Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In juli 1989 werd bij de Commissie een klacht ingediend door drie branche-organisaties, de Associazione Nazionale Industrie Elettrotechniche e Elettroniche (ANIE) uit Italië, de Groupement des industries de matériels d' équipement électrique et de l' électronique industrielle associée (Gimelec) uit Frankrijk, en de Asociación nacional de fabricantes de bienes de equipo (Sercobe) uit Spanje. Deze organisaties vertegenwoordigen de communautaire producenten van eenfase-elektromotoren met twee snelheden die worden gebruikt voor de vervaardiging van langzaam draaiende wasmachines (hierna: "elektromotoren"). (1) In de klacht werd gesteld, dat bij de invoer van soortgelijke elektromotoren van oorsprong uit Bulgarije, Roemenië en Tsjechoslowakije dumpingpraktijken werden toegepast, waardoor schade werd berokkend aan de bedrijfstak van de Gemeenschap. Van mening dat de klacht voldoende bewijsmateriaal bevatte, besloot de Commissie om tot inleiding van een anti-dumpingprocedure over te gaan. (2)
Op grond van haar onderzoek kwam de Commissie tot de slotsom, dat de invoer van elektromotoren van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap geen aanmerkelijke schade had berokkend. Bulgarije werd door de Commissie van dit onderzoek uitgesloten, omdat bleek, dat er in 1988 en tijdens het onderzoektijdvak, dat van 1 januari tot en met 30 september 1989 liep, geen invoer uit dat land had plaatsgevonden. Bij besluit 90/399/EEG van 26 juli 1990 (3) (hierna: "het bestreden besluit"), beëindigde de Commissie de anti-dumpingprocedure.
2. Twee van de drie klagende organisaties, namelijk Gimelec en Sercobe, en twee Italiaanse producenten van elektromotoren, namelijk Sole SpA en Nuova IB-MEI SpA, hebben gezamenlijk een beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit ingesteld. Tot staving van hun beroep voeren verzoeksters de volgende twee middelen aan: de Commissie heeft ten onrechte geconcludeerd, dat de invoer van elektromotoren van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije de bedrijfstak van de Gemeenschap geen aanmerkelijke schade heeft berokkend (punt 17 van het bestreden besluit); bovendien heeft de Commissie de invoer van oorsprong uit Bulgarije ten onrechte van haar onderzoek uitgesloten (punt 7 van het bestreden besluit).
De ontvankelijkheid
3. Zonder op dit punt door de Commissie te worden tegengesproken stellen verzoeksters, dat zij gelet op de arresten Fediol (4) en Timex (5) een recht van beroep hebben.
Mijns inziens is het beroep van de vier verzoeksters inderdaad ontvankelijk. De branche-organisaties Gimelec en Sercobe, die respectievelijk namens een Franse en een Spaanse producent optreden, zijn de mede-ondertekenaars van de anti-dumpingklacht geweest, die overeenkomstig artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2423/88 (hierna: "de basisverordening") (6) is ingediend. Sole SpA en Nuova IB-MEI SpA zijn de Italiaanse producenten uit wier naam de branche-organisatie ANIE de genoemde klacht samen met Gimelec en Sercobe heeft ingediend.
Zoals advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie in de zaak Extramet Industrie (7) heeft uiteengezet, blijkt uit de rechtspraak van het Hof en met name uit de genoemde arresten Fediol en Timex:
"dat een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld door de klager of door een onderneming die, hoewel zij de klacht niet zelf kan indienen, een leidende rol heeft gespeeld bij het indienen van de klacht. Bovendien kan een dergelijk beroep worden ingesteld tegen een mededeling waarin de verzoekster wordt te kennen gegeven, dat geen maatregel zal worden genomen, of tegen een verordening waarbij een anti-dumpingrecht wordt ingesteld" (punt 22 van de conclusie).
Gelet op deze rechtspraak lijkt het beroep tegen het besluit van de Commissie mij ontvankelijk.
Het middel, dat de Commissie ten onrechte geen schade ten gevolge van de invoer van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije heeft aangenomen
4. In punt 17 van het bestreden besluit komt de Commissie tot de conclusie, dat "de invoer van elektromotoren van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap geen aanmerkelijke schade heeft berokkend".
Volgens verzoeksters steunt deze conclusie enkel op de twee volgende gronden: in de eerste plaats de daling van het marktaandeel van de betrokken invoer; in de tweede plaats het ontbreken van invloed van deze invoer op de prijzen van de communautaire producenten.
5. Alvorens de argumenten te onderzoeken waarmee verzoeksters trachten aan te tonen dat deze beide gronden onjuist zijn, moet erop worden gewezen, dat volgens artikel 4, lid 2, van de basisverordening, zoals in het arrest Neotype Techmashexport (8) is gepreciseerd, het onderzoek van de schade een reeks factoren moet omvatten, waarbij een van deze factoren afzonderlijk beschouwd geen beslissende betekenis kan hebben. Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt, dat het niet uitsluitend op de twee door verzoeksters aangevoerde gronden steunt. In overeenstemming met de in artikel 4, lid 2, gestelde criteria heeft de Commissie een reeks van factoren in aanmerking genomen, te weten: de omvang van de invoer in absolute cijfers en in vergelijking met het verbruik in de Gemeenschap (punten 8 en 9); de prijzen van de ingevoerde produkten (punt 10); de produktie in de Gemeenschap (punt 11); de bezettingsgraad in de bedrijfstak van de Gemeenschap (punt 12); de verkopen van de bedrijfstak van de Gemeenschap en hun marktaandeel (punten 13 en 14); de verkoopprijzen van de producenten in de Gemeenschap (punt 15); de winsten van de communautaire producenten (punt 16).
Zoals de Commissie echter zelf in dupliek erkent, steunt haar conclusie dat er geen schade is, op een bepaald aantal "essentiële factoren", waaronder twee factoren die voor een groot deel samenvallen met de door verzoeksters genoemde gronden, namelijk de daling van het marktaandeel van de invoer van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije, en de stijging van de verkoopprijzen van de communautaire producenten. Aangezien het om essentiële factoren gaat, kan men niet, zoals de Commissie in haar verweerschrift doet, beweren dat ook al zouden de bezwaren van verzoeksters tegen haar beoordeling van deze twee factoren terecht zijn, het bestreden besluit, gelet op de overige in aanmerking genomen factoren, niettemin geldig zou zijn. Onder deze omstandigheden moeten de argumenten van verzoeksters met betrekking tot deze twee factoren worden onderzocht, zonder overigens het belang van de andere factoren uit het oog te verliezen.
De daling van het marktaandeel van de invoer, van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije
6. In limine uiten verzoeksters twijfel aan de betrouwbaarheid van de gegevens die de Commissie heeft gebruikt ter vaststelling van de omvang van de uitvoer uit Roemenië en Tsjechoslowakije. Deze gegevens zouden uitsluitend zijn geput uit de antwoorden die de Roemeense en de Tsjechoslowaakse exporteurs op de anti-dumping questionnaires hebben gegeven, ze zouden niet zijn gecontroleerd en niet overeenstemmen met de gegevens waarover verzoeksters beschikken.
De Commissie verklaart, dat zij als basis voor haar conclusies gewoonlijk de cijfers neemt die in de antwoorden op de questionnaires staan, zo mogelijk bevestigd door cijfers van de Eurostat-statistieken. Laatstgenoemde cijfers, waarop de gegevens in de anti-dumpingklacht stoelden, vormden in casu geen bewijs, omdat zij ook andere produkten omvatten dan die welke in de anti-dumpingprocedure aan de orde waren.
Hieruit volgt, dat de Commissie haar besluit op de gegevens heeft gebaseerd waarover zij redelijkerwijs kon beschikken. Bovendien hebben verzoeksters geen bewijsmateriaal geleverd waardoor deze gegevens zouden kunnen worden ontkracht.
7. Vervolgens voeren verzoeksters aan, dat de Commissie van het standpunt is uitgegaan, dat in artikel 4, lid 2, sub a, van de basisverordening de stijging van het marktaandeel van de betrokken invoer een conditio sine qua non vormt voor het vaststellen van schade in de zin van dit artikel. Zij zijn van mening, dat de Commissie hiermee een verkeerde uitlegging aan deze bepaling geeft.
Artikel 4, lid 2, van de basisverordening somt de factoren op die in het kader van het onderzoek naar de schade in aanmerking moeten worden genomen en vermeldt dat "een enkele of zelfs verscheidene van deze factoren niet noodzakelijkerwijze doorslaggevend zijn voor de beoordeling". Stijging van het marktaandeel van de betrokken importen is dus geen conditio sine qua non voor het vaststellen van schade. Men hoeft evenwel slechts de overwegingen van het bestreden besluit te lezen om te kunnen constateren, dat de conclusie van de Commissie dat er geen schade was, niet uitsluitend berust op de daling van het marktaandeel van de invoer. Zoals reeds gezegd in punt 5, heeft zij rekening gehouden met een aantal in artikel 4, lid 2, van de basisverordening genoemde factoren, ook al heeft zij deze daling als essentiële factor beschouwd, waartoe zij in het kader van de haar ter beschikking staande beoordelingsruimte het recht had.
8. Verzoeksters maken eveneens bezwaar tegen het feit, dat de Commissie zich bij haar onderzoek naar de schade niet tot de "vrije markt" van elektromotoren heeft beperkt. Wanneer een gedeelte van de communautaire produktie binnen de "gebonden markt" van een geïntegreerde groep wordt verkocht, kan dit gedeelte niet worden geacht deel uit te maken van normale handelstransacties en ondervindt het dus geen gevolgen van de invoer met dumping. De Commissie heeft hen duidelijk gediscrimineerd door zonder reden te weigeren, in casu haar vaste beleid te volgen om in een situatie als de onderhavige slechts rekening te houden met de "vrije markt". Had de Commissie dit wel gedaan, dan had zij vastgesteld, dat de betrokken invoer niet alleen een hoger marktaandeel vertegenwoordigde (39 tot 40 %, en meer dan 50 % op de Italiaanse markt), maar ook dat dit aandeel tussen 1986 en 1989 stabiel was gebleven dan wel licht was gestegen. Ten slotte merken zij op, dat de omvang van het marktaandeel van de invoer (bijna 25 %) zelfs in verhouding tot de "totale markt" nog aanzienlijk bleef.
9. In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat het onderzoek naar de schade krachtens artikel 4, lid 2, van de basisverordening betrekking moet hebben op: a) de omvang van de invoer, b) de prijzen van de invoer en c) de invloed van de invoer.
Verzoeksters merken terecht op, dat de invloed van de invoer (in het algemeen) slechts goed kan worden beoordeeld op de "vrije markt". Zoals zij in hun verzoekschrift zeggen, "zijn de prijzen binnen een groep 'overdrachtsprijzen' die niet noodzakelijkerwijze de afspiegeling van een economische realiteit vormen en dus niet vergelijkbaar zijn met prijzen bij normale handelstransacties met onafhankelijke kopers". Dat is overigens ook de reden waarom de Commissie in het kader van haar onderzoek naar de invloed van de invoer op de prijzen en winsten van de communautaire producenten, heeft gerefereerd aan de aankooppolitiek van de groep, waartoe een belangrijke communautaire producent behoorde (zie hierna punt 14).
10. De prijzen en winsten spelen evenwel niet dezelfde rol wanneer het gaat om de beoordeling van de omvang van de invoer waarvan in artikel 4, lid 2, sub a, van de basisverordening sprake is. Volgens deze bepaling moet de omvang van de invoer worden onderzocht:
"Waarbij in het bijzonder (9) wordt nagegaan of deze invoer aanzienlijk is toegenomen, hetzij in absolute cijfers, hetzij ten opzichte van de produktie of het verbruik in de Gemeenschap."
Uit deze bepaling zijn twee conclusies te trekken. Door de omschrijving van het doel van het te verrichten onderzoek geeft de bepaling in de eerste plaats het bijzondere belang aan, dat de gemeenschapsinstellingen kunnen of zelfs moeten hechten aan de stijging van de invoer. Zoals verzoeksters echter zelf stellen, is het marktaandeel van de betrokken invoer althans op de "vrije markt" tussen 1986 en 1989 niet gestegen.
In de tweede plaats geeft deze bepaling aan, dat wanneer de stijging van de invoer in relatieve cijfers wordt uitgedrukt, zij moet worden afgezet tegen de produktie of het verbruik in de Gemeenschap. Hieruit volgt, dat in de regel de gehele produktie of het verbruik in de Gemeenschap, dat wil zeggen de "totale markt", als vergelijkingsbasis moet dienen om het marktaandeel van de invoer vast te stellen.
11. Het is juist, dat de Commissie in sommige bijzondere procedures enkel op de "vrije markt" heeft gelet om het verloop van het marktaandeel van de betrokken invoer tot uitdrukking te brengen. Met kan evenwel niet volhouden, dat de handelwijze van de Commissie in deze procedures een vast beleid vormt. Zo beklemtoont de Commissie, dat de gemeenschapsinstellingen in de anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van meerfasige elektromotoren (10) de omvang van de invoer, zoals in casu, hebben bepaald voor de "totale markt". Bovendien noemt zij meerdere (niet door verzoeksters betwiste) feitelijke elementen die hebben geleid tot haar opvatting, dat het aandeel van de invoer op de "totale markt", gelet op de verwevenheid van beide marktsegmenten, in casu een beter beeld kon geven van de marktontwikkeling. Zowel de ingevoerde als de van oorsprong communautaire elektromotoren worden op dezelfde markt verkocht en voor hetzelfde doel gebruikt, namelijk ter vervaardiging van wasmachines. Bovendien verkopen de producenten van elektromotoren die zijn verbonden met wasmachineproducenten (te weten de Franse vennootschap Selni, verbonden met de Thomsom-groep, en de Italiaanse vennootschap Sole, thans verbonden met de Electrolux-groep) eveneens aan andere wasmachineproducenten en berekenen hierbij praktisch dezelfde prijzen als bij verkopen aan de wasmachineproducenten waarmee zij zijn verbonden. Ten slotte kopen de betrokken wasmachineproducenten (te weten die van de Thomson-groep en van de Electrolux-groep) eveneens ingevoerde elektromotoren alsmede motoren die door de twee zogenaamde onafhankelijke producenten zijn vervaardigd (te weten de Spaanse vennootschap IB-MEI en haar Italiaanse dochteronderneming Nuova IB-MEI).
Nog steeds zonder door verzoeksters te worden weersproken, stelt de Commissie eveneens, dat het onderscheid tussen de "vrije markt" en de "gebonden markt" enkel voor één met een groep verbonden onderneming (namelijk de Franse vennootschap Selni) had kunnen worden gemaakt. De Italiaanse vennootschap Sole, die in oktober 1987 van de Zanussi-groep naar de Electrolux-groep is overgegaan, heeft de Commissie namelijk geen gegevens verstrekt op grond waarvan zij tussen de vrije en gebonden verkopen in de jaren 1986-1988 had kunnen differentiëren.
Onder deze omstandigheden lijkt het mij terecht, dat de Commissie de ontwikkeling van het marktaandeel van de invoer op basis van de "totale markt" heeft beoordeeld.
12. In hun pleidooien ter terechtzitting stelden verzoeksters, dat zich in deze zaak dezelfde situatie voordoet als in de procedure waarin de Raad bij verordening (EEG) nr. 864/87 een anti-dumpingrecht instelde op de invoer van meerfasige elektromotoren.
In deze verordening heeft de Raad inderdaad vastgesteld, dat de communautaire producenten door de betrokken invoer schade hadden geleden, ondanks dat hun marktaandeel was gedaald. De Commissie heeft er evenwel terecht op gewezen, dat de situaties niet vergelijkbaar zijn. Zoals ik reeds in mijn conclusie (in punt 34) in de bij noot 10 aangehaalde zaken vermeldde, werd de anti-dumpingprocedure die tot verordening nr. 864/87 heeft geleid, geopend om na te gaan of de verbintenissen tot prijsverhoging, die de exporteurs van meerfasige motoren hadden aangeboden en door de Raad en de Commissie waren aanvaard, volstonden om de tijdens de vorige procedure vastgestelde schade op te heffen. Buiten het geval dat de eerdere maatregelen geen enkel effect hadden gehad, was het een logische constatering, dat het marktaandeel van de invoer van meerfasige motoren was gedaald, zij het onvoldoende. In de onderhavige zaak gaat het er echter niet om vast te stellen, of de schade is opgeheven, maar of schade is ontstaan. In dit licht heeft de Commissie volgens mij de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid niet overschreden door de daling van het marktaandeel van de betrokken invoer als een essentiële factor te beschouwen voor haar conclusie, dat geen schade is berokkend.
De invloed van de invoer op de prijzen van de communautaire producenten
13. In de punten 15 en 16 van de overwegingen van het bestreden besluit bespreekt de Commissie de verkoopprijzen en de winsten van de communautaire producenten. In punt 17 trekt zij de volgende conclusie:
"De producenten hebben hun verkoopprijzen, ondanks het bestaan van prijsonderbieding, aanzienlijk kunnen verhogen. Argumenten over een onvoldoende prijsverhoging konden niet voldoende geverifieerd worden en schenen niet ter zake te doen aangezien bij twee van deze producenten de prijzen door de moedermaatschappij, fabrikant van wasmachines, werden opgelegd.
Dientengevolge is de Commissie niet in staat de verslechtering van de financiële positie die tijdens het onderzoek schijnt te zijn opgetreden, aan de bewuste invoer toe te schrijven."
14. Om te beginnen stellen verzoeksters, dat deze conclusie op een motivering berust die niet aan de vereisten van artikel 190 EEG-Verdrag voldoet, omdat de identiteit van de communautaire producenten niet wordt vermeld en de aangevoerde redenen gedeeltelijk in elkaar overlopen.
Zoals het Hof in zijn arrest Nakajima All Precision (11) opmerkte, is het vaste rechtspraak dat:
"de door artikel 190 EEG-Verdrag verlangde motivering de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig dient te doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardingsgronden van de genomen maatregelen kunnen kennen en hun rechten kunnen verdedigen, en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen".
Mijns inziens voldoet de motivering van de Commissie in de punten 15-17 van de overwegingen van het bestreden besluit aan de door het Hof in zijn rechtspraak gestelde voorwaarden. De communautaire producenten worden inderdaad in de bewuste passages niet bij naam genoemd, maar uit de tekst kan niettemin worden afgeleid, welke van de in punt 5 van het bestreden besluit bij naam genoemde producenten in deze passages worden bedoeld.
15. Vervolgens betogen verzoeksters, dat de motivering van de conclusie in punt 17 fundamenteel onsamenhangend is, omdat stelselmatig wordt getracht om voor de "verslechtering van de financiële positie van de communautaire producenten" een andere verklaring te vinden dan de invloed van de betrokken invoer. Dit zou duidelijk blijken, wanneer de financiële positie van elke communautaire producent afzonderlijk wordt onderzocht. Hierbij merken verzoeksters in het bijzonder op, dat toen de Commissie de omvang van de invoer onderzocht uitgaande van de "totale markt", zij de door een producent geleden verliezen haastig heeft toegeschreven aan de aankooppolitiek van zijn groep. Ook stellen zij, dat de stijging van de verkoopprijzen van de communautaire producenten tijdens het onderzoektijdvak het ontbreken van schade niet kan rechtvaardigen, omdat deze stijging (ongeveer 3 tot 4 %) voortvloeide uit hogere produktiekosten ten gevolge van de stijging van de wereldkoperprijs in 1989 en de financiële positie van de communautaire producenten dus niet had kunnen herstellen.
16. Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, dat de instellingen bij de beoordeling van ingewikkelde economische situaties over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikken (zie met name r.o. 86 van het arrest Nakajima All Precision, reeds aangehaald). Dit geldt met name ten aanzien van de keuze en de beoordeling van de economische elementen die relevant zijn ter vaststelling van de invloed van de invoer met dumping op de produktie in de Gemeenschap. In casu heeft de Commissie groot belang gehecht aan de omstandigheid, dat de communautaire producenten hun verkoopprijzen in de door het onderzoek bestreken periode hadden kunnen verhogen. Deze economische factor wordt uitdrukkelijk vermeld in de indicatieve opsomming (12) in artikel 4, lid 2, sub c, van de basisverordening:
"- (vijfde streepje) prijzen (dat wil zeggen neerwaartse druk op de prijzen of het niet plaatsvinden van prijsverhogingen die anders zouden hebben plaatsgevonden)".
Verzoeksters merken terecht op, dat op grond van deze bepaling ook in geval van een stijging van de verkoopprijzen van de communautaire producenten schade kan worden vastgesteld, indien blijkt, dat deze stijging zonder de beweerde invoer met dumping nog hoger zou zijn uitgevallen. Sommige communautaire producenten hebben tijdens het onderzoek dan ook gesteld, dat de invoer van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije hen heeft verhinderd de prijzen aan te passen aan de stijging van de produktiekosten. Uit punt 16 van de overwegingen van het bestreden besluit blijkt, dat de Commissie dit argument op twee gronden afwijst.
17. In de eerste plaats heeft de Commissie opgemerkt, dat zij niet in staat is geweest dit argument te verifiëren, aangezien twee ondernemingen die bijna de helft van de produktie van de Gemeenschap vertegenwoordigden (Sole en Nuova IB-MEI), geen gegevens hadden verstrekt over hun financiële positie in de aan het onderzoektijdvak voorafgaande jaren. Deze opmerking is belangrijk. Uit de bewoordingen zelf van artikel 4, lid 2, sub c, van de basisverordening blijkt, dat de invloed van de invoer moet worden beoordeeld aan de hand van tendensen in de desbetreffende economische factoren. Derhalve kunnen pas goede conclusies met betrekking tot de invloed van de invoer worden getrokken, wanneer de financiële positie van de communautaire producenten ten tijde van het onderzoek kan worden vergeleken met die in eerdere jaren. Een dergelijke vergelijking klemde in casu des te meer, omdat de omvang van de betrokken invoer tussen 1986 en 1989 vrijwel niet was gestegen.
Vervolgens heeft de Commissie opgemerkt, dat twee van de vier communautaire producenten winst maakten en twee verlies leden. Eén van de verlieslijdende bedrijven (Nuova IB-MEI) was een dochteronderneming van een onafhankelijke producent die winst maakte (IB-MEI). De andere verlieslijdende producent (Sole) maakte deel uit van een geïntegreerde groep. De Commissie heeft vastgesteld, dat de financiële positie van laatstgenoemde producent eerder een gevolg was van het aankoopbeleid van die groep dan van de invloed van de betrokken invoer. Deze constatering is door verzoeksters niet bestreden. Zij beklemtonen slechts, dat de Commissie hier wel een argument ontleent aan de integratie van de producent in een groep, terwijl zij met deze situatie geen rekening wenste te houden bij de beoordeling van het marktaandeel van de invoer. Ik begrijp evenwel niet, waarom deze handelwijze van de Commissie tegenstrijdig zou zijn. Zoals reeds gezegd in punt 9, merken verzoeksters zelf op, dat de invloed van de invoer (in het algemeen) slechts kan worden beoordeeld op de "vrije markt", omdat de verkopen binnen de groep niet noodzakelijkerwijs normale handelstransacties zijn en de daarop gebaseerde resultaten dus niet noodzakelijkerwijs een economische realiteit weergeven.
18. Wat betreft de invloed van de stijging van de wereldkoperprijs op de produktiekosten heeft de Commissie ter terechtzitting verklaard, dat zij na controle van de tijdens het onderzoektijdvak betaalde rekeningen niet had kunnen vaststellen, dat alle communautaire producenten die invloed ondervonden. Zonder op dit punt door verzoeksters te zijn weersproken, heeft de Commissie betoogd, dat de in die tijd opgetreden stijging van de wereldkoperprijs niet in de prijzen was terug te vinden die tijdens deze periode aan sommige producenten in rekening waren gebracht. Onder deze omstandigheden heeft de Commissie volgens mij terecht niet bewezen geacht, dat de produktiekosten tijdens het onderzoektijdvak waren gestegen ten gevolge van de stijging van de koperprijs gedurende die periode. Verzoeksters hebben overigens geen enkel bewijs aangevoerd dat de door de Commissie op dit punt getrokken conclusie zou kunnen ontkrachten.
19. Gelet op het voorgaande heeft de Commissie mijns inziens de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid niet overschreden door te concluderen, dat de kennelijke verslechtering van de financiële resultaten van de communautaire producenten niet aan de bewuste invoer kon worden toegeschreven.
Het middel betreffende de invoer van oorsprong uit Bulgarije
20. In de anti-dumpingklacht hebben de branche-organisaties de aandacht van de Commissie gevestigd op de dreiging van schade door de invoer van elektromotoren van oorsprong uit Bulgarije. Blijkens een uittreksel van deze klacht, in bijlage bij het verzoekschrift opgenomen, hebben zij dit in de volgende bewoordingen gedaan:
"Het verschijnsel van de invoer uit Bulgarije is recenter en blijft vooralsnog beperkt tot Spanje. Klaagsters hebben echter alle reden om aan te nemen, dat deze invoer weldra dezelfde omvang zal bereiken als die uit Roemenië en Tsjechoslowakije. Het blijkt namelijk, dat uit Bulgarije afkomstige motoren momenteel bij diverse grote constructeurs van wasmachines in Spanje, Frankrijk en Italië worden getest. Zodra deze testprocedures zijn beëindigd (hetgeen gemiddeld één à twee jaar duurt), zullen naar alle waarschijnlijkheid grote orders bij de importeurs van deze motoren worden geplaatst. De eerste invoer die thans in Spanje plaatsvindt kan dus als een voorbode worden beschouwd van een Bulgaarse penetratie op de markt van de Gemeenschap, die voor de communautaire producenten een reële dreiging van schade vormt."
De klacht bevatte eveneens een tabel, waaruit bleek dat in 1988 50 000 elektromotoren van oorsprong uit Bulgarije in Spanje waren ingevoerd.
In punt 7 van de overwegingen van het bestreden besluit zegt de Commissie Bulgarije van het onderzoek te hebben uitgesloten "omdat bleek, dat er in 1988 en tijdens het onderzoektijdvak geen invoer uit dat land had plaatsgevonden".
21. Verzoeksters zijn van mening dat de uitsluiting van de invoer van oorsprong uit Bulgarije nergens op lijkt te berusten en verzoeken om nietigverklaring van dit besluit.
De Commissie stelt, dat haar besluit om de invoer van oorsprong uit Bulgarije uit te sluiten, op drie informatiebronnen berust. In de eerste plaats bevatten de Eurostat-statistieken geen gegevens over invoer van elektromotoren van oorsprong uit Bulgarije. Bovendien had de Bulgaarse exporteur verklaard, dat hij in 1988 en 1989 geen motoren naar de Gemeenschap had uitgevoerd. Ten slotte had de Spaanse douane bevestigd, dat er zowel in 1988 als tijdens het onderzoektijdvak geen elektromotoren van oorsprong uit Bulgarije waren ingevoerd.
Verzoeksters voeren geen enkel bewijs aan op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld, dat in 1988 50 000 elektromotoren van oorsprong uit Bulgarije in Spanje zijn ingevoerd, zoals in de anti-dumpingklacht wordt gesteld. Evenmin bestrijden zij de stelling van de Commissie, dat er tijdens het onderzoektijdvak helemaal geen motoren van oorsprong uit Bulgarije zijn ingevoerd.
Onder deze omstandigheden is het middel dat de uitsluiting van de invoer van oorsprong uit Bulgarije nergens op berust, ongegrond.
22. Hetzelfde geldt voor het argument van verzoeksters in hun repliek, dat de Commissie niet alleen bij de Spaanse douane, maar ook bij de Italiaanse en de Franse douane had moeten controleren of er motoren waren ingevoerd.
De Commissie heeft een aanvullende controle bij de Spaanse douane verricht, omdat de verklaring van de Bulgaarse exporteur en de Eurostat-gegevens niet overeenstemden met de bewering van klaagsters, dat in 1988 50 000 elektromotoren in Spanje zouden zijn ingevoerd. Voor de invoer in Italië of in Frankrijk van elektromotoren van oorsprong uit Bulgarije bevatte het dossier echter geen enkele aanwijzing die een aanvullende controle had kunnen rechtvaardigen. Het feit dat een dergelijke aanvullende controle niet is verricht voor de importen in Italië en in Frankrijk, kan de Commissie derhalve niet worden verweten.
Conclusie
23. Ik geef het Hof in overweging, het beroep te verwerpen en verzoeksters in de kosten te verwijzen.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) De betrokken elektromotoren vallen onder GN-Code 8501 40 90. Opgemerkt zij, dat deze motoren uitsluitend worden gebruikt in wasmachines bestemd voor de markten in het zuiden van de Gemeenschap. Wegens het vochtige en minder zonnige klimaat in het noorden van de Gemeenschap worden aldaar wasmachines verkocht met motoren die met een hogere snelheid kunnen centrifugeren.
(2) Bericht van inleiding van een anti-dumpingprocedure met betrekking tot de invoer van bepaalde eenfase-elektromotoren met twee snelheden, van oorsprong uit Bulgarije, Roemenië en Tsjechoslowakije (PB 1989, C 286, blz. 11).
(3) Besluit van de Commissie tot beëindiging van de anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde eenfase-elektromotoren met twee snelheden, van oorsprong uit Bulgarije, Roemenië en Tsjechoslowakije (PB 1990, L 202, blz. 47).
(4) Arrest van 4 oktober 1983 (zaak 191/82, Jurispr. 1983, blz. 2913).
(5) Arrest van 20 maart 1985 (zaak 264/82, Jurispr. 1985, blz. 849).
(6) Verordening van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1988, L 209, blz. 1).
(7) Conclusie van 21 maart 1991 in zaak C-358/89 (arrest van 16 mei 1991, Jurispr. 1991, blz. 2501, I-2507); zie in het bijzonder de punten 18 tot en met 22.
(8) Arrest van 11 juli 1990 (gevoegde zaken C-305/86 en C-160/87, Jurispr. 1990, blz. I-2945, r.o. 50).
(9) In het Deens "isaer"; in het Duits "insbesondere"; in het Engels "in particular"; in het Frans "notamment"; in het Grieks "**i**"; in het Italiaans "soprattutto"; in het Portugees "nomeadamente"; in het Spaans "especialmente".
(10) Verordening (EEG) nr. 864/87 van de Raad van 23 maart 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kilowatt tot en met 75 kilowatt, van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Tsjechoslowakije en de Sowjet-Unie en definitieve inning van de bedragen die als waarborg voor het voorlopige recht zijn gesteld (PB 1987, L 83, blz. 1). Het Hof heeft deze verordening onderzocht in zijn arresten van 11 juli 1990 (gevoegde zaken C-304/86 en C-185/87, Enital, Jurispr. 1990, blz. I-2939; zaak Neotype Techmashexport, reeds aangehaald; gevoegde zaken C-320/86 en C-188/87, Stanko France, Jurispr. 1990, blz. I-3013; zaak C-157/87, Electroimpex, Jurispr. 1990, blz. I-3021; en zaak C-323/88, Sermes, Jurispr. 1990, blz. I-3027).
(11) Arrest van 7 mei 1991 (zaak C-69/89, Jurispr. 1991, blz. I-2069, r.o. 14).
(12) Zie arrest van 5 oktober 1988 (gevoegde zaken 273/85 en 107/86, Silver Seiko, Jurispr. 1988, blz. 5927, r.o. 40).
Full & Egal Universal Law Academy