessies met de gemeenschappelijke markt. Wat voorafgaat belet evenmin (zie het in nr. 10 vermelde arrest in zaak C-261/89) dat in die nieuwe beschikking de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van de aanvullende financiële concessies wordt beoordeeld aan de hand van de eerdere beschikking. Wanneer een dergelijke nieuwe beschikking wordt genomen, dient de beoordeling van de Commissie - ook in de laatstbedoelde hypothese, zoals het Hof heeft verduidelijkt in het hiervoor in nr. 10 vermelde arrest in zaak C-261/89 - evenwel te geschieden met toepassing van de door artikel 93, lid 2, voorgeschreven procedure, dit is na aanmaning en raadpleging van belanghebbenden. In casu - partijen zijn het daarover eens - is zulks niet gebeurd.
Ik ben het dan ook volkomen oneens met de Commissie wanneer zij de toepassing van bedoelde procedure als een nutteloos vormvereiste van de hand wijst. De nieuwe onderzoeksprocedure en vooral de raadpleging van alle belanghebbende partijen moet de Commissie immers toelaten rekening te houden met alle relevante wijzigingen in de feitelijke situatie die zich sinds het nemen van de eerdere beschikking hebben voorgedaan. Dat wordt overigens geïllustreerd door de thans voorliggende zaak: verzoeksters hebben staat gemaakt van vier punten die niet het voorwerp uitmaakten van beschikking 89/58 en die in de aangevochten beschikking door de Commissie werden beslecht zonder dat zij de gelegenheid hadden hun standpunt daaromtrent kenbaar te maken. Meer bepaald gaat het om i) de kwalificatie als "staatssteun" van de achteraf ontdekte bijkomende financiële concessies aan BAe en RG (volgens verzoeksters gaat het om transacties die deel uitmaken van het normale handelsverkeer); ii) de kwantificering van het voordeel dat BAe behaalde uit het uitstel van betaling van de koopsom (cf. hiervoor, nr. 3); iii) de kwalificering van de aan RG gedane vergoeding ten belope van 1,5 miljoen UKL van de kosten van juridisch en economisch advies (ook deze vergoeding maakte volgens verzoeksters deel uit van de normale handelsgewoonten), en iv) de berekening van de waarde van de door BAe later verworven minderheidsaandelen van RG. Zoals hierna zal blijken bij de bespreking, in subsidiaire orde, van de in verband met deze punten tussen partijen uitgewisselde argumenten, wordt het onderzoek van vooral het tweede punt bemoeilijkt doordat belanghebbenden vóór de beslissing van de Commissie daaromtrent niet zijn gehoord.
13. Op grond van het voorgaande kom ik aldus tot het besluit dat de Commissie, door er vanuit te gaan dat het Verdrag haar een autonome beschikkingsbevoegdheid toekent om, zonder enige voorafgaande procedure, de niet-naleving van een eerder gegeven steunbeschikking in een "uitvoeringsbeschikking" vast te stellen en de betrokken Lid-Staat in die uitvoeringsbeschikking te gelasten om betalingen die inbreuk maken op de eerdere beschikking van de begunstigden terug te vorderen, in strijd heeft gehandeld met het in artikel 4 van het Verdrag neergelegde beginsel dat elke instelling dient te handelen binnen de grenzen van de haar door het Verdrag toegekende bevoegdheden.
Subsidiair: de overige middelen van verzoeksters
14. Voor het geval het Hof mijn conclusie in hoofdorde niet zou beamen, wil ik nog kort ingaan op de overige door verzoeksters opgeworpen middelen. In die hypothese zal ik er dan van uitgaan dat de Commissie wel degelijk over een bevoegdheid beschikt om "uitvoeringsbeschikkingen" te treffen waarin de niet-naleving van een eerdere beschikking inzake staatssteun wordt vastgesteld en de nodige consequenties (daaronder inbegrepen de terugvordering van de onwettig toegekende steun) uit die niet-naleving worden getrokken. Bovendien ga ik ervan uit, net als bij mijn onderzoek in hoofdorde, dat de Commissie in haar latere beschikking de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van later toegekende steun mag beoordelen op basis van haar eerdere beschikking.
Concreet moet ik ten aanzien van de drie punten waarop het beroep van verzoeksters betrekking heeft (namelijk de 9,5 miljoen UKL verwervingskosten die aan BAe zijn betaald, de 1,5 miljoen UKL die aan RG is betaald voor de kosten van advies, en het voordeel dat BAe heeft behaald als gevolg van het uitstel met twintig maanden van de betaling van de koopsom voor RG) onderzoeken of de aangevochten beschikking terecht heeft geoordeeld dat zij i) te beschouwen zijn als steunmaatregelen in de zin van artikel 92 van het Verdrag, ii) onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt en het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden, en iii) moeten worden teruggevorderd van de begunstigde ondernemingen.
15. Laat ik eerst ingaan op het probleem van de kwalificatie als staatssteun. Anders dan verzoeksters ben ik van mening dat de Commissie telkens terecht heeft geoordeeld dat de in deze zaak aan de orde staande voordelen te beschouwen zijn als "steunmaatregelen" in de zin van artikel 92 van het Verdrag.
Wat betreft de 9,5 miljoen UKL verwervingskosten voeren verzoeksters aan dat een meerderheidsaandeelhouder er belang kan bij hebben de nog uitstaande aandelen van minderheidsaandeelhouders te verwerven en dat de door BAe in dit verband betaalde 13,6 miljoen UKL een faire prijs zou uitmaken, om redenen van sociale rechtvaardigheid en public relations (zie hiervoor, voetnoot 6). In elk geval, aldus nog verzoeksters, kan de door de Britse regering aan BAe betaalde vergoeding van 9,5 miljoen UKL niet worden beschouwd als een voordeel voor BAe, aangezien deze laatste onderneming het bedrag meteen terug uitkeerde aan de minderheidsaandeelhouders.
Overtuigend is deze argumentatie bepaald niet. Verzoeksters ontkennen immers niet dat de verplichting om de minderheidsaandeelhouders uit te kopen op BAe rustte en dat ook de beslissing om daarbij 13,6 miljoen UKL in plaats van 300 000 UKL te betalen, er een was van BAe, die BAe overigens gunstige publiciteit opleverde bij het beleggerspubliek. Aldus bekeken is de door de Britse regering uitgekeerde som van 9,5 miljoen UKL ongetwijfeld te beschouwen als staatssteun - immers, dit bedrag dekt een uitgave die anders door BAe had moeten worden gedragen. Ook al heeft BAe dit bedrag volledig gebruikt om de resterende aandeelhouders een geïnflateerde prijs te betalen, dan gebeurde dit op grond van een door haar en in haar eigen voordeel genomen beslissing. Op het argument van verzoeksters dat de betaling van een geïnflateerde prijs plaatsvond op grond van een (niet aan de Commissie aangemelde) contractuele verplichting die BAe ten aanzien van de Britse regering zou hebben aangegaan in het kader van de verwerving van RG kan enkel geantwoord worden i) dat de in beschikking 89/58 gegeven goedkeuring van de kapitaalinbreng door de Britse regering werd gegeven op de uitdrukkelijke voorwaarde dat de aangemelde voorwaarden van verkoop niet zouden worden gewijzigd en ii) dat een uitkoop van de minderheidsaandeelhouders van RG tegen een geïnflateerde prijs geen deel uitmaakte van de aangemelde verkoopsvoorwaarden.
In verband met de 1,5 miljoen UKL die aan RG werd betaald voor de kosten van advies, merken verzoeksters op dat, anders dan de Commissie staande houdt, het hier niet gaat om kosten die verband houden met de verkooptransactie van RG aan BAe, maar wel in verband met het beleidsobjectief van de Britse regering om RG te privatiseren. Voorts merken zij op dat deze kosten, gezien in dat verband, een verstandige uitgave van de Britse regering waren en in ieder geval BAe enkel vergoedden voor reeds opgelopen uitgaven. Om de hiervoor reeds aangehaalde redenen lijkt ook dit betoog me niet relevant: vast staat immers dat het door de Britse regering betaalde bedrag normalerwijze ten laste was gevallen van BAe en/of RG. Daarmee staat het steunkarakter van de betaling vast.
Ook voor wat betreft het uitstel met twintig maanden van de betaling van de koopsom, ben ik het eens met het oordeel van de Commissie dat dit een steunmaatregel ten voordele van BAe oplevert. Het uitstel maakt inbreuk op op de in beschikking 89/58 gestelde voorwaarde dat BAe onmiddellijk na de kapitaalinbreng 150 miljoen UKL aan de Britse overheid zal betalen als tegenprestatie voor de cessie van de RG-aandelen die in het bezit waren van de overheid. (25) Verzoeksters enige argument in dit verband is dat er eminente commerciële redenen bestonden voor dit uitstel van betaling: zonder dit uitstel zou BAe het koopbedrag hebben moeten lenen, zonder in staat te zijn de interesten op die lening uit de bedrijfsopbrengst van RG te financieren. Dit neemt evenwel niet weg dat het uitstel van betaling renteloos was en als dusdanig is te beschouwen als een steunmaatregel ten voordele van BAe: een particulier verkoper zal dergelijk uitstel van betaling enkel toestaan wanneer de koper zich ertoe verbindt verwijlinterest op de verkoopprijs te betalen. De steunmaatregel bestaat met andere woorden in de niet-aanrekening van verwijlinterest.
16. De tweede te onderzoeken vraag is of de Commissie terecht heeft geoordeeld dat de drie steunmaatregelen i) waren te beschouwen als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en ii) dat zij het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden.
Zoals reeds vermeld ga ik ervan uit dat de Commissie de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van later ontdekte steunmaatregelen mag beoordelen op basis van een eerdere beschikking. Hetzelfde geldt mijns inziens voor de beoordeling of een steunmaatregel het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden. De concrete vraag is dan of beschikking 89/58 een voldoende basis vormde voor de door de Commissie in de aangevochten beschikking voltrokken beoordelingen in verband met de verenigbaarheid van de steunmaatregelen met de gemeenschappelijke markt. Ik meen dat het antwoord op deze vraag bevestigend is. Voor elk van de drie steunmaatregelen wordt in de bestreden brief/beschikking gesteld dat zij in strijd zijn met de eerste voorwaarde (verbod om de voorgenomen voorwaarden van de verkoop zoals deze aan de Commissie zijn meegedeeld te wijzigen) en/of de derde voorwaarde (verbod van verdere steunverlening in de vorm van kapitaalbijdragen en andere vormen van steunverlening op eigen initiatief aan RG) van beschikking 89/58. Verzoeksters brengen daar ten gronde niets tegen in en hebben bovendien geen elementen aangevoerd (zie het in nr. 10 vermelde arrest in zaak C-261/89), waaruit zou kunnen blijken dat de feitelijke situatie na het nemen van beschikking 89/58 derwijze zou zijn veranderd dat de in die beschikking voltrokken beoordeling niet langer zou gelden voor de thans aan de orde staande steunmaatregelen.
17. De derde en laatste vraag is of de Commissie met de aangevochten beschikking de terugvordering mocht gelasten van de steunmaatregelen waarvan zij de onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt had vastgesteld met verwijzing naar beschikking 89/58. Principieel moet het antwoord op deze vraag bevestigend zijn wanneer men, zoals ik in dit deel van mijn conclusie doe, van de veronderstelling uitgaat dat de Commissie een bevoegdheid bezit voor het treffen van "uitvoeringsbeschikkingen" waarin de overtreding van een eerder gegeven beschikking kan worden vastgesteld en waarin de consequenties uit die overtreding (waaronder ook de terugbetaling van onwettig uitgekeerde steun) kunnen worden getrokken.
De argumentatie van verzoeksters betreffende het ontbreken van een specifieke motivering in verband met het bevel tot terugvordering van BAe, moet dan ook falen: de ontoelaatbaarheid van de aan BAe toegekende voordelen (die meteen een grond voor terugvordering oplevert), blijkt immers uit beschikking 89/58, die door de aangevochten beschikking ten uitvoer wordt gelegd.
18. Blijven nog drie specifieke argumenten die verzoeksters hebben ontwikkeld met betrekking tot de beweerdelijk foute berekening van het van BAe terug te vorderen bedrag in verband met het uitstel van betaling van de koopsom (zie hiervoor, onder nr. 3, laatste gedachtenstreepje, en deel III. D van het rapport ter terechtzitting). Daarbij gaat het dus niet om de principiële vraag of terugvordering mogelijk was, maar wel om de hoegrootheid van het bedrag waarvan de Commissie de terugvordering kon gelasten.
Op de eerste plaats voeren verzoeksters aan dat de Commissie er rekening mee had moeten houden dat een groot deel van de omzet van BAe is toe te rekenen aan handelsactiviteiten die worden gevoerd buiten de gemeenschappelijke markt of op markten die geen verband houden met de markt waarop RG actief is en de mededinging op die markt dus ook niet kunnen verstoren. De Commissie had met andere woorden slechts een deel van het voordeel mogen beschouwen als concurrentievervalsend.
Dit argument kan me niet overtuigen. Het lag immers voor de hand dat de steun die door de Britse regering werd toegekend in verband met de verwerving van RG door BAe zou worden aangewend in het kader van de activiteit van RG. De enkele omstandigheid dat een deel van de omzet van BAe voortkomt uit markten buiten de Gemeenschap of uit markten waarop RG niet actief is, volstaat niet om (een deel van) de steun verenigbaar te achten met de gemeenschappelijke markt, nu door BAe niet is aangetoond dat (een deel van) de toegekende steun daadwerkelijk werd aangewend op dergelijke markten.
19. Op de tweede plaats houden verzoeksters staande dat de Commissie bij het berekenen van het voordeel dat uit het uitstel van betaling volgt, is uitgegaan van een te hoge (door de Britse regering voorgestelde) interestvoet. Zij wijzen erop dat het voordeel uit het uitstel van betaling hierin bestond, dat BAe zonder zulk uitstel verplicht zou zijn geweest ten tijde van de verkooptransactie geld te lenen om de koopsom te betalen. Welnu, zich steunend op een advies van een handelsbank betogen verzoeksters dat BAe in augustus 1988 op de kapitaalmarkt een lange-termijnlening had kunnen afsluiten aan de interestvoet van 10,97 % per annum. Aan deze interestvoet berekend bedraagt de uitgespaarde interest niet 33,4 miljoen UKL, maar wel 26,8 miljoen UKL.
De Commissie voert hiertegen aan dat zij de door de Britse regering voorgestelde berekening (die uitging van de gemiddelde interestvoeten op de markt voor een lening van twintig maanden) aanvaardde, dat de door BAe voorgestelde lagere interestvoet, die BAe zogezegd had kunnen krijgen indien zij in juli 1988 geleend had op lange termijn, geen gepaste interestvoet is omdat het uitstel van betaling slechts twintig maanden was, zodat een vergelijking met financiering op lange termijn niet opgaat en dat het haar vaste praktijk is om steunelementen te berekenen in het algemeen, met andere woorden niet specifiek met betrekking tot de individuele onderneming die de beneficiaris is van de betrokken steunmaatregel.
Principieel ben ik het met verzoeksters eens waar zij tegen deze argumentatie van de Commissie inbrengen dat de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag ervan uitgaan dat een onderneming, beneficiaris van een verboden steunmaatregel, enkel kan worden verplicht de steun terug te betalen die zij werkelijk heeft ontvangen. Toch meen ik dat zij daaruit niet het besluit mogen trekken dat het voordeel dat BAe in concreto ontving gelijk is aan de interest die zij gedurende twintig maanden zou hebben betaald op de meest gunstige lange-termijnlening die een onderneming zoals zij in augustus 1988 op de kapitaalmarkt had kunnen afsluiten. Dit lijkt me onjuist, omdat een uitstel van betaling te beschouwen is als een lening van de verkoopprijs die door de verkoper (in casu de Britse regering) wordt toegestaan aan de koper (in casu BAe); het door BAe uit een renteloos uitstel behaalde voordeel is met andere woorden gelijk aan de (verwijl)interest die zij in normale commerciële omstandigheden aan de Britse regering had moeten betalen in ruil voor een uitstel van betaling met twintig maanden en die normalerwijze minstens gelijk zal zijn aan het interestbedrag dat de Britse regering had kunnen verwerven door middel van de belegging van de verkoopprijs voor de duur van het uitstel tegen de gemiddelde interestvoet op de markt in augustus 1988. Dat leidt tot het besluit dat de door de Commissie gekozen interestvoet wel degelijk de juiste is.
20. Op de derde plaats argumenteren verzoeksters dat de Commissie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de fiscale weerslag van het betalingsuitstel. Voor een weergave van het standpunt van de Commissie verwijs ik naar nr. 3, derde gedachtenstreepje, hiervoor. In onderhavige zaak vechten verzoeksters dit standpunt aan, mijns inziens ten onrechte. De Commissie verplichten om, in elk geval waarin zij een "steunmaatregel door uitsparing" (uitgespaarde belastingen, uitgespaarde interest, enz.) ontdekt, de fiscale implicaties van dit voordeel volgens het toepasselijke nationale recht te berekenen, zou onredelijk zijn. Meer bepaald voor wat betreft het voorliggende geval mocht de Commissie er redelijkerwijze van uitgaan dat, wanneer tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde steun wordt overgegaan, de terugbetaling door BAe en/of RG ten belope van 33,4 miljoen UKL evengoed als een interestbetaling ter grootte van dat bedrag aanleiding zal geven tot een fiscale aftrek, zodat de "netto kost" van de terugbetaling (net als de netto-waarde van het voordeel) slechts 22 miljoen UKL bedraagt. Er bestond dus geen reden om rekening te houden met de aftrekbaarheid van de uitgespaarde interestlasten bij het berekenen van de grootte van de steunmaatregel.
Conclusie
21. Op basis van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de in de brief van 27 juni 1991 vervatte beschikking van de Commissie nietig te verklaren uit hoofde van onbevoegdheid respectievelijk de schending van wezenlijke vormvoorschriften, in zoverre deze beschikking het Verenigd Koninkrijk gelast om van verzoeksters een bedrag van 44,4 miljoen UKL terug te vorderen, en de Commissie in de kosten te verwijzen.
(*) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
(1) Zie PB 1991, C 21, blz. 2, waarin de "Mededeling overeenkomstig artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag aan de andere Lid-Staten en aan andere belanghebbenden inzake steunverlening door de Britse regering aan de Rover Group, een onderneming die motorvoertuigen fabriceert" werd gepubliceerd.
(2) Beschikking van de Commissie inzake steunverlening door de Britse regering aan de Rover Group, een onderneming die motorvoertuigen fabriceert (PB 1989, L 25, blz. 92).
(3) Artikel 1 van beschikking 89/58.
(4) Ibid.
(5) Artikel 2 van beschikking 89/58.
(6) Naast de door BAe verworven deelneming van de Britse overheid bleven er nog O,2 % van de aandelen van RG over die verspreid waren in het publiek. Niet betwist is dat BAe deze aandelen op grond van de toepasselijke wetgeving had kunnen verwerven voor ongeveer 300 000 UKL - althans indien, aldus verzoeksters, zij een "coldly commercial attitude" had aangenomen (blz. 12 van het verzoekschrift). In plaats daarvan besliste BAe de resterende aandeelhouders ten belope van 13,6 miljoen UKL te vergoeden, waarvan 10,7 miljoen UKL in geld en de rest in aandelen. Deze geïnflateerde prijs en de bijdrage van de Britse regering waren volgens BAe en RG verantwoord om redenen van sociale rechtvaardigheid en (specifiek in het geval van BAe) public relations.
(7) Zie voetnoot 1 voor de referentie.
(8) Zie de aanhef van de mededeling.
(9) Verder zag de Commissie onder meer ook een schending van beschikking 89/58 in de omstandigheid dat de door BAe bij een eventuele doorverkoop te betalen boete was verlaagd en dat de Britse autoriteiten BAe de verzekering hadden gegeven "dat zij (toekomstige) steunaanvragen van BAe voor activiteiten buiten het RG-concern welwillend zouden beschouwen". Deze aangelegenheden maken evenwel niet het voorwerp uit van de voorliggende zaak, aangezien verzoeksters enkel de vernietiging van de brief vorderen inzoverre deze brief de Britse regering gelast de hiervoor genoemde, reeds toegekende, aanvullende concessies van hen terug te vorderen.
(10) Zie blz. 3 van het verweerschrift.
(11) Zie blz. 8 en 10 van de dupliek.
(12) Zie blz. 6 en 8 van de dupliek.
(13) Voor een vergelijkbare situatie, zie PB 1991, C 11, blz. 7, waarin de Commissie haar standpunt kenbaar maakt dat Frankrijk de voorwaarden van een eerdere steunbeschikking niet heeft nageleefd.
(14) Arrest van 11 november 1981, zaak 60/81, IBM, Jurispr. 1981, blz. 2639, waarin een beroep tegen een mededeling van punten van bezwaar in het kader van een kartelprocedure werd afgewezen met de overweging dat dergelijke mededeling slechts een voorbereidende handeling is en voor de betrokken onderneming niet de verplichting meebrengt haar handelspraktijken te wijzigen.
(15) Verweerschrift van de Commissie, blz. 1, nr. 2.
(16) Arrest van 14 februari 1990, zaak C-301/87, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-307, r.o. 9-24.
(17) Arrest Boussac, r.o. 21. Op de vraag of deze beoordeling mag worden voltrokken op basis van de eerdere - geschonden - beschikking van de Commissie ga ik zo dadelijk (nr. 10) in.
(18) Arrest Boussac, r.o. 22 en 23.
(19) Ik ga daarbij uit van de hypothese dat de eerdere beschikking niet werd aangevochten in rechte binnen de gestelde termijnen en met andere woorden definitief is geworden.
(20) Arrest van 3 oktober 1991, Italië/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-4437.
(21) Arrest Italië/Commissie, r.o. 20-23.
(22) Zie de tekst van artikel 93, lid 2, eerste zin. De Commissie maakt van de opening van een nieuwe procedure steeds melding in het Publikatieblad. In het vijftiende verslag over het mededingingsbeleid (nr. 171) kondigde zij bovendien aan deze bekendmaking voortaan gepaard te zullen laten gaan van aanzienlijk meer informatie, met de bedoeling aldus de interventie van derden-belanghebbenden in een door haar geopende procedure aan te moedigen.
(23) PB 1989, L 25, blz. 95.
(24) Zie ook r.o. 23 van het arrest Boussac (hiervoor, nr. 9), waarin het Hof als regel stelt dat, wanneer een Lid-Staat in weerwil van een beschikking van de Commissie de uitbetaling van niet-aangemelde steun voortzet, de Commissie deze Lid-Staat rechtstreeks voor het Hof kan brengen - maar niet, zo knoop ik daaraan vast, de schending van die beschikking op eigen houtje kan vaststellen.
(25) Zie de in deel II van de beschikking weergegeven verkoopvoorwaarden. De door verzoeksters ter terechtzitting aangehaalde omstandigheid dat het dictum van deze beschikking niet uitdrukkelijk vermeldt dat de prijs onmiddellijk moet betaald worden kan mijns inziens niet als een verontschuldigingsgrond door verzoeksters worden ingeroepen, nu deze modaliteit van de betaling uit de motivering blijkt en onmiddellijke betaling overigens, behoudens andersluidend contractueel beding, de algemene regel is.
Full & Egal Universal Law Academy