Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Met het onderhavige beroep verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen, dat de Helleense Republiek, door op personenauto' s een gedifferentieerd belastingstelsel toe te passen, in het bijzonder door gebruik te maken van verschillende regels voor de berekening van de grondslag van de bijzondere verbruiksbelasting, zodat uit andere Lid-Staten ingevoerde auto' s zwaarder worden belast dan die welke in Griekenland geassembleerd zijn, de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2. Bij wet nr. 363/1976, zoals aangevuld en gewijzigd bij de wetten nrs. 1003/1979 en 1591/1986, is in Griekenland een bijzondere verbruiksbelasting op ingevoerde of in het land geproduceerde (geassembleerde) voertuigen ingevoerd (hierna: "belasting").
Overeenkomstig artikel 1, lid 3, van die wet bestaat de grondslag van de belasting op ingevoerde auto' s in de som van de nettogroothandelsprijs van de auto af fabriek (een prijs die niet meer dan 25 % mag afwijken van de catalogusprijs van die auto in het land van produktie) en de prijs van eventuele opties; bij deze som komt vervolgens een toeslag van 21 % wanneer de auto direct bij de fabrikant is gekocht, en van 23,2 % in de overige gevallen, alsmede een extra toeslag van 7 % om rekening te houden met de verzekerings- en transportkosten van de auto (voor uit overzee afkomstige auto' s is dit percentage vastgesteld op 25 %).
Wet nr. 1573/1985 onderwerpt de Griekse automobielindustrie aan een stelsel van douanetoezicht en bepaalt met name, dat de belasting op in Griekenland geproduceerde auto' s door de douane-autoriteiten wordt geïnd op het moment van toelating tot het vrije verkeer.
In het bijzonder bepaalt artikel 4, lid 2, dat voor die auto' s de belastinggrondslag wordt berekend op basis van de prijs af fabriek, die vermeld is op de lijst welke door de automobielindustrie is gedeponeerd bij het met de controle van prijzen belaste comité, en het preciseert voorts, dat de fiscale lasten van welke aard ook, die in de kostprijs van de auto zijn begrepen, geen bestanddeel van de prijs vormen.
Ten slotte zijn krachtens artikel 3, lid 1, van dezelfde wet de uit het buitenland ingevoerde of op het nationale grondgebied door de automobielindustrie verworven grondstoffen vrijgesteld van fiscale heffingen van welke aard ook ten gunste van de staat of van derden, met uitzondering van de douanerechten die bepaald zijn door de communautaire regelgeving voor uit derde landen afkomstige grondstoffen.
3. In haar kritiek op de hierboven beschreven wettelijke regeling brengt de Commissie met name naar voren, dat een dergelijk gedifferentieerd systeem voor de berekening van de belastinggrondslag in Griekenland geproduceerde auto' s bevoordeelt ten opzichte van die welke zijn ingevoerd uit andere Lid-Staten, hetgeen in strijd is met het beginsel van fiscale non-discriminatie, opgenomen in artikel 95 van het Verdrag.
De door de Commissie gestelde discriminatie zou hoofdzakelijk gelegen zijn in het feit, dat voor ingevoerde auto' s in een forfaitaire verhoging van de belastinggrondslag is voorzien, terwijl in Griekenland geassembleerde auto' s worden belast op basis van reële gegevens, namelijk de prijs af fabriek.
De Commissie wijst er voorts op, dat er voor een dergelijke differentiatie geen objectieve redenen bestaan en dat zij niet gerechtvaardigd kan worden door de noodzaak, niet-aftrekbare lasten te compenseren die deel uitmaken van de totale kosten van in Griekenland geassembleerde auto' s; de Griekse wet voorziet namelijk in een vrijstelling van invoerheffingen voor onderdelen voor de fabricage van auto' s.
4. De Griekse regering betoogt daarentegen, dat haar belastingsysteem niet tot gevolg heeft, dat de Griekse produkten worden bevoordeeld ten opzichte van uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten.
Omdat de automobielindustrie in Griekenland nog maar zwak is ontwikkeld, zouden de fabrikanten hun auto' s gewoonlijk direct aan de eindverbruiker verkopen, zonder gebruik te maken van tussenhandelaren; in dat land is de verkoopprijs van de fabrikant, die de basis vormt voor de berekening van de belasting, derhalve gelijk aan de detailhandelsprijs en omvat deze de kosten voor het in de handel brengen.
Bij ingevoerde auto' s daarentegen zou de verhoging met 21 of 23,2 % het verschil weergeven tussen de groothandelsprijs en de normale distributieprijs en bedoeld zijn om de door de alleenvertegenwoordiger-importeur gemaakte kosten voor het in de handel brengen te dekken, zoals de promotie-, reclame en servicekosten, alsook de commissie van de exclusieve importeur.
De Griekse regering betoogt voorts, dat de uiteengezette gedifferentieerde methode voor de berekening van de belastinggrondslag fraude in de vorm van onderfacturering moet voorkomen; dit soort fraude zou anders zeer vaak voorkomen wegens het zeer hoge belastingpercentage (tot 400 %). Vrachtwagens, waarvoor een minder hoge belasting geldt en die dus minder gevoelig zijn voor dit soort fraude, worden namelijk, zonder onderscheid naar herkomst, op basis van de transactiewaarde belast.
Ten slotte heeft verweerster er ter terechtzitting op gewezen, dat het gevaar van discriminatie ten nadele van ingevoerde auto' s hoe dan ook is weggenomen door artikel 4, lid 3, van wet nr. 1573/1985, dat bepaalt, dat de belastinggrondslag voor in Griekenland geproduceerde auto' s niet lager mag zijn dan de voor ingevoerde voertuigen met een overeenkomstige of gelijke cylinderinhoud vastgestelde minimumwaarde.
5. Ik herinner er allereerst aan, dat volgens vaste rechtspraak in het stelsel van het EEG-Verdrag de bepalingen van artikel 95, eerste en tweede alinea, een aanvulling vormen op die inzake de afschaffing van douanerechten en heffingen van gelijke werking. Zij hebben tot doel, het vrije verkeer van goederen tussen de Lid-Staten onder normale concurrentieverhoudingen te verzekeren door elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van produkten uit andere Lid-Staten. Artikel 95 dient immers de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen nationale en geïmporteerde produkten.(1)
Bovendien moet, zoals het Hof zelf herhaaldelijk heeft verklaard, bij de toepassing van de non-discriminatieregel van artikel 95, eerste en tweede alinea, niet alleen worden gelet op het tarief van de diverse belastingen, maar ook op de grondslag en de heffingsmodaliteiten ervan. De daadwerkelijke invloed van elke belasting op de nationale produktie enerzijds en op de ingevoerde produkten anderzijds is immers de doorslaggevende vergelijkingsmaatstaf bij de toepassing van artikel 95; zelfs bij een gelijk tarief kan deze invloed verschillen, afhankelijk van de grondslag en de heffingsmodaliteiten die voor respectievelijk de nationale produktie en ingevoerde produkten gelden.(2)
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt eveneens, dat artikel 95, eerste alinea, verbiedt het ingevoerde produkt te belasten volgens een andere berekeningsmethode of volgens andere modaliteiten dan voor de belasting op het soortgelijke nationale produkt gelden, en die ertoe leiden, dat het ingevoerde produkt zwaarder wordt belast; de eventueel verschillende invloed van die belastingen op het prijsniveau van de twee produkten(3) en de omstandigheid dat de door de nationale belasting veroorzaakte belemmering slechts van ondergeschikte en incidentele aard is, zijn daarbij van geen belang.(4)
In het bijzonder is er, zoals het Hof reeds heeft gepreciseerd, sprake van schending van artikel 95, eerste alinea, wanneer de twee belastingen op verschillende wijze en volgens verschillende regels worden berekend, waardoor het ingevoerde produkt, zij het slechts in sommige gevallen, zwaarder wordt belast.(5)
In bovengenoemde zaken C-152/89(6) en C-153/89(7), betreffende de Belgisch-Luxemburgse regeling die voor de accijns op het plaatselijk geproduceerde bier uitging van de gebruikte hoeveelheid warm wort, terwijl de grondslag van de accijns op uit andere Lid-Staten ingevoerd bier de hoeveelheid eindprodukt was met een vaste verhoging van 5 %, stelde het Hof vast dat die regeling niet zodanig was ingericht, dat het in alle gevallen uitgesloten was dat ingevoerd bier zwaarder werd belast dan het nationale produkt, om vervolgens tot het oordeel te komen dat, gelet op de ondoorzichtigheid van dat belastingstelsel, het aan de gedaagde regeringen stond het bewijs te leveren, dat dat stelsel in geen enkel geval discriminerende gevolgen had.
6. Het is dus in het licht van de zojuist gememoreerde beginselen dat wij moeten onderzoeken of de hier in geding zijnde regeling verenigbaar is met artikel 95 van het Verdrag.
Om te beginnen: een regeling als hiervóór beschreven, die voor de belasting op ingevoerde produkten voorziet in een berekeningswijze die grotendeels op forfaitaire criteria berust, terwijl het overeenkomstige nationale produkt wordt belast op basis van reële gegevens, is een regeling die - naar haar aard, zou men kunnen zeggen - een ernstig risico van discriminatie inhoudt, aangezien forfaitaire criteria gewoonlijk gebaseerd zijn op gemiddelde waarden en de toepassing ervan moeilijk de garantie kan bieden, zoals de rechtspraak van het Hof dit vereist, dat het ingevoerde produkt in geen enkel geval zwaarder wordt belast dan het soortgelijke nationale produkt.
Als men vervolgens de Griekse wetgeving nader bestudeert, valt onmiddellijk op, dat er verschillende elementen zijn die het plausibel maken, dat de bijzondere verbruiksbelasting uiteindelijk de ingevoerde auto' s zwaarder zal treffen.
In de eerste plaats bepaalt artikel 4, lid 2, tweede streepje, van wet nr. 1573/1985 met betrekking tot in Griekenland geproduceerde auto' s, dat alle lasten van fiscale aard die deel uitmaken van de fabricageprijs, afgetrokken worden van de prijs af fabriek, terwijl in geen enkele overeenkomstige aftrek is voorzien voor ingevoerde auto' s.
In de tweede plaats bepaalt artikel 1, lid 3, van wet nr. 363/1976, dat bij de berekening van de belastinggrondslag voor ingevoerde auto' s de prijs van eventuele optionele accessoires moet worden opgeteld bij de nettogroothandelsprijs af fabriek. Uit de betrokken regeling blijkt echter niet, dat een zelfde verhoging wordt toegepast bij auto' s van de nationale produktie waarvoor eveneens opties bestaan.
Wat vervolgens de extra vaste verhoging van 21 of 23,2 % betreft, die de Commissie voor willekeurig en extreem hoog(8) houdt, waarbij zij beklemtoont, dat de Griekse wetgeving de belanghebbenden niet toestaat enig tegenbewijs te leveren, merk ik op, dat uit de bij de memories van de Griekse regering gevoegde vennootschapsbalansen - wat hiervan ook de bewijskracht zij - blijkt, dat deze verhoging is berekend op basis van een gemiddelde. Ook vanuit dit gezichtspunt kan de methode voor de berekening van de grondslag dus niet garanderen, dat het ingevoerde produkt in geen enkel geval wordt onderworpen aan een hogere belasting dan het overeenkomstige nationale produkt.
Hierbij komt in de eerste plaats, dat de - overigens door de Commissie betwiste - verklaring van verweerster, dat de prijs af fabriek in Griekenland gelijk is aan de detailhandelsprijs en dat er in dit land geen tussenhandelaren tussen de fabrikant en de eindverbruiker bestaan, op zijn minst niet erg geloofwaardig is, en in de tweede plaats, dat de kosten voor het in de handel brengen op zijn minst gedeeltelijk ook zijn inbegrepen in de verkoopprijs af fabriek van ingevoerde auto' s.
Overeenkomstige opmerkingen kunnen worden gemaakt over de verdere verhoging met 7 %, die eveneens wordt berekend op basis van een gemiddelde en die de transport- en verzekeringskosten moet dekken. Het resultaat hiervan is immers, dat die auto' s worden benadeeld waarvan de transport- en verzekeringskosten lager zijn; dienaangaande kan ik volstaan met erop te wijzen, dat de transportkosten niet zozeer afhangen van de waarde van het produkt als wel van zijn gewicht en afmetingen en van de afgelegde afstand.
7. Het moge op grond van het voorgaande duidelijk zijn, dat het gedifferentieerde berekeningssysteem dat in Griekenland gebruikt wordt al naar gelang het nationale of ingevoerde produkten betreft, erop neerkomt, dat deze laatste zwaarder worden belast dan soortgelijke nationale produkten en in ieder geval dat dit systeem zo is ingericht, dat een discriminerende werking ten opzichte van ingevoerde produkten niet kan worden uitgesloten.
Wat de Griekse regering ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, lijkt in zoverre zeker niet doorslaggevend, namelijk dat het risico van discriminatie van ingevoerde auto' s is weggenomen door artikel 4, lid 3, van wet nr. 1573/1985, dat bepaalt, dat de belastinggrondslag voor in Griekenland geproduceerde auto' s niet lager mag zijn dan de voor ingevoerde voertuigen met een overeenkomstige of gelijke cylinderinhoud vastgestelde minimumwaarde.
Tegenover de opmerking van de Griekse regering, dat zij ervan versteld staat, dat de Commissie tijdens haar onderzoek van de litigieuze wetgeving het bestaan van die bepaling niet heeft ontdekt, mag ik wel opmerken, dat het op zijn minst even verbazingwekkend is, dat een Lid-Staat, aan wie verweten wordt een discriminerende wettelijke regeling te hebben ingevoerd en die van mening is een bijzondere bepaling te hebben aangenomen om ieder risico van discriminatie te elimineren, hiervan geen melding maakt tijdens de precontentieuze fase of tijdens de schriftelijke procedure, maar het moment van de terechtzitting afwacht om een argument aan te voeren waarvan hij nochtans zegt het als beslissend te beschouwen.
In ieder geval lijkt bedoelde bepaling niet de draagwijdte te hebben die verweerster eraan toekent. Indien men zich baseert op de letter van de bepaling - wat nadere gegevens van de Griekse regering over de werking ervan zouden overigens nuttig zijn geweest -, zou de belastinggrondslag voor in Griekenland geproduceerde auto' s in feite gelijk moeten zijn aan de minimumgrondslag voor vergelijkbare ingevoerde auto' s; anders gezegd, indien, zoals dat in de regel het geval is, meerdere modellen van verschillende merken met dezelfde cylinderinhoud worden ingevoerd, worden volgens die bepaling de Griekse auto' s niet belast als de ingevoerde auto' s waarvoor de belastinggrondslag hoog is, maar als die van de meest begunstigde categorie, dat wil concreet zeggen de goedkoopste auto' s, die waarschijnlijk niet met optionele accessoires zijn uitgerust. Een dergelijke bepaling vermindert wellicht het risico van discriminatie van de ingevoerde produkten, maar neemt het niet geheel weg.
8. Met betrekking tot het eveneens door verweerster aangevoerde argument, dat de beschreven modaliteiten van de berekening van de belastinggrondslag noodzakelijk zijn om het risico van fraude te voorkomen - een risico dat bijzonder groot is wegens het hoge percentage van de belasting -, merk ik in de eerste plaats op, dat volgens de rechtspraak van het Hof de ongelijke behandeling van het forfaitair belaste ingevoerde produkt en het degressief of progressief belaste nationale produkt geen rechtvaardiging kan vinden in de onmogelijkheid in het geval van ingevoerde goederen de nodige verificaties te verrichten(9); anderzijds is artikel 95 zelfs van toepassing wanneer de door de nationale belasting opgeworpen belemmering alleen maar door afschaffing van die belasting kan worden weggenomen.(10)
Bovendien is het, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, niet duidelijk, waarom het risico van onderfacturering niet vermeden zou kunnen worden door gebruik te maken van niet-discriminerende berekeningssystemen, bij voorbeeld gebaseerd op de catalogusprijs, zoals andere landen doen die vergelijkbare verbruiksbelastingen heffen.
Tot slot vormt het feit dat de litigieuze belasting bijzonder hoog is, een element dat de gevolgen van de discriminatie verergert en versterkt, want een verschil, hoe klein ook, in de berekening van de grondslag kan aanzienlijke consequenties hebben voor de belasting die op het produkt wordt gelegd.
9. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging, het beroep van de Commissie toe te wijzen, met verwijzing van verweerster in de kosten.
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) - Zie in het bijzonder de arresten van 27 februari 1980, zaak 168/78, Commissie/Frankrijk (Jurispr. 1980, blz. 347, r.o. 4); zaak 169/78, Commissie/Italië (Jurispr. 1980, blz. 385, r.o. 4) en zaak 171/78, Commissie/Denemarken (Jurispr. 1980, 447, r.o. 4).
(2) - Arresten van 11 december 1990, zaak C-47/88, Commissie/Denemarken (Jurispr. 1990, blz. I-4509, r.o. 18); van 27 februari 1980, zaak 55/79, Commissie/Ierland (Jurispr. 1980, blz. 481, r.o. 8) en van 22 maart 1977, zaak 74/76, Iannelli & Volpi (Jurispr. 1977, blz. 557, r.o. 21).
(3) - Arrest van 17 februari 1976, zaak 45/75, Rewe-Zentrale (Jurispr. 1976, blz. 181, r.o. 16).
(4) - Arrest van 16 februari 1977, zaak 20/76, Schoettle & Soehne (Jurispr. 1977, blz. 247, r.o. 22).
(5) - Arresten van 26 juni 1991, zaak C-152/89, Commissie/Luxemburg (Jurispr. 1991, blz. I-3141, r.o. 20) en zaak C-153/89, Commissie/België (Jurispr. 1991, blz. I-3171, r.o. 12) en 17 februari 1977, Rewe-Zentrale (reeds aangehaald, r.o. 15).
(6) - Arrest van 26 juni 1991, Commissie/Luxemburg (r.o. 24 en 25).
(7) - Arrest van 26 juni 1991, Commissie/België (r.o. 15 en 16). Zie in dezelfde zin met betrekking tot artikel 96 van het Verdrag, het arrest van 1 december 1965, zaak 45/64, Commissie/Italië (Jurispr. 1965, blz. 1078).
(8) - In dit verband wijst de Commissie erop, dat deze verhoging tot 1986 slechts 10 % bedroeg.
(9) - Arrest van 17 februari 1976, Rewe-Zentrale, (reeds aangehaald r.o. 15).
(10) - Arrest van 16 februari 1977, Schoettle (reeds aangehaald r.o. 22).
Full & Egal Universal Law Academy