Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Een Spaanse strafrechter, de Juzgado de lo Penal n 4 de Alicante, verzoekt het Hof om een prejudiciële beslissing, in wezen om vast te stellen, of de Spaanse wetgeving krachtens welke alleen personen die bepaalde diploma' s bezitten, het beroep van makelaar in onroerende goederen mogen uitoefenen, zich verdraagt met het gemeenschapsrecht.
2. In Spanje is het beroep van makelaar in onroerende goederen geregeld bij decreet nr. 3248/69 van 4 december 1969. Artikel 5 van dit decreet stelt als voorwaarde voor de uitoefening van het beroep van makelaar in onroerende goederen, dat de betrokkene in het bezit is van het vereiste, door de administratie afgegeven diploma en dat hij aangesloten is bij de desbetreffende beroepsvereniging. In artikel 321 van het Spaanse Wetboek van strafrecht is het uitoefenen van een beroep zonder in het bezit te zijn van het vereiste officiële diploma of van een bij wet of internationale overeenkomst als gelijkwaardig erkend diploma strafbaar gesteld.
3. Verweerders in de hoofdgedingen wordt ten laste gelegd, dat zij het beroep van makelaar in onroerende goederen uitoefenen zonder in het bezit te zijn van de diploma' s die zij daartoe volgens de Spaanse wet moeten hebben. Zij zijn Spaans onderdaan, wonen in Spanje, en voeren niet aan, dat zij in een andere Lid-Staat een diploma hebben verkregen op grond waarvan zij het betrokken beroep mogen uitoefenen, noch dat zij dat beroep in een andere Lid-Staat hebben uitgeoefend.
4. Verweerders trachten hun verweer te baseren op het gemeenschapsrecht; inzonderheid beroepen zij zich op richtlijn 67/43/EEG van de Raad van 12 januari 1967 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de niet in loondienst verrichte werkzaamheden onder meer behorende tot de "handel in onroerende goederen" (PB 1967, 10, blz. 140). Huns inziens is de Spaanse wet die de uitoefening van het beroep van makelaar in onroerende goederen voorbehoudt aan personen die in het bezit zijn van een bepaald diploma, in strijd met richtlijn 67/43.
5. In de beide voor hem aanhangige zaken heeft de Juzgado de lo Penal n 4 de Alicante het Hof de twee navolgende, identiek geformuleerde vragen gesteld:
"1) Zijn artikel 1 van het decreet van 4 december 1969 en het Real Decreto 1464/88, waarin wordt bepaald dat het tegen courtage bemiddelen bij de aan- en verkoop of ruil van landelijke of stedelijke onroerende goederen, bij hypothecaire leningen, bij huur of verpachting ervan, bij afstand en overdracht, en het geven van adviezen over de waarde van dergelijke goederen bij verkoop, overdracht of afstand zijn voorbehouden aan makelaars in onroerende goederen, geldig in het licht van de artikelen 2, 3 en 5 van richtlijn 67/43/EEG van de Raad, en mag een Lid-Staat na de inwerkingtreding van deze richtlijn de bevoegdheid tot de uitoefening van deze werkzaamheden terzake van onroerende goederen nog steeds bij uitsluiting aan een bepaalde beroepsgroep voorbehouden?
2) Mag een Lid-Staat deze richtlijn op enigerlei wijze beperken of buiten toepassing laten?"
6. De eerste vraag is in deze formulering niet aanvaardbaar, daar het Hof wordt gevraagd zich rechtstreeks uit te spreken over de verenigbaarheid van specifieke bepalingen van nationaal recht met het gemeenschapsrecht. Het Hof kan evenwel de nationale rechter de nodige inlichtingen verschaffen betreffende de uitlegging van het gemeenschapsrecht, ten einde hem in staat te stellen vonnis te wijzen. De eerste vraag kan worden geherformuleerd als volgt: Is een bepaling van nationaal recht, waarbij de betrokken activiteiten worden voorbehouden aan houders van een beroepsdiploma van makelaar in onroerende goederen, verenigbaar met de artikelen 2, 3 en 5 van richtlijn 67/43?
7. Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat de voor de nationale rechter aanhangige zaken uit een zuiver interne situatie voortvloeien. Uit de verwijzingsbeschikkingen blijkt duidelijk, dat er geen aanknopingspunt met een andere Lid-Staat is. Zoals het Hof reeds herhaaldelijk heeft verklaard, kunnen de verdragsbepalingen inzake het vrij verrichten van diensten niet van toepassing zijn op activiteiten die zich in al hun relevante aspecten in een enkele Lid-Staat afspelen (zie bij voorbeeld het arrest van 23 april 1991, zaak C-41/90, Hoefner en Elser, Jurispr. 1991, blz. I-1979, r.o. 37). Verweerders kunnen zich derhalve niet beroepen op de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van personen en diensten.
8. In casu betreffen de vragen echter niet de verdragsbepalingen, maar een richtlijn die de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten beoogt te verwezenlijken. Bijgevolg moet de werkingssfeer van deze richtlijn worden onderzocht: er doen zich immers talrijke situaties voor waarin richtlijnen op zuiver interne situaties van toepassing zijn.
9. Artikel 1 van richtlijn 67/43 luidt als volgt:
"De Lid-Staten heffen ten gunste van de in titel I van de Algemene programma' s voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten genoemde natuurlijke personen en vennootschappen, hierna begunstigden genoemd, de onder titel III van die Programma' s bedoelde beperkingen op ten aanzien van de toegang tot en de uitoefening van de in de artikelen 2 en 3 genoemde werkzaamheden."
10. Artikel 2 noemt een aantal activiteiten die verband houden met de handel in onroerende goederen. Artikel 3 betreft de "diensten aan ondernemingen, niet elders ingedeeld".
11. De richtlijn is vastgesteld op basis van het Algemene programma voor de opheffing van de beperkingen van het vrij verrichten van diensten (PB 1962, 2, blz. 32, hierna: "Algemeen programma voor de diensten") en het Algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging (PB 1962, 2, blz. 36, hierna: "Algemeen programma voor de vrijheid van vestiging").
12. De bij de richtlijn verboden beperkingen zijn die welke in titel III van de Algemene programma' s zijn genoemd. Na onderzoek van deze titels blijkt, dat de Algemene programma' s enkel betrekking hebben op maatregelen waarbij onderdanen van andere Lid-Staten rechtstreeks of zijdelings worden gediscrimineerd. Punt A, eerste alinea, van titel III van het Algemeen programma voor de diensten verlangt de opheffing van "elk verbod of elke belemmering van werkzaamheden anders dan in loondienst van degene die de dienst verricht, bestaande in een verschil in behandeling ten opzichte van de eigen onderdanen." Uit de laatste alinea van punt A blijkt duidelijk, dat zowel de rechtstreekse als de zijdelingse discriminatie moet worden opgeheven. Het Algemeen Programma voor de vrijheid van vestiging bevat overeenkomstige bepalingen (zie punt A, eerste alinea, en punt B van titel III).
13. Dat de richtlijn alleen discriminerende maatregelen betreft, wordt bevestigd door artikel 5, lid 1, daarvan, dat luidt als volgt:
"De Lid-Staten heffen de beperkingen op, welke met name
a) de begunstigden verhinderen zich in het ontvangend land te vestigen of hun diensten te verrichten onder dezelfde voorwaarden en met gelijke rechten als de onderdanen van dat land;
b) voortvloeien uit een administratieve handelwijze die ten gevolge heeft dat op de begunstigden, in vergelijking tot de nationale onderdanen, een discriminerende behandeling wordt toegepast."
Na afloop van de overgangsperiode heeft de rechtstreekse werking van de artikelen 52 en 59 EEG-Verdrag de richtlijn haar werking ontnomen.
14. In de laatste overweging van de considerans is vermeld "dat het niet nodig is (...) thans reeds bepalingen inzake de cooerdinatie van de voorschriften en de erkenning van diploma' s, certificaten en andere titels vast te stellen". De richtlijn beoogt dus niet de voorwaarden voor de toegang tot en de uitoefening van het beroep van makelaar in onroerende goederen in de Lid-Staten te harmoniseren. Bijgevolg handelt een Lid-Staat niet in strijd met de richtlijn, wanneer hij de uitoefening van dat beroep voorbehoudt aan personen die bepaalde diploma' s bezitten en die lid zijn van de desbetreffende beroepsvereniging, mits hij daardoor geen rechtstreekse of zijdelingse discriminatie van onderdanen van andere Lid-Staten doet ontstaan.
15. In zijn opmerkingen wijst het Ministerio Fiscal (het Spaanse Openbaar ministerie) erop, dat Spanje de nodige maatregelen heeft vastgesteld om zich naar de richtlijn te voegen, en wel door de vaststelling van koninklijk decreet nr. 1464/88 van 2 december 1988, waarvan artikel 1 de onderdanen van andere Lid-Staten de mogelijkheid verleent zich in Spanje als makelaar in onroerende goederen te vestigen en de desbetreffende diensten onder dezelfde voorwaarden als Spaanse onderdanen te verrichten.
16. Het is dus duidelijk, dat onderdanen van een Lid-Staat die nooit in een andere Lid-Staat het beroep van makelaar in onroerende goederen hebben uitgeoefend of een diploma hebben verkregen op grond waarvan zij dat beroep mogen uitoefenen, de richtlijn niet kunnen inroepen tegen de wettelijke regeling van eerstgenoemde Lid-Staat, die voor de uitoefening van dat beroep het bezit van een bepaald diploma voorschrijft.
17. Wordt de eerste vraag in die zin beantwoord, dan behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Conclusie
18. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de door de Juzgado de lo Penal n 4 de Alicante gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
"Richtlijn 67/43/EEG van de Raad verzet zich niet ertegen, dat een Lid-Staat de in de verwijzingsbeschikking genoemde werkzaamheden voorbehoudt aan personen die in het bezit zijn van een beroepsdiploma van makelaar in onroerende goederen, mits onderdanen van andere Lid-Staten daardoor niet worden gediscrimineerd."
(*) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy