Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Monetair compenserende bedragen (hierna: "mcb' s") zijn bedragen die door de Lid-Staten worden toegekend of geheven over de invoer of uitvoer van bepaalde landbouwprodukten. Zij zijn bedoeld als compensatie voor verstoringen van de markt die kunnen ontstaan als gevolg van fluctuaties in de wisselkoersen. In geval van appreciatie van de valuta van de Lid-Staat van invoer moet door de importeur een bedrag worden betaald als compensatie voor het feit dat de produkten naar die valuta gerekend goedkoper zijn geworden, en in geval van depreciatie moet aan de importeur een bedrag worden betaald als compensatie voor het feit dat de produkten duurder zijn geworden. In het onderhavige geval waren diervoeders uit Frankrijk in België ingevoerd in een periode waarin de waarde van de Belgische frank was gedaald.
2. De onderhavige zaak heeft betrekking op mcb' s die zijn betaald of gevorderd over de invoer van maisperskoeken in België tussen 5 maart 1982 en 17 mei 1983. De importeur, de vennootschap Marichal-Margrève (hierna: "Marichal"), is verweerster in het hoofdgeding. Vast staat, dat het ingevoerde produkt valt onder een postonderverdeling van het gemeenschappelijk douanetarief (te weten 23.07 B I c 1) waarop een bijzondere bepaling van toepassing is. Deze bepaling werd ingevoerd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 495/79 van de Commissie van 14 maart 1979 (PB 1979, L 65, blz. 14) en overgenomen in de regeling die ten tijde van de in geding zijnde transacties van toepassing was, namelijk de verordeningen van de (EEG) Commissie nrs. 2901/81 van 7 oktober 1981 (PB 1981, L 288, blz. 1), 1071/82 van 5 mei 1982 (PB 1982, L 124, blz. 1) en 1235/82 van 19 mei 1982 (PB 1982, L 142, blz. 1). Opgemerkt zij evenwel, dat verordening nr. 2901/81 in feite niet van toepassing was op de onderhavige transacties, daar zij geen mcb' s voor importen in België vaststelde. Derhalve waren geen mcb' s verschuldigd vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1071/82 op 6 mei 1982.
3. In alle drie de verordeningen waarin de bepaling werd overgenomen, is deze te vinden in de vorm van voetnoot 9 in bijlage I, deel 1, van de verordening. Zij luidt als volgt:
"Voor produkten die produkten van post 07.06 of 11.04 C van het gemeenschappelijk douanetarief bevatten, worden voor het gedeelte 'granen' geen monetaire compenserende bedragen toegepast. De aangegeven bedragen zijn echter van toepassing indien de compenserende bedragen moeten worden geheven.
Bij de vervulling van de douaneformaliteiten
(...)
- bij invoer, in een Lid-Staat met gedeprecieerde valuta,
(...)
moet de belanghebbende in de voorgeschreven aangifte de volledige samenstelling van het produkt opgeven, met vermelding per tariefpost van het gehalte aan elk niet-zuivelprodukt dat in het betrokken produkt is verwerkt, uitgedrukt in gewichtspercenten."
Deze bepaling zal ik verder aanduiden als de "bepaling betreffende het gedeelte 'granen' ".
4. De bepaling betreffende het gedeelte "granen" had aldus een verlaging tot gevolg van de aan een importeur voor de invoer van de betrokken mengvoeders te betalen mcb' s. Indien het produkt een van de genoemde componenten bevatte (te weten een component vallend onder post 07.06 of postonderverdeling 11.04 C), dan waren voor het gedeelte "granen" geen mcb' s verschuldigd (ongeacht of er in dat produkt nog andere dan de genoemde granen waren verwerkt). Bovendien waren kennelijk voor geen enkele component mcb' s verschuldigd ingeval het gedeelte "granen" hoger was dan 50 gewichtspercenten. De door de Commissie hiervoor ter terechtzitting gegeven verklaring was, dat een dergelijk produkt voor de vaststelling van de mcb' s wordt aangemerkt als een graanprodukt, zodat de mcb' s enkel worden toegepast op het gedeelte "granen". Derhalve is duidelijk, dat het juiste mcb enkel kon worden berekend indien de samenstelling van het produkt, in het bijzonder het gewicht van de niet-zuivelcomponenten ervan, bekend was. Blijkens de tweede en vierde overweging van verordening nr. 495/79 was deze bepaling ingevoerd om "kunstmatige handelsstromen" tegen te gaan, dat wil zeggen handelsstromen die uitsluitend bedoeld waren om de toepassing van mcb' s te verkrijgen. Luidens de vijfde overweging van de verordening "kan de toepassing van de bepaling doeltreffender worden gemaakt indien de handelaren die om toekenning van het monetaire compenserende bedrag verzoeken de samenstelling van de betrokken produkten opgeven".
5. In het thans aan de orde zijnde geval had Marichal verzuimd bij het vervullen van de douaneformaliteiten bij invoer een dergelijke aangifte aan de Belgische autoriteiten te doen, zij het dat die informatie voor hetzelfde produkt in 1978 voor andere doeleinden aan de Franse autoriteiten was verschaft en dat een kopie van de eerdere aangifte op 9 januari 1984 aan de Belgische autoriteiten was overgelegd. In het hoofdgeding vordert de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economische zaken, de mcb' s terug die hij had betaald voor importen in het tijdvak van 5 maart 1982 tot 2 februari 1983, en vordert hij vaststelling dat hij geen mcb' s verschuldigd is voor importen gerealiseerd tussen 8 februari en 17 maart 1983, een en ander op grond dat Marichal heeft verzuimd de vereiste aangifte te doen. In antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof heeft de Belgische regering verklaard, dat bedoelde bedragen als gevolg van een administratieve fout waren betaald zonder dat vooraf was gecontroleerd, of aan de gestelde voorwaarden was voldaan.
6. De Rechtbank van eerste aanleg te Verviers heeft het Hof daarop de navolgende prejudiciële vraag gesteld:
"1) Volgt uit de bepalingen van gemeenschapsrecht, inzonderheid verordening (EEG) nr. 495/79 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 14 maart 1979, dat een handelaar onherroepelijk elk recht op monetair compenserende bedragen verliest, wanneer hij bij de vervulling van de douaneformaliteiten bij invoer, in een Lid-Staat met gedeprecieerde valuta, van mengvoeders van de postonderverdelingen 23.07 B I a 1 of 2, 23.07 B I b 1 of 2 dan wel 23.07 B I c 1 of 2 van het gemeenschappelijk douanetarief, de voor de toekenning van de monetair compenserende bedragen voorziene douaneaangifte niet naar behoren heeft ingevuld, door het niet vermelden van de in verordening (EEG) nr. 495/79 voorgeschreven gegevens, te weten de volledige samenstelling van het produkt met vermelding per tariefpost van het gehalte aan elk niet-zuivelprodukt dat in het betrokken produkt is verwerkt?
2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, volgt dan uit de bepalingen van gemeenschapsrecht, dat de betrokken handelaar zijn situatie achteraf kan regulariseren door de nationale administratie die bevoegd is voor de berekening en toekenning van de betrokken monetair compenserende bedragen, de voorgeschreven opgaven te doen?"
Ik wijs erop, dat op alle zes in de eerste vraag genoemde postonderverdelingen in het betrokken tijdvak de bepaling betreffende het gedeelte "granen" van toepassing was, al vielen in het onderhavige geval zoals gezegd alle ingevoerde produkten onder postonderverdeling 23.07 B I c 1.
7. Verordening nr. 495/79 bevat geen uitdrukkelijke bepaling omtrent de gevolgen van een verzuim om de vereiste aangifte te doen. Nadere bepalingen betreffende het recht op mcb' s zijn evenwel te vinden in verordening (EEG) nr. 1371/81 van de Commissie van 19 mei 1981 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de monetaire compenserende bedragen (PB 1981, L 138, blz. 1). Hoofdstuk B van titel II van deze verordening (artikelen 5 en 6) is getiteld "Invoer"; artikel 6 bepaalt het volgende:
"Bij het vervullen van de douaneformaliteiten voor invoer vermeldt de betrokkene op het voor dit doel voorgeschreven document alle gegevens die nodig zijn voor het berekenen van het monetaire compenserende bedrag, en met name
(...)
d) (...) voor zover nodig voor het berekenen van het monetaire compenserende bedrag, de samenstelling van de produkten."
Hoofdstuk E van titel II (artikelen 16 en 17) is getiteld "Betaling". Artikel 16, lid 1, bepaalt:
"Het bij invoer toe te kennen monetaire compenserende bedrag wordt alleen betaald indien een kopie wordt overgelegd van de invoeraangifte en in voorkomend geval van de bijbehorende documenten, waarin zijn vermeld de gegevens bedoeld in artikel 6 en het feit dat de produkten zijn ingevoerd. (...)"
Artikel 17 luidt als volgt:
"1. De toe te kennen monetaire compenserende bedragen worden alleen betaald wanneer daarom door de betrokkene schriftelijk is verzocht (...)
2. Behoudens overmacht gaat het recht op toe te kennen monetaire compenserende bedragen verloren indien het dossier niet wordt overgelegd binnen twaalf maanden na de dag waarop de douane de invoeraangifte of de uitvoeraangifte heeft aanvaard.
(...)"
8. Uit deze bepalingen blijkt, dat een importeur alleen recht heeft op mcb' s indien hij binnen twaalf maanden na de aanvaarding van de invoer een kopie van het bij de invoeraangifte behorende dossier overlegt, waaruit de in artikel 6 genoemde gegevens blijken. Ingeval derhalve voor de vaststelling van mcb' s gegevens over de samenstelling van de produkten nodig zijn, moet de importeur een kopie van het bij de invoeraangifte behorende document overleggen, waarin die gegevens zijn vermeld. Bijgevolg moet, indien de bepaling betreffende het gedeelte "granen" van toepassing is, een kopie van de door die bepaling voorgeschreven aangifte worden overgelegd. Bij een enge letterlijke uitlegging van verordening nr. 1371/81 komt een importeur die bij de invoer heeft verzuimd een dergelijke aangifte te doen, dus niet in aanmerking voor de betaling van mcb' s, daar hij niet in staat is, een dergelijk document over te leggen.
9. Het doen van de vereiste aangifte bij de invoer is derhalve een formele voorwaarde voor de betaling van mcb' s. Niettemin is het duidelijk, dat de inachtneming van deze formaliteit niet moet worden gezien als een absolute voorwaarde voor de betaling van mcb' s, tenzij die inachtneming voor een doeltreffende controle op de betrokken transacties noodzakelijk is (zaak 46/82, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1983, blz. 3549, r.o. 10). Derhalve moet worden overwogen, of de controle van het gedeelte "granen" van het produkt even doeltreffend zou zijn indien het de handelaar zou zijn toegestaan dezelfde informatie na de invoer te verschaffen.
10. In het verwijzingsvonnis geeft de verwijzende rechter te kennen, dat de douaneautoriteiten op de hoogte waren van het voornemen van de importeur om mcb' s aan te vragen, en hadden moeten beseffen, dat de samenstelling van de ingevoerde goederen voor die aanvraag van belang was. In deze opvatting vormde het ontbreken van een aangifte bij de invoer geen beletsel voor het verrichten van de nodige controles, daar de autoriteiten een monster van het produkt konden nemen en behouden, om dit te gebruiken ter controle van een latere aangifte. Voorts was het volgens de verwijzende rechter de verantwoordelijkheid van de douaneautoriteiten om de aandacht van de importeur op de toepasselijke formaliteiten te vestigen.
11. De Commissie daarentegen stelt, dat elke redelijk opmerkzame handelaar van de betrokken vereisten op de hoogte moest zijn. Gezien het grote aantal door de douaneautoriteiten te behandelen transacties, werkt de door de handelaar in te dienen aangifte van de samenstelling als een noodzakelijke waarschuwing. Van de autoriteiten kan dan ook niet worden verlangd dat zij overgaan tot het nemen van monsters, wanneer zij er niet voor zijn gewaarschuwd dat zulks wellicht noodzakelijk is. Bovendien, aldus de Commissie, zal de controle van de samenstelling van het produkt moeilijker en minder betrouwbaar zijn, indien er bij de invoer geen monster is genomen.
12. De argumenten van de Commissie komen mij zeer overtuigend voor. Wanneer een importeur een aangifte van de inhoud doet, worden de douaneautoriteiten erop attent gemaakt, dat de juistheid van die aangifte van belang kan zijn voor een verzoek om mcb' s en kunnen zij dienovereenkomstig alle van toepassing zijnde procedures voor het nemen van monsters inleiden. Bij gebreke van een dergelijke aangifte zou het aan de autoriteiten staan, vast te stellen dat de informatie van belang is. Gezien het grote aantal produkten van allerlei soort dat door de douaneautoriteiten wordt behandeld, zou dat mijns inziens een te hoge mate van waakzaamheid vergen van mogelijkerwijs overbelaste ambtenaren. De importeur daarentegen heeft een minder breed scala produkten te behandelen en kan redelijkerwijs worden geacht op de hoogte te zijn van de bijzondere vereisten die voor elk produkt gelden.
13. Even overtuigend vind ik het argument van de Commissie, dat controle achteraf van de samenstelling van het produkt moeilijker en minder doeltreffend is dan een systeem van aangifte en monsterneming bij invoer. Weliswaar kunnen de componenten van een produkt in beginsel worden vastgesteld aan de hand van informatie van de fabrikant, evenals, althans in theorie, een monster van een produkt kan worden genomen nadat het is ingevoerd, zolang de partij nog niet is geconsumeerd, maar in beide gevallen is de controleprocedure waarschijnlijk duurder en minder betrouwbaar dan volgens het voorgeschreven systeem. Het vasthouden aan de voorgeschreven formaliteiten lijkt mij dan ook essentieel voor een doeltreffend toezicht op de in geding zijnde transacties.
14. Ten slotte merkt de Commissie terecht op dat een handelaar uiteraard geen beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel om bedragen te verkrijgen die door de nationale autoriteiten ten onrechte zijn betaald in strijd met een duidelijke bepaling van gemeenschapsrecht (arrest van 26 april 1988, zaak 316/86, Kruecken, Jurispr. 1988, blz. 2213, r.o. 23 en 24).
15. Mijns inziens moet de eerste vraag dan ook bevestigend worden beantwoord, en behoeft de tweede vraag derhalve geen beantwoording. Zou het evenwel, anders dan ik meen, mogelijk zijn het verzuim te herstellen nadat de goederen zijn ingevoerd, dan kan dat uiteraard enkel doordat de importeur binnen twaalf maanden na de aanvaarding van de invoeraangifte de voorgeschreven informatie aan de bevoegde autoriteiten verstrekt: zie artikel 17, lid 2, van verordening nr. 1371/81, hiervoor aangehaald bij punt 7. Nu in het onderhavige geval eerst informatie werd verschaft op 9 januari 1984, zou het recht op mcb' s voor importen van vóór 9 januari 1983 niettemin verloren zijn gegaan.
Conclusie
16. Ik ben dan ook van mening, dat de door de Rechtbank van eerste aanleg te Verviers voorgelegde vragen moeten worden beantwoord als volgt:
"De bepalingen van voetnoot 9 in bijlage I, deel 1, bij respectievelijk de verordeningen van de Commissie (EEG) nrs. 2901/81 van 7 oktober 1981, (EEG) nr. 1071/82 van 5 mei 1982 en (EEG) nr. 1235/82 van 19 mei 1982, zoals deze oorspronkelijk zijn ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 495/79 van de Commissie van 14 maart 1979, gelezen in verband met verordening (EEG) nr. 1371/81 van de Commissie van 19 mei 1981, moeten aldus worden uitgelegd, dat een importeur onherroepelijk ieder recht op monetair compenserende bedragen verliest, indien hij bij de vervulling van de invoerformaliteiten voor mengvoeders vallende onder de postonderverdelingen waarop die bepalingen betrekking hebben, verzuimt de in die bepalingen voorgeschreven aangifte te doen."
(*) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy