Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In deze procedure verzoekt de Commissie het Hof, te verklaren, dat de Helleense Republiek haar verplichtingen uit hoofde van artikel 171 EEG-Verdrag niet is nagekomen, door te verzuimen de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van:
a) het arrest van het Hof van 15 maart 1988 (zaak 147/86, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 1637);
b) het arrest van het Hof van 14 juli 1988 (zaak 38/87, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 4415).
2. In zaak 147/86 verklaarde het Hof:
"1. Door onderdanen van andere Lid-Staten te verbieden 'frontistiria' en particuliere muziek- en dansscholen op te richten en onderricht aan huis te verstrekken, is de Helleense Republiek de krachtens de artikelen 52 en 59 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2. Door de toegang van onderdanen van andere Lid-Staten die reeds in Griekenland werkzaam zijn, en van hun gezinsleden tot de functies van directeur van en leraar aan 'frontistiria' en particuliere muziek- en dansscholen te verbieden of te beperken, is de Helleense Republiek de krachtens artikel 48 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen."
3. In zaak 38/87 verklaarde het Hof:
"1) De Helleense Republiek is de krachtens de artikelen 52 en 59 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen, door bepalingen te handhaven, waaruit niet uitdrukkelijk blijkt dat onderdanen van andere Lid-Staten zich als gewoon lid bij de Technische Kamer van Griekenland kunnen inschrijven, terwijl die inschrijving de toegang tot en de uitoefening van het beroep van architect, civiel-ingenieur en landmeter in de Helleense Republiek bepaalt en vergemakkelijkt.
2) De Helleense Republiek is de krachtens de artikelen 52 en 59 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen, door bepalingen te handhaven die de toegang tot en uitoefening van het beroep van advocaat afhankelijk stellen van het bezit van de Griekse nationaliteit."
4. Aangezien de Commissie niets van de Griekse autoriteiten vernam over de uitvoering van deze arresten, verzocht zij Griekenland bij schrijven van 26 mei 1989 haar opmerkingen kenbaar te maken.
5. Bij schrijven van 4 augustus 1989 deelde Griekenland de Commissie mede, dat uitvoering van het arrest in zaak 147/86 een wijziging zou vergen van wetgeving die reeds tientallen jaren van kracht was. In de brief werd er ook op geattendeerd, dat tegen het arrest derdenverzet was ingesteld. Voorts was de Griekse regering slechts voor een korte periode en voor de uitvoering van bepaalde taken benoemd, zodat zij geen wetgeving in een zo specifieke materie kon invoeren. Van eventuele maatregelen die ter uitvoering van het arrest in zaak 38/87 zouden kunnen worden genomen, werd in de brief geen melding gemaakt.
6. Op 22 januari 1990 bracht de Commissie haar met redenen omkleed advies uit, waarin zij verklaarde dat Griekenland, door niet de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van de genoemde arresten, in gebreke was met zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 171 EEG-Verdrag. Zij verzocht Griekenland om binnen twee maanden het nodige te ondernemen.
7. Bij schrijven van 30 maart 1990 vroeg Griekenland de Commissie om een extra termijn van twee maanden voor het uitvoeren van het arrest in zaak 147/86 en daarnaast nog een redelijke termijn voor het uitvoeren van het arrest in zaak 38/87 voor wat de toegang tot de beroepen van architect, civiel-ingenieur en landmeter betreft. Aan de Commissie was in april 1989 al meegedeeld, zo vervolgt de brief, dat Griekenland voor de toegang tot het beroep van advocaat reeds uitvoering aan het arrest in zaak 38/87 had gegeven met de vaststelling van presidentieel decreet nr. 172 van 2 maart 1989.
8. In een latere brief van 12 juni 1990 liet Griekenland de Commissie weten, dat de bevoegde instanties een aanvang hadden gemaakt met de procedures die een volledige uitvoering van het arrest in zaak 147/86 zouden verzekeren.
9. Op 23 oktober 1990 heeft de Commissie beroep ingesteld voor het Hof. Zij verzoekt het Hof vast te stellen dat Griekenland, door niet de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van het arrest in zaak 147/86, en evenmin de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van het arrest in zaak 38/87 voor wat de toegang tot de beroepen van architect, civiel-ingenieur en landmeter betreft, de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. Impliciet erkent de Commissie hiermee, dat Griekenland voor wat de toegang tot het beroep van advocaat betreft, aan het arrest in zaak 38/87 uitvoering heeft gegeven door de vaststelling van presidentieel decreet nr. 172. Tevens verzoekt de Commissie dat Griekenland in de kosten wordt verwezen.
10. Als verweer voert Griekenland aan, dat door de bevoegde ministeries wordt gewerkt aan de wetsvoorstellen om de Griekse wetgeving in overeenstemming te brengen met de arresten van het Hof. Nu de Griekse regering de Commissie reeds had meegedeeld dat de wijziging van de relevante wetgeving ter hand was genomen, behoefde nog slechts de voltooiing van de wetgevingsprocedure te worden afgewacht. Griekenland verzoekt het Hof daarom, het beroep te verwerpen en de Commissie in de kosten te verwijzen.
11. Ter terechtzitting van heden bevestigde de gemachtigde van de Griekse regering, dat de nodige wettelijke maatregelen nog steeds niet zijn vastgesteld. Zonder twijfel dient de vordering van de Commissie te worden toegewezen. De volgende opmerkingen lijken mij hier op hun plaats.
12. In de eerste plaats is het voor de uitvoering van een arrest van het Hof, waarbij nationale wetgeving in strijd is verklaard met het gemeenschapsrecht, niet genoeg dat een voornemen wordt geuit om de bewuste wetgeving te wijzigen. De nodige wijzigingswetten moeten daadwerkelijk tot stand komen en in werking treden.
13. In de tweede plaats is niet van belang, dat de wetgeving die met het gemeenschapsrecht in strijd is bevonden, reeds tientallen jaren van kracht is, of dat de Griekse regering slechts voor een korte periode en voor de uitvoering van bepaalde taken is benoemd. Een Lid-Staat kan de niet-nakoming van zijn gemeenschapsrechtelijke verplichtingen niet rechtvaardigen met een beroep op bepalingen, gebruiken of omstandigheden in zijn nationale rechtsorde.
14. In de derde plaats heeft de instelling van derdenverzet tegen een arrest overeenkomstig artikel 39 van 's Hofs Statuut-EEG niet automatisch schorsende werking. Weliswaar kan het Hof krachtens artikel 97, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering op verzoek van de derde-opposant opschorting van de tenuitvoerlegging gelasten, maar naar aanleiding van het arrest in zaak 147/86 is nooit een dergelijke maatregel gelast of gevorderd. Hoe dat ook zij, het ingestelde derdenverzet is verworpen bij beschikking van 6 december 1989 (Jurispr. 1989, blz. 4103, 4111 en 4119).
15. In de vierde plaats preciseert artikel 171 weliswaar niet, binnen welke termijn maatregelen ter uitvoering van een arrest van het Hof moeten worden genomen, doch moet de uitvoering van zulk een arrest niettemin "terstond ter hand worden genomen en binnen de kortst mogelijke tijd worden voltooid": zie onder meer het arrest in zaak 160/85 (Commissie/Italië, Jurispr. 1986, blz. 3245).
16. Ik geef het Hof dan ook in overweging:
"1) te verklaren, dat de Helleense Republiek, door niet de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van het arrest in zaak 147/86, de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) te verklaren, dat de Helleense Republiek, door niet de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van het arrest in zaak 38/87 voor wat de toegang tot de beroepen van architect, civiel-ingenieur en landmeter betreft, de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
3) de Helleense Republiek in de kosten te verwijzen."
(*) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy