Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Op 19 juni 1982 was Hinger, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, het slachtoffer van een ongeval tijdens een schietwedstrijd. In casu staat vast, dat Joris daarvoor aansprakelijk was.
De ziekenkas van de Europese Gemeenschappen vergoedde Hinger na dat ongeval de kosten van medische behandeling en geneesmiddelen. Voorts betaalde de Commissie de betrokken ambtenaar een bedrag van 50 218 BFR, nadat hij voor 1 % blijvend gedeeltelijk invalide was verklaard. Dit bedrag alsmede een bedrag van 10 619 BFR ter zake van niet door de ziekenkas gedekte medische kosten werden door de verzekeringsmaatschappij Royale belge krachtens een met de Commissie gesloten overeenkomst aan deze terugbetaald. Op grond van die overeenkomst is die verzekeringsmaatschappij gesubrogeerd in de rechten van de Commissie, die zelf krachtens het Ambtenarenstatuut in de rechten van Hinger was gesubrogeerd.
Met een beroep op die subrogatie dagvaardde Royale belge Joris voor het Tribunal de paix de Luxembourg tot terugbetaling van de betaalde bedragen, in totaal 60 837 BFR. Joris wierp tegen deze vordering een exceptie van niet-ontvankelijkheid op, omdat hij op 23 november 1982, dus voordat de Commissie de krachtens het Ambtenarenstatuut verschuldigde uitkeringen aan haar ambtenaar had betaald, een dading had aangegaan met Hinger, op grond waarvan laatstgenoemde 32 000 BFR had ontvangen als vergoeding van de door het ongeval geleden schade. Volgens verweerder was door die dading zijn schuld tenietgegaan, daar Hinger schriftelijk had erkend - zoals blijkt uit de kwijting voor het krachtens de dading betaalde bedrag - dat hij niets meer van verweerder noch van diens verzekeraar te vorderen had. Volgens Joris had Hinger derhalve geen vorderingsrechten meer en kon de Commissie van de Europese Gemeenschappen en, namens haar, Royale belge niet meer bij wege van subrogatie rechten uitoefenen, die immers niet meer bestonden.
Om het geding te kunnen beslechten, heeft het Tribunal de paix de Luxembourg het Hof een prejudiciële vraag voorgelegd, waarin het verzoekt om uitlegging van de relevante bepalingen van het Ambtenarenstatuut, zowel in de ten tijde van de feiten geldende versie (artikel 73, lid 4) als in de huidige versie (artikel 85 bis, lid 1). Wat de vraag betreft of de dading al dan niet kan worden tegengeworpen, is de verwijzende rechter blijkbaar van oordeel, dat dit afhangt van het tijdstip waarop de subrogatie tot stand komt, want hij wenst met name te vernemen of de wettelijke subrogatie van de Gemeenschappen tot stand komt op het tijdstip van de schadebrengende gebeurtenis dan wel pas door de betaling.
2. Om te beginnen wijs ik erop, dat het ten tijde van de feiten geldende artikel 73, lid 4, Ambtenarenstatuut bepaalde, dat "de Gemeenschappen (...), binnen de grenzen van de voor hen uit de artikelen 72, 73 en 75 voortvloeiende verplichtingen, van rechtswege (treden) in de plaats van de ambtenaar of van zijn rechtverkrijgenden, wat betreft hun recht van verhaal tegen de derde die aansprakelijk is voor het ongeval dat het overlijden of de verwondingen van de ambtenaar of de uit zijnen hoofde verzekerde personen tot gevolg heeft gehad". De formulering van artikel 85 bis, dat thans de materie regelt (1), luidt voor zover hier van belang, niet veel anders.
Uit de - overigens ongelukkige - formulering van artikel 73, lid 4, blijkt in de eerste plaats, dat het recht van subrogatie ten gunste van de Gemeenschappen enkel betrekking heeft op de in het Ambtenarenstatuut bedoelde uitkeringen; het recht op eventuele niet door het Ambtenarenstatuut gedekte uitkeringen blijft dus bij de gelaedeerde of zijn rechtverkrijgenden. In de tweede plaats blijkt duidelijk dat het gaat om een automatische subrogatie ("van rechtswege"), want zij vindt plaats zonder dat voorafgaande toestemming nodig is van degene wiens rechten overgaan.
3. Wij kunnen ons echter niet van het probleem af maken door eenvoudig het automatische karakter van de subrogatie te beklemtonen, want daarmee is niet de vraag beantwoord op welk tijdstip dit automatisme in werking treedt.
Voor de opvatting dat dit gebeurt op het tijdstip waarop de schadebrengende gebeurtenis plaatsvindt, is zowel tijdens de schriftelijke behandeling als ter terechtzitting herhaaldelijk verwezen naar de conclusie van advocaat-generaal Warner in de gevoegde zaken 63/79 en 64/79 (2), en in het bijzonder naar de passage waarin deze zegt, dat het recht van subrogatie ten gunste van de Gemeenschappen tot gevolg heeft dat "de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden in het geheel geen vorderingsrechten meer hebben".
Weliswaar lijkt deze laconieke verklaring, dat de gemeenschapsambtenaren geen enkel recht jegens de aansprakelijke derde meer geldend kunnen maken, zonder dat verband wordt gelegd met een gedane betaling, steun te bieden aan bovenbedoelde opvatting, maar ik moet er wel op wijzen, dat met geen woord wordt gesproken over het moment vanwaaraf onder het Ambtenarenstatuut vallende personen bij een recht van subrogatie ten gunste van de Gemeenschappen "in het geheel geen vorderingsrechten meer hebben". Met andere woorden, de uitlegging van advocaat-generaal Warner, die bovendien betrekking had op een zaak waarin de schade door de aansprakelijk derde was vergoed na de betaling van de statutaire uitkeringen, preciseert de gevolgen van de subrogatie, maar niet het tijdstip waarop zij intreden.
4. In de onderhavige zaak gaat het echter om de vraag, of bij de in het Ambtenarenstatuut geregelde subrogatie de overgang van de rechten van de gelaedeerde op de betrokken instelling door het ongeval en onafhankelijk van een betaling plaatsvindt, kortom, of het recht van subrogatie ten gunste van de Gemeenschappen kan worden omschreven als een "atypische" vorm van subrogatie. (3)
Tijdens de behandeling is gesteld, dat het enkele feit dat de subrogatie van de Gemeenschappen plaatsvindt voor zover er voor hen uit de schadebrengende gebeurtenis statutaire verplichtingen voortvloeien, en niet voor zover er inderdaad uitkeringen zijn betaald, impliceert dat de subrogatie plaatsvindt op het tijdstip van de schadebrengende gebeurtenis.
Men zal mijns inziens moeten toegeven, dat deze bepaling ten minste impliceert dat de betaling niet een noodzakelijke voorwaarde is voor de "subrogatie" van de Gemeenschappen in de rechten van hun ambtenaren. Zoals al uit de gebezigde bewoordingen blijkt, is voor de subrogatie voldoende dat de Gemeenschappen ingevolge het Ambtenarenstatuut verplicht zijn aan hun ambtenaren sociale-zekerheidsuitkeringen te betalen, die - zover dit in casu van belang is - tot doel hebben de schade te vergoeden die als gevolg van een aan een derde te wijten ongeval is geleden.
Er lijkt mij geen redelijke twijfel over mogelijk, dat het bestaan van die verplichting kan worden vastgesteld zodra de schadebrengende gebeurtenis zich heeft voorgedaan. Immers, het recht op de uitkeringen bedoeld in artikel 72 Ambtenarenstatuut (medische kosten en apothekerskosten) is altijd en in ieder geval gewaarborgd en de niet door artikel 73 gedekte ongevallen (dit artikel heeft juist betrekking op uitkeringen na een ongeval) worden duidelijk genoemd in de ter uitvoering van dat artikel vastgestelde regeling.
Omdat de gemeenschapsinstellingen dus ook sociale-zekerheidsuitkeringen moeten betalen na een aan een derde te wijten ongeval, is het dus zeker, dat de Gemeenschappen althans gedeeltelijk voor de gevolgen van de schadebrengende gebeurtenis moeten opkomen: meer bepaald, en op zijn minst, voor de door de ziekenkas gedekte medische kosten en apothekerskosten. Mijns inziens is het derhalve voor de subrogatie voldoende, dat uit de door de ambtenaar geleden schade (of een gedeelte van die schade) voor de Gemeenschappen de verplichting voorvloeit, bepaalde uitkeringen van sociale zekerheid te betalen, en juist dit heeft tot gevolg, dat de ambtenaar het recht verliest om voor diezelfde schade vergoeding van de aansprakelijke derde te vorderen.
Hierbij komt dat, zoals het Hof heeft verklaard, "de subrogatie ten bate van de Gemeenschappen tot doel heeft te voorkomen dat een ambtenaar twee maal vergoeding ontvangt voor dezelfde schade". (4) Al kan dat doel langs verschillende wegen (en zelfs zonder subrogatie) worden bereikt, toch dient men te erkennen dat, waar de Gemeenschappen in ieder geval de uitkeringen moeten betalen waarop de ambtenaar op grond van het Statuut recht heeft, cumulatie alleen kan worden voorkomen indien de ambtenaar iedere aanspraak op vergoeding jegens de aansprakelijke derde verliest, uiteraard voor zover zijn schade in ieder geval door de Gemeenschappen moet worden vergoed door middel van de in het Statuut geregelde uitkeringen.
Het voorgaande brengt mij tot de conclusie, dat de subrogatie van de Gemeenschappen in de rechten van hun ambtenaren plaatsvindt op het tijdstip van de schadebrengende gebeurtenis.
5. Hiermee is de vraag, zoals deze door de verwijzende rechter is gesteld, beantwoord. Ik vind het echter noodzakelijk speciale aandacht te wijden aan de vraag, of de aansprakelijke derde zich kan beroepen op een dading die hij met de gemeenschapsambtenaar is aangegaan, en, meer in het algemeen, of hij, wanneer hij de schade rechtstreeks aan de ambtenaar heeft vergoed, deze betaling aan de gemeenschapsinstellingen kan tegenwerpen.
Men dient mijns inziens te onderscheiden tussen de betrekking tussen de ambtenaar en de gemeenschapsinstelling en die tussen de instelling en de aansprakelijke derde. Weliswaar worden de Gemeenschappen in de rechten van de ambtenaar gesubrogeerd op het tijdstip waarop de schadebrengende gebeurtenis plaatsvindt, maar ik betwijfel of die subrogatie automatisch werkt tegenover de aansprakelijke derde in die zin, dat deze een door hem op basis van het gewone recht geldig aangegane dading niet aan de Gemeenschappen zou kunnen tegenwerpen.
Wat dit punt betreft, moet mij meteen van het hart, dat ik niet erg overtuigd ben door de stelling van de Commissie, dat de aansprakelijke derde, hoewel hij te goeder trouw heeft gehandeld, de gedane betaling niet kan tegenwerpen, omdat het Statuut een verordening is en dus rechtstreeks toepasselijk in alle Lid-Staten.
6. Om te beginnen wil ik opmerken, dat de bepalingen van het Ambtenarenstatuut er in wezen toe strekken, de rechtspositie te regelen van de ambtenaren tegenover de instelling waartoe zij behoren. Weliswaar heeft het Hof in zaak 137/80 verklaard, dat "het Statuut, naast de werking die het binnen de communautaire administratie heeft, tevens de Lid-Staten bindt in al die opzichten waarin hun medewerking noodzakelijk is voor de toepassing ervan" (5), en heeft het daarmee dus bevestigd, dat het Statuut ook ten aanzien van derden werking kan hebben, maar ik schroom te aanvaarden dat een statutaire bepaling zoals de onderhavige ook rechtstreeks invloed heeft op de persoonlijke sfeer van de derde, zelfs zozeer dat deze het recht zou verliezen een dading aan te gaan, of dat de uitoefening van dat recht zou worden verijdeld doordat de derde zich niet op die dading zou kunnen beroepen, en dat nog wel in afwijking van het gewone recht inzake subrogatie met betrekking tot de aansprakelijkheid wegens schade. Daar komt bij, dat de zojuist aangehaalde uitspraak van het Hof betrekking had op een geval waarin de volle werking van de statutaire bepaling die in die zaak aan de orde was, enkel met medewerking van de Lid-Staten kon worden gewaarborgd. In het onderhavige geval is de situatie echter volstrekt verschillend.
Zoals uit de opzet ervan blijkt, richt de bepaling inzake subrogatie zich eerst en vooral tot de ambtenaar; het is deze die ernaar dient te handelen. Daartoe is het voldoende, dat hij geen geld accepteert ter zake van een schade die door de betrokken instelling reeds is vergoed of althans vergoed dient te worden.
Een andere oplossing zou tot gevolg hebben, dat de voor het ongeval aansprakelijke derde alle gevolgen zou moeten dragen van het feit dat de ambtenaar de hier bedoelde statutaire bepaling heeft geschonden; de derde zou dan immers genoodzaakt zijn een rechtsvordering in te stellen om het betaalde bedrag terug te krijgen. Andersom zou het feit dat de ambtenaar een uitdrukkelijk tot hem gerichte bepaling heeft overtreden, in de interne communautaire sfeer geen enkel belang hebben.
7. Maar dat is niet alles. Zelfs wanneer men van mening zou zijn, dat eenieder die op het grondgebied van de Gemeenschap woont, bekend dient te zijn met het bestaan van de statutaire bepalingen die door het enkele feit dat hij in "contact" komt met iemand waarop het Statuut van toepassing is, enig gevolg voor hem kunnen hebben (aangenomen al dat het te allen tijde duidelijk is of het Statuut op iemand van toepassing is (6)), dan bestaan er mijns inziens in casu toch argumenten die tegen de stelling van de Commissie pleiten.
Dat het door de Commissie gestelde gevolg in elk geval enkel zou optreden bij ongevallen binnen de Gemeenschap, ligt voor de hand, maar nog afgezien daarvan: in een aantal bepalingen van het Statuut wordt verwezen naar bijzondere regelingen waarin zogezegd de uitvoeringsbepalingen zijn neergelegd. Dat is het geval met artikel 73 Ambtenarenstatuut, de in casu relevante bepaling, krachtens hetwelk de ambtenaar tegen uit ongevallen voortvloeiende risico' s is verzekerd "volgens een door de instellingen der Gemeenschappen in onderlinge overeenstemming en na advies van het Comité voor het Statuut vastgestelde regeling". De ter uitvoering van artikel 73 vastgestelde "Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten" is een regeling die voor de buitenwereld geen enkel belang heeft en waarin, onder meer, wordt geregeld welke ongevallen voor vergoeding in aanmerking komen en welke risico' s niet gedekt zijn.
Alleen wanneer de aansprakelijke derde die regeling kent, zou hij kunnen vaststellen of de ambtenaar voor het betrokken ongeval gedekt wordt door de communautaire verzekering. Ik volsta ermee, erop te wijzen dat een oplossing die de derde die aansprakelijk is voor een aan een gemeenschapsambtenaar overkomen ongeval, verplicht niet alleen het Statuut, maar zelfs een interne regeling te kennen, elke rechtsgrondslag zou missen.
8. Wat de aangehaalde regeling betreft, meen ik verder de aandacht te moeten vestigen op artikel 8 ervan, dat nu juist de voorwaarden van subrogatie ter zake van ongevallen regelt en dat in de eerste alinea bepaalt, dat de statutaire uitkeringen en schadeloosstellingen enkel worden uitbetaald "op voorwaarde dat ((de ambtenaren)) de Gemeenschappen (...) subrogeren in al hun rechten en vorderingen tegen eventueel aansprakelijke derden".
Gezien de andersluidende regeling van het Statuut moeten wij wel aannemen, dat die bepaling stilzwijgend is ingetrokken. Maar waar ik enerzijds niet kan nalaten te wijzen op de buitengewone onduidelijkheid en onzekerheid als gevolg van die situatie, verheel ik anderzijds niet de uitleggingsproblemen waartoe de tweede en derde alinea van dat artikel aanleiding geven, met name - juist met het oog op het onderhavige geval - waar wordt bepaald, dat "de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden kunnen niet dan met toestemming van de instelling waartoe de ambtenaar behoort, met de aansprakelijke derde een minnelijke schikking en een dading aangaan". Hier zijn twee verklaringen mogelijk: ofwel heeft men door de invoeging in het Statuut van een specifieke bepaling (artikel 85 bis), die thans alle gevallen van subrogatie regelt, artikel 8 in zijn geheel beogen in te trekken (in dit geval was uiteraard een formele intrekking zeker wenselijk geweest), ofwel moet bedoelde bepaling - aangezien de ambtenaar zijn vorderingsrechten verliest op het moment waarop de schadebrengende gebeurtenis plaatsvindt - aldus worden begrepen, dat de instelling waartoe de ambtenaar behoort, zelf kan afzien van haar recht van verhaal tegen de aansprakelijke derde en daarmee de ambtenaar de vrije hand geeft om een dading aan te gaan. Deze laatste mogelijkheid zou, voor zover dat nog nodig mocht zijn, bevestigen dat de aansprakelijke derde zich wel degelijk op de dading kan beroepen, daar men niet van hem mag verwachten dat hij weet heeft van het bestaan van de betrokken regeling, en zeker niet dat hij weet, of de ambtenaar al dan niet toestemming van de betrokken instelling had om een dading aan te gaan met het oog op de vergoeding van de geleden schade.
9. Tot slot moet erop worden gewezen, dat krachtens een in het recht van alle Lid-Staten erkend beginsel, te weten het vertrouwensbeginsel, in ieder geval de rechten van degene die te goeder trouw heeft gehandeld, worden beschermd. Wat de onderhavige materie betreft, moet in het bijzonder worden opgemerkt, dat de wettelijke regelingen van alle Lid-Staten alsook de desbetreffende rechtspraak voldoende waarborgen bieden ter bescherming van de aansprakelijke derde die de uit het ongeval voortvloeiende schade rechtstreeks aan het slachtoffer heeft vergoed. (7)
10. Gezien het voorgaande ben ik van mening, dat de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan een gemeenschapsambtenaar het slachtoffer is, zich op de gedane betaling kan beroepen tegenover de instelling die in diens rechten is gesubrogeerd. Tot een andere conclusie zou men enkel moeten komen in het geval dat de gemeenschapsinstelling de aansprakelijke derde in kennis heeft gesteld van haar recht van subrogatie en van haar voornemen dit recht uit te oefenen.
Het beginsel dat de subrogatie van rechtswege plaatsvindt, moet derhalve aldus worden begrepen, dat zij ook plaatsvindt zonder voorafgaande toestemming van de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden, en niet aldus, dat de subrogatie plaatsvindt onafhankelijk van een mededeling van de betrokken instelling aan de aansprakelijke derde, waarmee deze in kennis wordt gesteld van het door het Statuut toegekende recht van subrogatie en van het voornemen dit uit te oefenen. Alleen deze wilsverklaring - en ik zeg dit met klem - zou tot gevolg hebben dat een eventuele dading niet aan die instelling kan worden tegengeworpen.
In feite heeft de Commissie in haar schriftelijk antwoord op een ter terechtzitting gestelde vraag bevestigd, dat zij Joris niet heeft gewaarschuwd dat zij jegens hem verhaal kon uitoefenen, omdat zij, gezien de van Royale belge ontvangen vergoedingen, nauwelijks grond had voor een dergelijk verhaal. Immers, met betrekking tot de door de ziekenkas van de Gemeenschappen gedekte medische kosten had, naar uit de feiten van de zaak blijkt, geen subrogatie plaatsgevonden.
Ik ben het niet eens met de stelling van de Commissie. Ik wil er alleen maar dit van zeggen: krachtens het Statuut treedt de gemeenschapsinstelling in de rechten van haar ambtenaar op het tijdstip van de schadebrengende gebeurtenis; de subrogatie van de verzekeraar in de rechten van de instelling, die krachtens overeenkomst plaatsvindt en onderworpen is aan het gewone Belgische recht, geschiedt pas later, namelijk door de betaling. Hieruit volgt, dat de verzekeraar van de gemeenschapsinstelling zich pas na betaling, dat wil zeggen op een later tijdstip, bij de aansprakelijke derde kan melden. Het is hoe dan ook dus de gemeenschapsinstelling die verplicht is contact op te nemen met de aansprakelijke derde; een andere oplossing zou in een geval als dit betekenen, dat de Commissie zelf afbreuk heeft gedaan aan het recht van subrogatie van haar verzekeraar.
11. Een en ander betekent uiteraard niet, dat ambtenaren twee maal vergoeding voor dezelfde schade kunnen ontvangen. De relevante statutaire bepaling moet immers aldus worden uitgelegd, dat de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden jegens de gemeenschapsinstelling aansprakelijk zijn voor de aan het recht van subrogatie gedane afbreuk. Met andere woorden, de gemeenschapsambtenaar is tegenover zijn instelling volledig aansprakelijk wanneer hij door zijn gedrag de instelling heeft belet zich op de aansprakelijke derde te verhalen.
De instelling kan en moet dus het reeds door de ambtenaar ontvangen bedrag in mindering brengen indien zij nog niet alles heeft betaald waarop de betrokkene ingevolge het Statuut recht heeft, dan wel, door een actie uit onverschuldigde betaling, de terugbetaling van het verschil vorderen, wanneer de ambtenaar reeds zowel de vergoeding van de aansprakelijke derde als de statutair verschuldigde uitkeringen heeft ontvangen.
Kortom: a) subrogatie ten gunste van de Gemeenschappen vindt automatisch plaats op het tijdstip van de schadebrengende gebeurtenis; b) de voor het ongeval aansprakelijke derde kan het feit dat hij al heeft betaald, aan de gemeenschapsinstelling tegenwerpen, tenzij deze hem te voren in kennis heeft gesteld van het bestaan van het recht van subrogatie en van haar voornemen dit uit te oefenen, en c) de ambtenaar is tegenover de instelling aansprakelijk voor het geval hij afbreuk heeft gedaan aan het recht van subrogatie.
Ik merk nog op, dat wanneer het om artikel 85 bis, lid 1, gaat, de oplossing niet anders dient te zijn.
12. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof derhalve in overweging de door het Tribunal de paix de Luxembourg gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
"a) Artikel 73, lid 4, Ambtenarenstatuut en de nieuwe versie van artikel 85 bis, lid 1, van het Statuut moeten aldus worden uitgelegd, dat de subrogatie van de Gemeenschappen in de rechten en rechtsvorderingen van onder het Statuut vallende personen en hun rechthebbenden tegen derden die aansprakelijk zijn voor de schadebrengende gebeurtenis, ten belope van de ter uitvoering van de statutaire verplichtingen betaalde uitkeringen plaatsvindt op het tijdstip van de schadebrengende gebeurtenis;
b) de subrogatie heeft slechts gevolgen tegenover de aansprakelijke derde nadat de betrokken instelling deze in kennis heeft gesteld van het bestaan van dit recht van subrogatie en van haar voornemen dit recht uit te oefenen;
c) de gemeenschapsambtenaar is tegenover zijn instelling aansprakelijk indien hij door het aangaan van een dading of anderszins afbreuk doet aan het recht van subrogatie. In dat geval kan de instelling het reeds door de ambtenaar of zijn rechthebbenden ontvangen bedrag in mindering brengen indien zij nog niet alle bedragen heeft betaald waarop de betrokkenen krachtens het Statuut recht hebben, ofwel het onverschuldigd betaalde terugvorderen."
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) Deze bepaling luidt als volgt: "Wanneer het overlijden, een ongeval of een ziekte van een in dit Statuut bedoelde persoon aan een derde is te wijten, treden de Gemeenschappen, voor zover er voor hen uit de schadebrengende gebeurtenis op grond van dit Statuut verplichtingen voorvloeien, van rechtswege in alle rechten en rechtsvorderingen van die persoon of zijn rechtverkrijgenden ten aanzien van de aansprakelijke derde."
(2) Arrest van 16 oktober 1980, Boizard, Jurispr. 1980, blz. 2975, 2998.
(3) In het recht van alle Lid-Staten houdt subrogatie in, dat de gesubrogeerde door en als gevolg van de betaling treedt in de rechten van de subrogant.
(4) Arrest van 18 maart 1982, zaak 103/81, Chaumont-Barthel, Jurispr. 1982, blz. 1003, r.o. 11.
(5) Arrest van 20 oktober 1981, Commissie/België, Jurispr. 1981, blz. 2393, r.o. 8.
(6) Het is misschien niet overbodig erop te wijzen, dat het Statuut ook geldt voor personen die uit hoofde van de ambtenaar verzekerd zijn, en dat met betrekking tot de medische kosten en die van geneesmiddelen de subrogatie van de Gemeenschappen ook die uitkeringen omvat.
(7) Gelet op hetgeen tijdens de procedure is gesteld, wijs ik in het bijzonder erop, dat ook de Luxemburgse wettelijke regeling waarnaar in deze zaak is verwezen en op grond waarvan de sociale-zekerheidsorganen in de rechten van de verzekerde treden op het tijdstip waarop de schadebrengende gebeurtenis plaatsvindt en zodoende een eigen recht van verhaal hebben tegen de aansprakelijke derde, niettemin bepaalt dat, wanneer ondanks de aldus ingevoerde procedure de verzekerde reeds schadevergoeding van de aansprakelijke derde heeft gekregen, het sociale-zekerheidsorgaan de aan de verzekerde verschuldigde uitkeringen zal compenseren met het bedrag dat deze reeds van de aansprakelijke derde heeft ontvangen (zie de artikelen 118 en 237 van de Luxemburgse Code des assurances sociales).
Full & Egal Universal Law Academy