Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De Bondsrepubliek Duitsland en de vennootschap Pleuger Worthington GmbH (hierna: "Pleuger") verzoeken om nietigverklaring van een beschikking van de Commissie van 18 juli 1990(1), waarbij deze een steunregeling voor locatiebinding van ondernemingen, die de stad Hamburg zonder voorafgaande kennisgeving aan de Commissie had ingevoerd, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard.
2. Ik zal een korte uiteenzetting geven van de feiten, en verwijs voor het overige naar het rapport ter terechtzitting.(2)
3. In de loop van 1986 kwam de Commissie op informele wijze te weten, dat Hamburg de vennootschap Montblanc-Simplo GmbH een subsidie had verleend. Daarop verzocht zij de Bondsrepubliek Duitsland om nadere inlichtingen. Op 22 oktober 1987 bevestigde de Bondsrepubliek, dat deze steun daadwerkelijk was verleend, en dat zij deze gerechtvaardigd achtte, nu het risico bestond dat de onderneming haar produktie zou verplaatsen naar een Zuidoostaziatisch land met lagere loonkosten.
4. Op 15 april 1988 erkende de Bondsrepubliek Duitsland echter, dat deze subsidie bedoeld was om de sterke concurrentie tegen te gaan die de stad Hamburg ondervond van steun verleend door gebieden die aan de voormalige Duitse Democratische Republiek grenzen. Zij deelde bovendien de naam mee van drie andere ondernemingen die soortgelijke subsidies hadden ontvangen, zonder echter die van Pleuger te vermelden.
5. Gelet op een en ander, kwam de Commissie op 3 mei 1989(3) tot de conclusie, dat
"bovenbedoelde steun naar alle waarschijnlijkheid beantwoordt aan de criteria van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag (...)",
en dat,
"wat eventuele andere rechtvaardigingsgronden voor de toekenning van deze steun betreft, (...) in het huidige stadium, (...) de door de stad Hamburg verleende steun niet voor een afwijking overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen in aanmerking komt",
waarop zij besloot de procedure van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag in te leiden.
6. De Commissie vernam op 7 november 1989 tijdens een onderhoud met vertegenwoordigers van de Bondsrepubliek Duitsland en de stad Hamburg, dat de Hamburger Kreditkommission tussen 1986 en 1988 in 33 gevallen steun had verleend; de namen van de steunontvangende ondernemingen werden echter niet medegedeeld. De Commissie verzocht om mededeling van inlichtingen over elke steunmaatregel, in het bijzonder de namen van de begunstigden, de geïnvesteerde bedragen, het subsidiebedrag, het aantal arbeidsplaatsen in Hamburg en de omzet.
7. Op 8 december 1989 publiceerde de Commissie in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen een mededeling, waarin zij het volgende stelde:
"Hoewel deze steun zeer waarschijnlijk steunmaatregelen met zich brengt in de zin van artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag, zijn het desbetreffende programma, de begroting en de individuele gevallen de Commissie niet medegedeeld."(4)
In die mededeling maande zij de "andere belanghebbenden dan de Lid-Staten aan, haar binnen een maand (...) hun opmerkingen dienaangaande toe te zenden (...)".
8. Bij brief van 3 januari 1990 deelde de Bondsrepubliek Duitsland de Commissie bepaalde inlichtingen mee. Naar aanleiding van dit schrijven heeft de Commissie de onderhavige beschikking gegeven, waarin zij zich op het standpunt plaatst, dat deze subsidies steunmaatregelen in de zin van artikel 92, lid 1, zijn, die deel uitmaken van een regionaal programma bedoeld om te voorkomen dat ondernemingen zich elders zouden vestigen, zodat er geen aanleiding bestond om elke afzonderlijke steunmaatregel ten gronde te onderzoeken.
9. Zij kwam dus tot de conclusie, dat het programma onregelmatig was wegens niet-aanmelding, dat het onverenigbaar was met artikel 92, lid 1, en dat een afwijking overeenkomstig artikel 92, lid 3, sub a of c, niet mogelijk was.
10. Vooraf wil ik een opmerking maken over de onregelmatigheid van een niet-aangemelde steunmaatregel, nu de beschikking ten dele op niet-aanmelding gebaseerd is.
11. Zoals de verzoekende vennootschap terecht stelt, kan schending van de aanmeldingsplicht van artikel 93, lid 3, EEG-Verdrag op zich niet tot onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt leiden.
12. In dit verband kan worden volstaan met op te merken, onder verwijzing naar het arrest Frankrijk/Commissie(5), dat verweerster in de onderhavige zaak tot staving van haar verweermiddel van onverenigbaarheid niet het ontbreken van aanmelding heeft ingeroepen.
13. Bij mijn onderzoek van verzoeksters' middelen zal ik als volgt te werk gaan:
- eerst zal ik het hebben over de middelen die betrekking hebben op de regels voor steunmaatregelen in het algemeen, en voor steunprogramma' s in het bijzonder,
- en dan over de middelen die betrekking hebben op de met name door Pleuger gestelde schending van de rechten van de verdediging.
14. In het eerste deel zal ik het hebben over de grieven betreffende het rechtskarakter van de verleende subsidie, het bestaan van een regionaal programma, schending van artikel 92, lid 1, ontoereikende motivering, verplichting tot vrijstelling uit hoofde van de regeling inzake steunmaatregelen van geringe betekenis, verenigbaarheid met artikel 92, lid 3, en, ten slotte, schending van het non-discriminatiebeginsel.
15. Het tweede deel zal gaan over de schending van artikel 93, lid 2, en het vereiste van motivering van de verplichting om de steun terug te betalen.
I - De regels voor steunmaatregelen en steunprogramma' s
A - Het rechtskarakter van de verleende subsidie
16. Pleuger betwist de juridische kwalificatie van de verleende subsidie en is van mening, dat deze geen steunmaatregel vormt, nu:
"(...) zij de financiële tegemoetkoming evengoed (...) door samenvoeging van haar produktie-eenheden in de regio Hamburg had kunnen verkrijgen".(6)
17. Deze opvatting is kennelijk in strijd met de rechtspraak van het Hof over de definitie van steunmaatregelen.
18. Op grond van artikel 92 kan immers
"elke maatregel van de staat, die leidt tot steunverlening in enigerlei vorm, (...) op zijn verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt (...) worden getoetst".(7)
19. En in het arrest Denkavit(8) heeft het Hof als steunmaatregelen aangemerkt:
"(...) besluiten van de Lid-Staten, waardoor deze met het oog op de verwezenlijking van eigen economische en sociale doeleinden, eenzijdig en autonoom geldmiddelen ter beschikking van ondernemingen of andere rechtssubjecten stellen of hun voordelen verschaffen om de verwezenlijking van de nagestreefde economische of sociale doelstellingen te bevorderen".(9)
20. Door bepaalde ondernemingen subsidies te verlenen, heeft de stad Hamburg, ongeacht de hiervoor aangevoerde redenen, steun verleend in de zin van artikel 92, lid 1.
21. Ik concludeer derhalve tot afwijzing van dit middel.
B - Het bestaan van een regionaal programma
22. Van het grootste belang is, of de Commissie op grond van de beschikbare gegevens die haar door de verzoekende Lid-Staat waren medegedeeld, mocht concluderen dat er sprake was van een steunprogramma.
23. De Duitse regering heeft zowel in haar schriftelijke opmerkingen als ter terechtzitting het aan de beschikking van de Commissie ten grondslag liggende vermoeden van het bestaan van een steunprogramma bestreden, en heeft hierbij de nadruk gelegd op de omstandigheden waaronder de betrokken subsidies werden verleend. Sommige subsidies waren zeker bedoeld om het wegtrekken van ondernemingen te voorkomen, doch andere vonden hun rechtvaardiging in totaal verschillende redenen zoals stedebouwkundige vereisten, bescherming van het grondwater of bodemconsolidering.(10) Deze redenen zouden dus geen verband houden met de idee die ten grondslag ligt aan de beschikking van de Commissie, dat het de bedoeling zou zijn geweest de ondernemingen ertoe te bewegen hun werkzaamheden in de stad Hamburg te blijven verrichten.
24. In dit verband wil ik er vooraf aan herinneren, dat
"(...) de wettigheid van de litigieuze beschikking moet worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie kon beschikken op het ogenblik waarop zij haar beschikking gaf".(11)
25. Volgens voormelde brief van 3 mei 1989, had de tegen de steunmaatregelen van de stad Hamburg ingeleide procedure van artikel 93, lid 2, betrekking op een programma, nu het daarin heette, dat
"het desbetreffende programma, de begroting en de individuele gevallen (...) de Commissie niet (zijn) medegedeeld".(12)
26. Volgens de Bondsrepubliek Duitsland was in de mededeling in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 8 december 1989(13) niet langer sprake van een "programma", zodat zij terecht mocht aannemen, dat de Commissie had besloten de procedure alleen tegen de individuele steunmaatregelen te richten.
27. Waar de Franse tekst van deze mededeling spreekt van "programme à la base de celles-ci", namelijk de steunmaatregelen, luidt de Duitse tekst als volgt:
"Es handelt sich hierbei hoechstwahrscheinlich um Beihilfen im Sinne von Artikel 92 Absatz 1 EWG-Vertrag, fuer die weder die zugrundeliegende Regelung noch der Haushaltstitel oder einzelne Anwendungsfaelle der Kommission gemeldet worden sind."(14)
28. Ondanks het gebruik van het woord "Regelung" (regeling) moet worden vastgesteld, dat dit woord in de context van de zaak en overeenkomstig de premisse waarop de Commissie zich vanaf de inleiding van de procedure van artikel 93, lid 2, heeft gebaseerd, ontegenzeglijk betekende, dat de procedure in de eerste plaats was gericht tegen het programma en alleen dientengevolge tegen de betrokken steunmaatregelen.
29. Uit de tekst van de mededeling - die, zoals gezegd, voor andere belanghebbenden dan de Lid-Staten bedoeld was - blijkt duidelijk, dat de Commissie op een steunprogramma doelde. De mededeling betreft niet een of meer individuele steunmaatregelen, doch wel een geheel van steunmaatregelen die aan gemeenschappelijke, in dit geval geografische, criteria beantwoorden.
30. Nu de Commissie en de Bondsrepubliek Duitsland het echter niet eens zijn over hetgeen tijdens het onderhoud van 7 november 1989 is gezegd, rijst de vraag welke de rol van de partijen is geweest in de loop van de procedure van artikel 93, lid 2.
31. In dit verband wil ik eraan herinneren, dat de Commissie in dit kader niet over soortgelijke onderzoeksmiddelen beschikt als inzake mededinging. In de onderhavige materie beperkt zij zich ertoe, de verenigbaarheid van de steunmaatregelen te onderzoeken op basis van de haar verstrekte informatie.
32. Na het onderhoud verstrekte de Bondsrepubliek Duitsland bepaalde inlichtingen, waarbij zij als enige reden voor de steunverlening "de locatiebinding van ondernemingen" aangaf.(15) Het argument dat het in dit geval slechts om een generieke of vereenvoudigde kwalificatie ging, acht ik niet overtuigend, nu deze inlichtingen de Commissie juist waren verstrekt om haar in staat te stellen de verenigbaarheid van de betrokken subsidies met het EEG-Verdrag te onderzoeken.
33. De verzoekende Lid-Staat kan dus ná de bestreden beschikking ter rechtvaardiging van de subsidies geen nieuwe argumenten aanvoeren, die hij tijdens de administratieve procedure niet ter kennis heeft gebracht van de Commissie, die hem had verzocht haar alle nodige inlichtingen te verschaffen om het bestaan en/of de verenigbaarheid van dit programma te onderzoeken.
34. Stellen dat de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland had moeten "aanmanen" de inlichtingen te verstrekken ten bewijze dat er geen programma was, is in dit opzicht niet alleen een miskenning van de respectieve rol van de Commissie en de Lid-Staten, maar ook de rechtspraak van het Hof.
35. Ten aanzien van het eerste punt, volstaat het eraan te herinneren, dat de Commissie geen onderzoeksbevoegdheden heeft.
36. Wat de rechtspraak van het Hof betreft, beperk ik mij tot een verwijzing naar het arrest Frankrijk/Commissie(16), waarin het heet, dat de Commissie,
"wanneer [zij] vaststelt dat een steunmaatregel zonder voorafgaande aanmelding is ingevoerd of gewijzigd, (...) bevoegd (is) om de betrokken Lid-Staat, na deze in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken, (...) te gelasten (...) [haar], binnen de door haar vastgestelde termijn, alle documenten, inlichtingen en gegevens te verschaffen die nodig zijn om de steunmaatregel te onderzoeken op zijn verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt".(17)
37. Bij de inleiding van de procedure heeft de Commissie echter, met een uitdrukkelijke verwijzing naar het "aan deze steun ten grondslag liggende programma"(18), opgemerkt dat de Duitse regering haar geen inlichtingen heeft verschaft omtrent de "wettelijke bepalingen op basis waarvan deze steun was verleend, dat wil zeggen de titel van de toepasselijke wet, haar publikatiedatum, doelstellingen en duur, de voorwaarden voor steunverlening, de omschrijving van de begunstigden, de begroting etc."(19), en heeft zij de Duitse regering verzocht haar binnen een maand haar standpunt mee te delen.
38. In haar brief van 3 januari 1990, dat wil zeggen zeven maanden na verloop van die termijn, heeft de Duitse regering de Commissie onder de generieke titel "locatiebinding van ondernemingen" bepaalde inlichtingen meegedeeld over de begunstigde ondernemingen. In die brief werd het bestaan van een programma niet betwist en werd geen enkel argument aangevoerd dat als grondslag voor een dergelijke betwisting zou kunnen dienen.
39. In deze omstandigheden was de Commissie, gelijk het Hof oordeelde in het arrest Frankrijk/Commissie (reeds aangehaald),
"bevoegd de procedure te beëindigen en op basis van de haar ter beschikking staande gegevens vast te stellen, of de steunmaatregel al dan niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt".(20)
40. Op deze grond heeft het Hof in zijn arrest België/Commissie(21) bij de beoordeling van de regelmatigheid van een beschikking van de Commissie geweigerd rekening te houden met een herstructureringsplan waarvan de Commissie weliswaar kennis had gekregen, doch dat haar in het kader van de administratieve procedure niet was meegedeeld.
41. Ik zal dus onderzoeken, of de Commissie, gelet op de gegevens waarover zij beschikte, op goede gronden tot de conclusie kon komen dat er een steunprogramma bestond.
42. In het arrest Duitsland/Commissie(22) heeft het Hof het begrip steunprogramma, zij het indirect, omschreven. De Commissie had zich in de desbetreffende zaak op het standpunt geplaatst, dat regionale steunmaatregelen absoluut onverenigbaar waren met de gemeenschappelijke markt.
43. Het Hof oordeelde echter,
"dat de steunprogramma' s ofwel een gehele economische sector betreffen, ofwel een regionale strekking hebben en dus bedoeld zijn om de ondernemingen ertoe aan te zetten in een bepaalde streek te investeren".(23)
44. De feiten van de zaak waren evenwel geheel anders, nu er een kaderwet voor regionale steunmaatregelen bestond, zodat de discussie absoluut niet ging over de definitie van het programma, waarvan het bestaan niet in geding was, maar over de verenigbaarheid ervan met de verdragsregels.
45. Aan de orde in de onderhavige zaak is de omschrijving van dit begrip, in het kader waarvan ik de criteria voor een regionaal programma zal vaststellen en de inhoud ervan afbakenen.
46. Het beslissende kenmerk van een dergelijk programma is mijns inziens het doel dat door een of meer overheidsinstanties aan de steunmaatregel wordt toegekend.
47. Van belang is daarbij niet of het om dezelfde overheidsinstantie gaat, omdat anders de beoordeling van het regionale karakter van het programma zou verschillen naargelang een of meer plaatselijke overheden de verschillende subsidies hebben verleend.
48. Het publiciteitscriterium kan evenmin deel uitmaken van dit begrip. Doorzichtigheid bestaat alleen wanneer de steunmaatregelen vooraf bij de Commissie zijn aangemeld, en ontbreekt dus noodzakelijkerwijs wanneer de overheidsinstantie heeft besloten hiervan af te zien. Deze moet dus wel inzien dat de steun in strijd is met de verdragsregels.
49. Het begrip regionaal steunprogramma kan evenmin worden gepreciseerd door te bepalen wie voor subsidie in aanmerking komt, nu zoals ik reeds zei, anders dan bij sectoriële steun, ondernemingen met verschillende activiteiten hiervan kunnen profiteren.
50. Beter dan van deze organieke of formele criteria, kan worden uitgegaan van een functioneel criterium waarbij alleen het doel van het programma telt.
51. Wat het onderhavige geval betreft, zij eraan herinnerd, dat de locatiebinding van de ondernemingen in elk concreet geval het doel van de steunmaatregel was.(24)
52. Mocht het Hof echter van mening zijn, dat de doelstelling op zich niet volstaat om tot het bestaan van een regionaal programma te concluderen, dan nog blijkt uit de door de Commissie in de bestreden beschikking aangevoerde gegevens dat het wel degelijk om een dergelijk programma gaat.
53. De Commissie heeft namelijk opgemerkt, dat
"(...) alle 33 gevallen van steunverlening (...) door dezelfde, speciaal daarvoor ingestelde instantie (de 'Hamburger Kreditkommission' ) met dezelfde doelstelling (het voorkomen van vestiging elders) en op grond van een en dezelfde begrotingslijn (werden) toegekend".(25)
54. Nu er een steunprogramma was, geldt ter zake wat het Hof in zijn arrest Duitsland/Commissie (reeds aangehaald) verklaarde:
"In het geval van een steunprogramma behoeft de Commissie slechts de kenmerken van dit programma te onderzoeken om te kunnen beoordelen of dit programma op grond van de hoge steunbedragen of -percentages, de kenmerken van de gesteunde investeringen of andere daarin vastgelegde modaliteiten, de begunstigden een merkbaar voordeel verschaft ten opzichte van hun concurrenten en naar zijn aard voornamelijk ten goede komt aan ondernemingen die deelnemen aan het handelsverkeer tussen Lid-Staten."(26)
55. In een dergelijk geval moet de Commissie aan de hand van de in dit arrest genoemde kenmerken de gevolgen beoordelen die het programma op zich heeft voor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en de mededinging. Daarnaast kan evenwel niet worden verlangd, dat zij elke steunmaatregel afzonderlijk onderzoekt, nu dit hierop zou neerkomen, dat de Lid-Staten die hun programma niet vooraf hebben aangemeld, zouden worden bevoordeeld.
56. Er zij namelijk aan herinnerd, dat een Lid-Staat die een programma aanmeldt, geen individuele steun kan toekennen zolang de Commissie niet de verenigbaarheid van deze steun met de verdragsregels heeft onderzocht. Dit is gewoon de toepassing van de regel van artikel 93, lid 3, EEG-Verdrag.
57. In een weliswaar geheel andere context - het betrof individuele steunmaatregelen -, die toch raakpunten vertoont met de onderhavige zaak, oordeelde het Hof met betrekking tot niet-aangemelde steunmaatregelen(27):
"Zo de Commissie in haar beschikking de werkelijke invloed van de reeds verleende steun moest aantonen, zou dit er immers toe leiden, dat Lid-Staten die steun verlenen zonder zich te houden aan de in artikel 93, lid 3, EEG-Verdrag neergelegde aanmeldingsplicht, worden bevoordeeld boven Lid-Staten die hun steunvoornemens wél aanmelden."(28)
58. Dit arrest illustreert duidelijk onder welke omstandigheden de Commissie een niet vooraf aangemelde steunmaatregel of -programma moet onderzoeken. Zoals zij geen rekening moet houden met de impact van een steunmaatregel, moet zij bij een steunprogramma ook alleen de voornaamste kenmerken ervan onderzoeken, zonder dat de Lid-Staat die heeft "nagelaten" een programma aan te melden, hiervan profijt mag kunnen trekken.
59. Pleuger stelt echter, dat het Hof in een ander arrest Frankrijk/Commissie(29), betreffende door het Fonds industriel de modernisation aan bepaalde ondernemingen verstrekte leningen, deze zienswijze heeft tegengesproken.
60. Ik zie daarin echter geen enkele tegenspraak, nu de Commissie in laatstgenoemde zaak de invoering van een dergelijke regeling in principe had toegestaan, doch vooraf op de hoogte wenste te worden gesteld van "significante individuele gevallen", waarin de voorwaarden waaronder het handelsverkeer binnen de Gemeenschap plaatsvindt, door de toekenning van steun zodanig kunnen worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.(30)
61. Dit middel moet dus worden afgewezen.
C - Schending van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag
62. Verzoeksters stellen, dat artikel 92, lid 1, niet van toepassing is, omdat de steunmaatregelen niet leiden tot een vervalsing van de mededinging of een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de Lid-Staten, en dus verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. Zoals gezegd, zal de toetsing van de verenigbaarheid echter beperkt blijven tot het programma, zulks overeenkomstig de regel uit het arrest Duitsland/Commissie (reeds aangehaald).
63. Een dergelijk onderzoek zal noodzakelijkerwijs minder indringend zijn dan indien het een sectorieel steunprogramma betrof, en nog minder dan in een geval van individuele steun. In dit verband wil ik er overigens op wijzen, dat de vertegenwoordigers van de regeringen der Lid-Staten in een resolutie van 20 oktober 1971(31) hebben opgemerkt, dat
"het ontbreken van sectoriële specificiteit in de algemene steunregelingen met regionale strekking (...) voor de beoordeling van deze regelingen een moeilijkheid (oplevert) (...)".(32)
64. De Commissie heeft in de bestreden beschikking vastgesteld, dat de gemiddelde intensiteit van de verleende steun tot gevolg had, "dat de steunontvangende ondernemingen een aanzienlijk voordeel (genieten) ten opzichte van hun niet-gesubsidieerde concurrenten".
65. De intensiteit van de steun was van dien aard, dat zij de beslissing van de begunstigde ondernemingen over hun vestigingsplaats kon beïnvloeden, omdat de stad Hamburg kosten die zij normaliter zelf moesten dragen, voor haar rekening nam. Gedurende de periode 1986-1988 was voor deze steun op de begroting een aanzienlijk bedrag ingeschreven, namelijk 27,3 miljoen DM.
66. In het arrest Philip Morris(33) zette het Hof uiteen, dat
"(...) de steun (zou) hebben bijgedragen in de kosten van de ombouw van de produktie-installaties en zodoende aan verzoekster een voordeel hebben verschaft in de concurrentie met fabrikanten die op eigen kosten een soortgelijke uitbreiding van de produktiecapaciteit van hun installaties hebben gerealiseerd of van plan zijn te realiseren".(34)
67. In een arrest Frankrijk/Commissie(35), waarin het nettosubsidie-equivalent van de door de Franse regering verleende steun 5,5 % bedroeg, oordeelde het Hof, dat
"(...) de voorgenomen steunmaatregel (...) de begunstigde ondernemingen in staat (stelt) hun investeringskosten te drukken en (...) aldus de concurrentiepositie van deze ondernemingen (versterkt) ten opzichte van andere ondernemingen in de Gemeenschap".(36)
68. Dit kan eveneens het geval zijn, wanneer de steunmaatregelen ondernemingen in een Lid-Staat in staat stellen hun produktie te handhaven, en daarmee voor concurrerende ondernemingen in andere Lid-Staten de mogelijkheid beperken hun produkten in die Lid-Staat in te voeren. In het arrest Frankrijk/Commissie van 13 juli 1988(37) heet het namelijk, dat
"(...) steun aan een onderneming (...) evenwel het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig (kan) beïnvloeden en de mededinging vervalsen, zelfs indien die onderneming niet zelf deelneemt aan de uitvoer doch zich in een situatie bevindt dat zij moet concurreren met produkten uit andere Lid-Staten. Een dergelijke situatie kan zich ook voordoen, wanneer in de betrokken sector geen overcapaciteit bestaat."(38)
69. Wat de beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de Lid-Staten betreft, herinner ik eraan dat,
"wanneer financiële steun van een staat de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt, (...) dit handelsverkeer (moet) worden geacht door de steun te worden beïnvloed".(39)
70. Het Hof bevestigde dit in zijn arrest België/Commissie(40), waarin het verklaarde, dat
"(...) de betrekkelijk geringe omvang van een steun of de betrekkelijk geringe omvang van de betrokken onderneming (...) niet a priori de mogelijkheid (uitsluit) dat het handelsverkeer tussen Lid-Staten ongunstig wordt beïnvloed".(41)
71. In het geval van een steunprogramma behoeft de Commissie slechts te onderzoeken of dit programma
"(...) naar zijn aard voornamelijk ten goede komt aan ondernemingen die deelnemen aan het handelsverkeer tussen Lid-Staten".(42)
72. Door de onduidelijkheid van de toekenningscriteria, kon elke onderneming die aan dit handelsverkeer deelnam, aanspraak maken op steun.
73. Ook dit middel moet dus worden afgewezen.
D - Ontoereikende motivering
74. Wat het middel ontleend aan ontoereikende motivering betreft, volstaat als grond voor afwijzing, dat de Commissie in de bestreden beschikking uitvoerig is ingegaan op de relevante economische en sociale gegevens die
"(...) het Hof in staat moeten stellen tot het uitoefenen van zijn rechtmatigheidscontrole en de betrokkene de nodige gegevens moeten verschaffen om uit te maken of het besluit gegrond is of niet".(43)
E - Het recht op vrijstelling krachtens de bepalingen inzake steunmaatregelen van geringe betekenis
75. Volgens de verzoekende Lid-Staat vallen sommige steunmaatregelen binnen het toepassingsgebied van de richtsnoeren van de Commissie inzake steunmaatregelen van geringe betekenis, waarvan de laatste op 20 februari 1990 is gepubliceerd(44), zodat daarvoor vrijstelling had moeten worden verleend.
76. Afgezien van het feit dat aanmelding een voorwaarde is voor goedkeuring, heet het in dit document uitdrukkelijk:
"In principe zal de Commissie geen bezwaar maken tegen steunregelingen van geringe betekenis die krachtens artikel 93, lid 3, van het EEG-Verdrag zijn aangemeld"(45)
en aan bepaalde criteria voldoen.
77. Naast het vereiste van aanmelding vooraf, moeten alle onder de regeling vallende steunmaatregelen dus aan de criteria voldoen (omvang van de onderneming, steunintensiteit, etc.). Bovendien beschikt de Commissie nog steeds over een discretionaire bevoegdheid ter zake.
78. In die zin oordeelde het Hof in een arrest Italië/Commissie(46), in een zaak waarin Italië het door de Commissie aanvaarde plafond voor de steunintensiteit had opgetrokken op grond dat dit het midden- en kleinbedrijf ten goede moest komen, dat ingevolge de richtsnoeren van de Commissie in aanmerking komt voor een voorkeursbehandeling,
"(...) dat de belangen die kenmerkend zijn voor deze categorie ondernemingen het voor de Commissie in elk geval mogelijk maken bij de beoordeling van de verenigbaarheid van steunmaatregelen met het Verdrag een grotere soepelheid aan de dag te leggen, doch dat zij haar niet verplichten alle steunregelingen die deze ondernemingen ten goede komen automatisch goed te keuren".(47)
79. Dit middel kan derhalve niet slagen.
F - De verenigbaarheid van het programma met artikel 92, lid 3, EEG-Verdrag
80. Volgens de Bondsrepubliek Duitsland is het programma verenigbaar met artikel 92, lid 3, inzonderheid sub c, aangezien zij niet stelt dat het Land Hamburg een abnormaal lage levensstandaard heeft of een ernstig gebrek aan werkgelegenheid. Van haar kant voert Pleuger zonder nadere precisering schending aan van artikel 92, lid 3.(48)
81. Uit voormeld arrest Duitsland/Commissie volgt:
"Wanneer een regionaal steunprogramma aan de voorwaarden van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag voldoet, moet vervolgens worden nagegaan of het onder één van de bij artikel 92, lid 3, sub a en c, EEG-Verdrag toegestane afwijkingen valt. Uit het gebruik van de begrippen 'abnormaal' en 'ernstig' in artikel 92, lid 3, sub a, blijkt dat deze afwijking enkel geldt voor streken wier economische toestand, vergeleken met die van de gehele Gemeenschap, bijzonder ongunstig is. De sub c geformuleerde afwijking is echter ruimer, doordat zij ziet op de ontwikkeling van bepaalde streken, zonder dat aan de economische voorwaarden van lid 3, sub a, moet zijn voldaan, mits door de betrokken steunmaatregelen 'de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt (...) niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad' . Deze bepaling verleent de Commissie de bevoegdheid om de Lid-Staten toe te staan, steunmaatregelen te treffen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken die het nationaal gemiddelde niet halen."(49)
82. Zoals gezegd in mijn conclusie in die zaak(50), komt het mij voor, dat met het nagestreefde doel in overeenstemming is, de methode van de Commissie die erin bestaat het bruto binnenlands produkt per inwoner (hierna: "BBP/inwoner") en de werkloosheidssituatie in de betrokken gebieden te vergelijken met de gemeenschapsgemiddelden, en vervolgens aan de hand van economische indicatoren de eventuele behoeften aan regionale steun te rangschikken volgens de tussen de verschillende nationale regio' s bestaande dispariteiten, zonder het communautaire perspectief uit het oog te verliezen.
83. Deze methode is ook in de onderhavige zaak toegepast.
84. Wat de concrete toepassing ervan betreft, heeft de Commissie, overeenkomstig de voor de toepassing van artikel 92, lid 3, sub a(51), gebruikte methode, vastgesteld, dat de stad Hamburg niet voor een afwijking uit hoofde van die bepaling in aanmerking kwam, omdat het naar koopkracht gecorrigeerde BBP/inwoner, niet minder dan 75 % van het gemeenschapsgemiddelde bedroeg. Het naar koopkracht gecorrigeerde BBP gaf immers een index te zien van 187,7 (100 is het gemeenschapsgemiddelde).
85. De methode van de Commissie maakt het mogelijk aan de hand van deze criteria vast te stellen welke regio' s voor toepassing van die bepaling in aanmerking komen; de regio Hamburg, waar geen ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst en waar de levensstandaard in vergelijking met het gemeenschapsgemiddelde niet abnormaal laag is, moet daarbij buiten beschouwing blijven. Aangezien het om objectieve criteria gaat, mag de taak van de Commissie niet nodeloos zwaarder worden gemaakt door van haar te verlangen, dat zij haar beoordeling nogmaals uiteenzet, wanneer zij, zoals in de onderhavige zaak, uitdrukkelijk naar haar mededeling in het Publikatieblad verwijst, die overigens ten gevolge van de ontwikkeling van de sociaal-economische omstandigheden wijzigingen heeft ondergaan.
86. Wat de afwijking van artikel 92, lid 3, sub c, betreft, bestaat de werkwijze(52) van de Commissie erin, dat aan de hand van verschillende indicatoren de sociaal-economische situatie van een regio zowel in de nationale als in de communautaire context wordt onderzocht, en vergeleken met het nationale gemiddelde.
87. Uit de eerste fase van het onderzoek blijkt, dat het BBP per hoofd over de periode 1983-1987 (162,9) noch het werkloosheidscijfer (126,5) de door de stad Hamburg verleende steun konden rechtvaardigen (nationaal gemiddelde: 100).
88. In de tweede fase van het onderzoek heeft de Commissie de ontwikkeling van het werkloosheidscijfer en het BBP onderzocht, en bovendien een aantal andere sociaal-economische factoren in de beschouwing betrokken. Daarbij is gebleken, dat het werkloosheidscijfer in 1988 duidelijk is gestegen en twee punten boven de grenswaarde (143) lag, doch dat het BBP per hoofd gedurende de periode 1983-1987 gestadig is gegroeid en een indexcijfer van 165 heeft bereikt (nationaal gemiddelde: 100), wat erop wijst dat Hamburg vanuit economisch oogpunt de wind in de zeilen had.
89. De verzoekende Lid-Staat betwist echter de berekeningsgrondslag van het werkloosheidscijfer. Tijdens de administratieve procedure had de Commissie hem bij brief van 6 januari 1988(53) laten weten, dat
"volgens de berekeningen van de Commissie (...) het nationale gemiddelde van de regionale cijfers voor 1986 10 % (bedraagt), en wordt aan de hand van dit cijfer, de werkgelegenheidssituatie in Hamburg beoordeeld. Mochten de berekeningen van de Bondsregering tot een ander cijfer leiden, dan verzoekt de Commissie haar dit mede te delen."
Op dit verzoek is elke reactie uitgebleven.
90. Het onderzoek is afgerond met een sociaal-economische doorlichting van het arbeidsmarktrayon Hamburg waaruit bleek, dat het BBP boven, en het werkloosheidscijfer onder het nationale gemiddelde lagen.(54)
91. Wat de ter rechtvaardiging van de afwijking aangevoerde verslechtering van de sociale situatie in de scheepsbouw betreft, merkte de Commissie op, dat tussen 1984 en 1986 in die sector 1 100 arbeidsplaatsen zijn verdwenen, maar dat de werkgelegenheidssituatie sedert 1988 weer verbeterd is.
92. Nu de Commissie niet buiten de grenzen van de haar volgens het Hof toekomende discretionaire bevoegdheid is getreden(55), en zij haar beschikking naar behoren heeft gemotiveerd, moet worden vastgesteld, dat zij
"(...) geen argument heeft kunnen ontdekken, op grond waarvan vastgesteld kan worden dat de technische voorwaarden voor toepassing van een der uitzonderingsbepalingen van artikel 92, lid 3, EEG-Verdrag op de voorgenomen steunmaatregel [in casu het steunprogramma] aanwezig zijn".(56)
93. Ook dit middel moet dus worden afgewezen.
G - Schending van het non-discriminatiebeginsel
94. Wat de gestelde schending van het non-discriminatiebeginsel betreft, moet ik in de eerste plaats het argument afwijzen, dat de bestreden steunmaatregelen gerechtvaardigd zouden zijn door de sterke concurrentie die de stad Hamburg ondervond, doordat zij vlak bij de aan de voormalige Duitse Democratische Republiek grenzende gebieden ligt.
95. Gelijk de Commissie in de bestreden beschikking heeft opgemerkt, vallen deze gebieden onder artikel 92, lid 2, sub c, dat niet geldt voor de stad Hamburg, aangezien die niet tot het "Zonenrandgebiet" behoort.
96. Zou de stad Hamburg om die reden een afwijking worden toegestaan, dan zou dit in de eerste plaats tot gevolg hebben, dat een onderneming de voordelen zou verliezen die de vestiging in een benadeeld gebied haar oplevert, zodat het regionaal beleid ten gunste van dat gebied gedoemd zou zijn te mislukken. In de tweede plaats zouden naburige gebieden hierdoor onder druk komen te staan om nog gunstiger steunvoorwaarden te bieden. Dit houdt het risico in, dat in alle Lid-Staten van de Gemeenschap, zeker wanneer zij over ruime financiële middelen beschikken, een moeilijk te beheersen neiging ontstaat om steeds meer subsidies toe te kennen, waardoor de inspanningen om het niveau van de benadeelde gebieden op het gemiddelde peil van de Gemeenschap te brengen, teniet worden gedaan.
97. Wat het tweede argument betreft, dat de Commissie Denemarken heeft toegestaan steun te verlenen aan Zuid-Jutland, een aan het "Zonenrandgebiet" grenzend gebied, zonder dat haar beschikking(57) in sociaal-economisch opzicht gerechtvaardigd was, kan worden volstaan met op te merken dat, gesteld dat er sprake is van een onregelmatigheid, zulks niet kan betekenen dat andere met de verdragsregels strijdige steunmaatregelen daardoor ook geldig worden.
98. Het Hof heeft namelijk in zijn arrest Williams(58) verklaard, dat
"de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling (...) te verenigen (moet) zijn met de eerbiediging van het legaliteitsbeginsel, dat meebrengt dat niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren (...)".(59)
99. In casu verlangt het legaliteitsbeginsel, dat een verenigbaarheidsbeschikking uitsluitend op objectieve "economische en sociale"(60) gegevens is gebaseerd. In de bestreden beschikking heeft de Commissie deze gegevens naar behoren in aanmerking genomen en onderzocht, en is het legaliteitsbeginsel in acht genomen, zodat de Bondsrepubliek Duitsland zich niet op schending van het non-discriminatiebeginsel kan beroepen.
II - Regels inzake de eerbiediging van de rechten van de verdediging
100. Nu is vastgesteld, dat er een steunprogramma bestond dat onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt was, moeten de middelen van Pleuger betreffende de eerbiediging van de rechten van de verdediging worden onderzocht.
A - Schending van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag
101. De Commissie zou artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag hebben geschonden, doordat zij de begunstigde onderneming, voordat zij de bestreden beschikking gaf, niet expliciet heeft aangemaand haar opmerkingen te maken.
102. Het Hof heeft in zijn arrest Intermills(61) verklaard, dat
"(...) artikel 93, lid 2, (...) geen individuele aanmaning van particulieren (vereist). Het heeft slechts tot doel de Commissie te verplichten, ervoor te zorgen dat alle potentiële belanghebbenden op de hoogte worden gebracht en in de gelegenheid worden gesteld, hun argumenten te doen gelden. Zo gezien lijkt een mededeling in het Publikatieblad een doeltreffend middel om alle belanghebbenden op de hoogte te brengen van het feit dat een procedure is ingeleid."(62)
103. Regionale steunmaatregelen hebben een specifiek karakter en betreffen zeer uiteenlopende sectoren en steunontvangers, zodat een mededeling in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen onvermijdelijk minder nauwkeurig is dan bij sectoriële steunmaatregelen.
104. In de mededeling van de Commissie van 8 december 1989 in het Publikatieblad was vermeld dat de bestreden steun door de stad Hamburg was verleend aan ondernemingen in de regio Hamburg, voornamelijk in de vorm van een investeringssubsidie, zodat het voor Pleuger en de andere betrokken ondernemingen - die, zoals gezegd, op dat tijdstip niet alle bekend waren bij de Commissie - geen probleem kon zijn om daarvan kennis te nemen en opmerkingen in te dienen.
105. Dit middel moet dus worden afgewezen.
B - Motivering van de verplichting om de steun terug te betalen
106. De verzoekende onderneming is van mening, dat de bestreden beschikking niet voldoet aan het motiveringsvereiste(63) dat het Hof heeft ontwikkeld in zijn rechtspraak, inzonderheid in twee arresten van 21 maart 1991(64), en dus nietig moet worden verklaard.
107. Dit middel is in dupliek aangevoerd, en is ontegenzeglijk nieuw. Het kan echter niet niet-ontvankelijk worden verklaard, nu ingevolge artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering een nieuw middel mag worden voorgedragen, mits het steunt op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. De twee hierboven aangehaalde arresten zijn gewezen toen het beroep in de onderhavige zaak reeds was ingesteld.
108. Alvorens in te gaan op de mogelijke invloed van deze twee arresten op de motiveringsverplichting inzake de terugbetaling van de met de verdragsregels onverenigbare subsidies, wil ik de rechtspraak van het Hof op dit gebied in herinnering brengen.
109. In het arrest Commissie/Duitsland(65) verklaarde het Hof, dat artikel 93, lid 2, weliswaar enkel spreekt van opheffing of wijziging, maar dat de Commissie toch bevoegd is terugbetaling van de in strijd met het EEG-Verdrag verleende steun te verlangen. Deze opvatting was gebaseerd op de nuttige werking van die bepaling.
110. In het arrest "Tubemeuse"(66) verwierp het Hof het argument waarmee de Belgische regering de evenredigheid van de maatregel van terugvordering betwistte, op grond dat
"(...) de ongedaanmaking van een onwettige steun door middel van terugvordering het logische gevolg is van de vaststelling dat de steun onwettig is".(67)
111. Uit de rechtspraak van het Hof zou kunnen worden afgeleid, dat wanneer de onverenigbaarheidsbeschikking is gemotiveerd, de terugbetaling van de in strijd met de verdragsregels verleende steun zonder verdere formaliteiten kan worden gelast. Dit was overigens ook de zienswijze van advocaat-generaal Van Gerven in zijn conclusie in beide bovengenoemde zaken.(68)
112. Het Hof heeft in die twee arresten evenwel niet hetzelfde standpunt ingenomen, zodat zij afzonderlijk moeten worden besproken.
113. In het arrest Italië-Alfa Romeo/Commissie(69) was het bezwaar van de Italiaanse Republiek gericht tegen het feit dat de vaststelling van de onderneming die de steun diende terug te betalen, niet was gemotiveerd en stelde zij, dat de Commissie moest aantonen, dat het marktevenwicht zou worden verstoord indien de steun niet werd teruggevorderd. Aangaande de eerste grief oordeelde het Hof, dat de Commissie in haar beschikking de vaststelling van de begunstigde van de steun naar behoren had gemotiveerd, en verwees het voor de tweede grief naar zijn rechtspraak, volgens welke
"(...) de ongedaanmaking van een onwettige steun door middel van terugvordering het logische gevolg is van de vaststelling dat de steun onwettig is".(70)
114. In het arrest Italië-ENI-Lanerossi/Commissie(71) ging het over ontoereikende motivering van de terugvordering van de steun, die de Commissie gerechtvaardigd achtte door "de ernst en de omvang van de inbreuk".
115. Het Hof herinnerde om te beginnen aan zijn rechtspraak inzake de motivering van bezwarende besluiten, volgens welke:
"(...) de motivering van een besluit de betrokkene de gegevens (dient) te verschaffen die nodig zijn om te kunnen nagaan of het besluit al dan niet gegrond is, en om het Hof in staat te stellen tot een wettigheidstoetsing".(72)
116. Volgens het Hof,
"(is) het bevel tot terugvordering van het gehele steunbedrag (...) gemotiveerd met 'de ernst en de omvang van de inbreuk' . Ofschoon een dergelijke motivering op zich beschouwd al te summier kan lijken, moet erop worden gewezen, dat zij is opgenomen in een beschikking die een omstandige uiteenzetting bevat over de gevolgen van de in geding zijnde steun voor een sector in crisis (...)".(73)
117. Betekent dit, dat het Hof met deze uitspraak een andere richting is ingeslagen?
118. Ik geloof het niet. Wanneer de Commissie namelijk de onwettigheid van een steunmaatregel vaststelt, volstaat dit om de terugvordering te rechtvaardigen.
119. Wanneer steunmaatregelen niet zijn aangemeld en dus in strijd met het Verdrag zijn verleend, zou het overdreven zijn van de Commissie te verlangen dat zij tot staving van haar beschikking nog andere gronden aanvoert dan de loutere vaststelling dat de steun onwettig was. Een dergelijk vereiste zou zeer zeker Lid-Staten bevoordelen die, in strijd met artikel 93, lid 3, EEG-Verdrag, hun steunmaatregelen niet vooraf hebben aangemeld. Aangezien die bepaling de betrokken Lid-Staat tot de eindbeslissing van de Commissie verbiedt de voorgenomen steun te verlenen, moet de Commissie, indien de steun volgens haar onverenigbaar is met het Verdrag, de terugvordering ervan niet specifiek motiveren, aangezien ervan mag worden uitgegaan dat de steun nog niet is verleend.
120. De Commissie heeft de onverenigbaarheid van het steunprogramma vastgesteld en gemotiveerd, zodat haar beschikking mijns inziens voldoet aan de vereisten van artikel 190 EEG-Verdrag.
121. Zou het Hof echter van oordeel zijn, dat deze oplossing de rechten van de betrokkenen niet voldoende beschermt, dan kan erop worden gewezen, dat de Commissie de Duitse regering bij het begin van de procedure heeft laten weten, dat elke vóór de afsluiting van de procedure verleende steun kon worden teruggevorderd, welke mogelijkheid zij in haar mededeling in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen overigens nogmaals heeft vermeld.
122. Bovendien is de terugvordering volledig in overeenstemming met de onverenigbaarheidsbeschikking, die aan het licht heeft gebracht hoezeer de weerslag en de hoogte van de steunmaatregelen het welslagen van een regionaal beleid in gevaar kunnen brengen.
123. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, het beroep te verwerpen, en in zaak C-324/90 de Bondsrepubliek Duitsland, en in zaak C-342/90 de vennootschap Pleuger Worthington GmbH te verwijzen in de kosten van de procedure.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) - Beschikking 91/389/EEG van de Commissie betreffende steunmaatregelen van de vrije Hanzestad Hamburg (PB 1991, L 215, blz. 1).
(2) - Rapport ter terechtzitting: I. De feiten.
(3) - Brief van 3 mei 1989, SG(89) D/5660. Bijlage 7 bij het verweerschrift in zaak C-324/90.
(4) - Mededeling C-11/89 (PB 1989, C 309, blz. 3).
(5) - Arrest van 14 februari 1990, zaak C-301/87, Jurispr. 1990, blz. I-307, r.o. 9-24.
(6) - Punt 43 van het verzoekschrift.
(7) - Arrest van 30 januari 1985, zaak 290/83, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1985, blz. 439, r.o. 13.
(8) - Arrest van 27 maart 1980, zaak 61/79, Jurispr. 1980, blz. 1205.
(9) - R.o. 31.
(10) - Verzoekschrift van de Duitse regering, blz. 4 en 18-43.
(11) - Arrest van 10 juli 1986, zaak 234/84, België/Commissie, Jurispr. 1986, blz. 2263, r.o. 16.
(12) - Derde alinea van bijlage 7 bij het verweerschrift in zaak C-324/90.
(13) - PB 1989, C 309, blz. 3.
(14) - Punt 2.
(15) - Bijlage 2 bij het verweerschrift van de Commissie in zaak C-324/90.
(16) - Arrest in zaak C-301/87, reeds aangehaald.
(17) - R.o. 19.
(18) - Brief van 3 mei 1989, reeds aangehaald.
(19) - Vierde alinea, cursivering door mij.
(20) - Rechtsoverweging 22. In dezelfde zin het arrest van 21 maart 1990, zaak C-142/87, België/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-959, r.o. 18.
(21) - Arrest in zaak 234/84, reeds aangehaald.
(22) - Arrest van 14 oktober 1987, zaak 248/84, Jurispr. 1987, blz. 4013.
(23) - R.o. 18.
(24) - Dat in alle contracten was bepaald dat het subsidiebedrag moest worden terugbetaald, indien de zetel of de activiteiten van de onderneming werden verplaatst of het personeelsbestand om andere dan conjuncturele redenen met meer dan 20 % werd ingekrompen, staaft de stelling van de Commissie. Uit een dergelijke voorwaarde blijkt immers, dat de steun om individuele redenen werd verleend en niet een groter algemeen belang dient.
(25) - Beschikking 91/389/EEG, reeds aangehaald, blz. 5.
(26) - R.o. 18.
(27) - Arrest in zaak C-301/87, reeds aangehaald.
(28) - R.o. 33.
(29) - Arrest van 13 juli 1988, zaak 102/87, Jurispr. 1988, blz. 4067.
(30) - R.o. 6.
(31) - Eerste resolutie van de Vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de algemene steunregelingen met regionale strekking (PB 1971, C 111, blz. 1).
(32) - Punt 6.
(33) - Arrest van 17 september 1980, zaak 730/79, Jurispr. 1980, blz. 2671.
(34) - R.o. 11.
(35) - Arrest van 11 november 1987, zaak 259/85, Jurispr. 1987, blz. 4393.
(36) - R.o. 24.
(37) - Zie eveneens het arrest van 21 maart 1991, zaak C-303/88, Italië/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1433, r.o. 27.
(38) - R.o. 19.
(39) - Arrest van 17 september 1980, zaak 730/79, reeds aangehaald, r.o. 11.
(40) - Arrest in zaak C-142/87, reeds aangehaald.
(41) - R.o. 43.
(42) - Arrest in zaak 248/84, reeds aangehaald, r.o. 18.
(43) - Arrest van 13 maart 1985, gevoegde zaken 296/82 en 318/82, Nederland en Leeuwarder Papierwarenfabriek, Jurispr. 1985, blz. 809, r.o. 19.
(44) - Aanmelding van steunmaatregelen van geringe betekenis (PB 1990, C 40, blz. 2).
(45) - Tweede alinea, cursivering van mij.
(46) - Arrest van 28 april 1993, zaak C-364/90, Jurispr. 1993, blz. I-2097.
(47) - R.o. 24.
(48) - Gesteld dat een streek als benadeeld wordt beschouwd, moet erop worden gewezen dat, gelijk J. Biancarelli schrijft, (...) la reconnaissance du caractère défavorisé de la région en cause n' emporte aucun droit à l' attribution d' une aide. Il faut, en outre, un caractère structurant de cette dernière, ce qui équivaut à la condamnation des aides de sauvetage (Actualité juridique, Droit administratif, 20 juni 1993, nr. 6, blz. 412, in het bijzonder op blz. 425).
(49) - R.o. 19.
(50) - Punt 10, vierde alinea, in fine.
(51) - Mededeling van de Commissie inzake de wijze van toepassing van artikel 92, lid 3, onder a) en c), van het EEG-Verdrag op regionale steunmaatregelen (PB 1988, C 212, blz. 2).
(52) - Zie voetnoot 51.
(53) - Bijlage 9 bij het verweerschrift in zaak C-324/90.
(54) - Bestreden beschikking, blz. 7.
(55) - Arrest in zaak 730/79, reeds aangehaald, r.o. 24.
(56) - Ibidem, r.o. 18.
(57) - Beschikking 87/573/EEG van de Commissie van 15 juli 1987 inzake de nieuwe afbakening, met ingang van 1 januari 1987, van de regionale steungebieden in Denemarken (PB 1987, L 347, blz. 64).
(58) - Arrest van 4 juli 1985, zaak 134/84, Jurispr. 1985, blz. 2225. In dezelfde zin het arrest van 2 mei 1985, zaak 246/83, De Angelis, Jurispr. 1985, blz. 1253, r.o. 17.
(59) - R.o. 14.
(60) - Arrest in zaak 730/79, reeds aangehaald, r.o. 24.
(61) - Arrest van 14 november 1984, zaak 323/82, Jurispr. 1984, blz. 3809.
(62) - R.o. 17.
(63) - Aangaande de terugbetaling van de op onrechtmatige wijze verleende steun heet het in de bestreden beschikking: Daar de steunmaatregelen van de vrije Hanzestad Hamburg op onrechtmatige wijze zijn verleend, moeten zij voor zover zij reeds zijn uitbetaald, door de steunontvangende ondernemingen worden terugbetaald. Deze eis van terugbetaling is het logische gevolg van de onrechtmatigheid en de onverenigbaarheid van een steunmaatregel en aangezien het hier, met name ten aanzien van de in artikel 93, lid 3, vervatte verplichting van aanmelding van een nieuwe steunmaatregel, een fundamentele bepaling betreft, mag ervan worden uitgegaan dat iedere onderneming die overheidssteun ontvangt, zich ervan bewust moet zijn dat een zodanige steun bij de Commissie vooraf moet worden aangemeld en dat bij ontstentenis daarvan terugbetaling van de steun kan worden verlangd. (IV, punt 14, derde alinea).
(64) - Zaken C-303/88, Italië-ENI-Lanerossi/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1433, en C-305/89, Italië-Alfa Romeo/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1603.
(65) - Arrest van 12 juli 1973, zaak 70/72, Jurispr. 1973, blz. 813.
(66) - Arrest van 21 maart 1990, zaak C-142/87, België/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-959.
(67) - R.o. 66.
(68) - In zijn conclusie in de zaak ENI-Lanerossi stelde advocaat-generaal Van Gerven het volgende: (...) de Commissie antwoordt daarop dat al uit de tekst van artikel 93, tweede lid, van het Verdrag - die bepaling spreekt over opheffen (of wijzigen) van de steunmaatregel - duidelijk blijkt dat geen specifieke motivering nodig is voor het terugvorderingsbevel. Reeds uit het arrest in zaak 70/72 kan worden afgeleid dat de motivering die de Commissie in haar beschikking moet geven betrekking heeft op de onverenigbaarheid van de steunmaatregel met het Verdrag; zodra die gemotiveerd is kan de Commissie meteen de terugvordering eisen. Deze opvatting lijkt mij juist te zijn. (punt 23, tweede alinea). In zijn conclusie de zaak Alfa Romeo merkte hij op: De terugvordering, zo voegt het arrest van 21 maart 1990 in zaak C-142/87 eraan toe, is de logische consequentie van de vaststelling van onverenigbaarheid die dus geen, zo leid ik daaruit af, bijzondere motivering vereist. (punt 21).
(69) - Arrest in zaak C-305/89, reeds aangehaald.
(70) - R.o. 41.
(71) - Arrest in zaak C-303/88, reeds aangehaald.
(72) - R.o. 52.
(73) - R.o. 54.
Full & Egal Universal Law Academy