CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 31 maart 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In deze zaak vraagt het Tribunal Fiscal Aduaneiro do Porto aan het Hof of de bij besluitwet nr. 152 van 10 mei 1989 ingestelde „Imposto Automóvel” (voertuigbelasting) verenigbaar is met de artikelen 12 en 95 EEG-Verdrag.
Zoals blijkt uit artikel 1 van de betrokken besluitwet, wordt deze specifieke, eenfasige en naar cilinderinhoud variërende belasting geheven op lichte motorvoertuigen bestemd voor personenvervoer, daaronder begrepen voertuigen voor gemengd gebruik, renwagens en andere voertuigen die voornamelijk bestemd zijn voor het vervoer van personen, met uitzondering van kampeerauto's. De betrokken belasting betreft zowel ingevoerde nieuwe of gebruikte voertuigen, als voertuigen die in Portugal zijn geassembleerd of gefabriceerd en reeds zijn geregistreerd.
2.
Blijkens de verwijzingsbeschikking en de dossierstukken gaat het om de volgende feiten. In november 1989 voerde de te Lissabon gevestigde vennootschap Automóveis Citroen een nieuw voertuig van het merk Citroen met een cilinderinhoud van 1360 cm3 in Portugal in. Het voertuig werd door de douaneautoriteiten beschouwd als een licht motorvoertuig, bestemd voor goederenvervoer, omdat het was voorzien van een vast tussenschot dat de voor de bestuurder en de passagiers bestemde ruimte volledig afsloot van de laadruimte.
Om die reden werd bij de invoer niet de bij besluitwet nr. 152/89 vastgestelde voertuigbelasting geheven. De importeur was evenwel verplicht, de kenmerken waardoor het voertuig voor de belasting als een licht motorvoertuig, bestemd voor goederenvervoer, kon worden aangemerkt, niet te wijzigen, omdat hij zich anders schuldig maakte aan douanefraude waarop een geldboete van ten minste 10000 ESC en ten hoogste 10000000 ESC was gesteld.
Vervolgens werd het voertuig, vóór 31 december 1989, verkocht aan een Portugese vennootschap die het liet registreren als een licht motorvoertuig bestemd voor goederenvervoer.
Op 20 juli 1990 maakte de Polícia de Segurança Pública tegen L. Dias, een personeelslid van voornoemde vennootschap, procesverbaal op wegens douanefraude, omdat hij het voertuig bestuurde, waarin het tussenschot, dat de voor de bestuurder bestemde ruimte scheidde van de laadruimte, was verwijderd.
3.
Nadat hij was gesommeerd, een boete van 200000 ESC te betalen, stelde betrokkene beroep in bij het Tribunal Fiscal Aduaneiro, met het verzoek om nietigverklaring van de maatregel; aangezien de geadieerde rechter twijfels koesterde omtrent de verenigbaarheid van besluitwet nr. 152/89 met het gemeenschapsrecht, heeft hij het Hof de volgende acht prejudiciële vragen gesteld:
„1)
Is het ingevolge artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag toegestaan, dat de Portugese Staat over uit de Gemeenschap ingevoerde, gebruikte voertuigen voertuigbelasting heft, en in Portugal gekochte gebruikte voertuigen onbelast laat?
2)
Is het ingevolge artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag toegestaan, voor de Portugese voertuigbelasting gebruik te maken van een tabel met specifieke tarieven, die voor niet in Portugal geassembleerde of gefabriceerde voertuigen vanaf een bepaalde cilinderinhoud progressief toenemen, en die zo zijn gestructureerd dat uitsluitend ingevoerde voertuigen worden getroffen?
3)
Is het ingevolge artikel 95 EEG-Verdrag toegestaan, dat Portugal het gebruik van voertuigen stabiliseert of tracht te stabiliseren in een economisch model dat de voertuigen met een cilinderinhoud tussen 801 cm3 en 1500 cm3 omvat, door voor voertuigen met die cilinderinhoud belastingvermindering te verlenen?
4)
Is het ingevolge artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag toegestaan, dat voor de voertuigbelasting bij invoer andere inningsmodaliteiten en andere betalingstermijnen gelden dan voor de belasting die verschuldigd is voor in Portugal gefabriceerde voertuigen?
5)
Is het ingevolge artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag toegestaan, dat de Portugese staat met betrekking tot de deelneming aan het verkeer een beperking stelt voor ingevoerde voertuigen, terwijl deze beperking niet geldt voor in Portugal geassembleerde en gefabriceerde voertuigen, in die zin dat zij maximaal 48 uur na binnenkomst in het land aan het verkeer mogen deelnemen?
6)
Is het ingevolge artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag toegestaan, dat de Portugese Staat een termijn stelt voor de indiening van de bescheiden betreffende de invoer van voertuigen bij de bevoegde douane-instantie, terwijl hij een dergelijke termijn niet stelt voor de indiening van de desbetreffende bescheiden voor in Portugal geassembleerde of gefabriceerde voertuigen?
7)
Is het ingevolge artikel 95 EEG-Verdrag toegestaan, dat de Portugese Staat vrijstelling van de voertuigbelasting verleent voor antieke voertuigen, zodra vaststaat dat aan bepaalde subjectieve voorwaarden is voldaan?
8)
Is het niet een opzettelijke, verkapte schending van artikel 95 EEG-Verdrag, wanneer een Lid-Staat aan de vooravond van de toetreding tot de EEG een binnenlandse bijzondere verbruiksbelasting invoert die zowel geldt voor uit de Gemeenschap ingevoerde produkten als voor produkten die beweerdelijk in zijn eigen land worden vervaardigd, terwijl die produkten in die Lid-Staat niet worden vervaardigd of in zo geringe hoeveelheden, dat de markt er geen enkele invloed van ondervindt? Betreft het hier dan geen heffing van gelijke werking als een invoerrecht in de zin van artikel 12 EEG-Verdrag?”
4.
Laat ik voorop stellen, dat de Portugese regering, het Openbaar ministerie bij het Tribunal Fiscal Aduaneiro, en in mindere mate de Commissie zelf, ernstige twijfels hebben geuit over de relevantie van de gestelde vragen.
In dit verband moet worden opgemerkt, dat ik deze twijfels, behalve wat de achtste vraag betreft, die hoe dan ook zou moeten worden geherformuleerd en die straks ter sprake komt, volledig gegrond acht. Gelet op de elementen van de zaak, zie ik niet hoe het antwoord op de geformuleerde vragen de verwijzende rechter van nut kan zijn ter beslechting van het bij hem aanhangige geschil; in werkelijkheid lijkt het Hof te worden verzocht om in volstekt algemene en abstracte termen een oordeel uit te spreken over de verenigbaarheid van de Portugese wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht en daarbij nationale bepalingen te onderzoeken die geen enkel verband houden met het voorwerp van het geschil en dus buiten de grenzen van de hem in artikel 177 EEG-Verdrag opgedragen opdracht te treden.
Ik herinner er namelijk aan dat, zoals uit de tekst van artikel 177 EEG-Verdrag blijkt en zoals het Hof nader heeft verklaard, de verwijzingsprocedure een samenwerkingsinstrument voor het Hof van Justitie en de nationale rechters is, door middel waarvan het Hof de nationale rechters de gegevens voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht verschaft, die zij nodig hebben voor de beslechting van bij hen aanhangige gedingen ( 1 ); bovendien draagt artikel 177 het Hof niet op om rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken te formuleren, maar bij te dragen aan een goede rechtsbedeling in de Lid-Staten. ( 2 )
Voorts heeft het Hof op grond van deze beginselen steeds geweigerd vragen van nationale rechters te beantwoorden, wanneer de hem ter uitlegging voorgelegde bepaling van gemeenschapsrecht kennelijk niet van toepassing is ( 3 ), en bovendien vaak de door de verwijzende rechter op onjuiste wijze gestelde vragen opnieuw geformuleerd.
Volgens vaste rechtspraak is in het kader van de in artikel 177 EEG-Verdrag neergelegde bevoegdheidsverdeling tussen de nationale rechters en het Hof de nationale rechter, die als enige rechtstreeks kennis heeft van de feiten van het geding en van de door partijen aangevoerde argumenten en die uitspraak in de zaak zal moeten doen, immers het best in staat om, met volledige kennis van zaken, te beoordelen wat het belang van de in het aanhangige geding opgeworpen rechtsvragen is alsmede of een prejudiciële beslissing nodig is om vonnis te kunnen wijzen. ( 4 ) Uit dezelfde rechtspraak van het Hof volgt evenwel, dat wanneer de vragen onjuist zijn geformuleerd of buiten het kader van de hem bij artikel 177 verleende opdracht vallen, het aan het Hof van Justitie blijft voorbehouden om uit de door de nationale rechter verstrekte gegevens en met name uit de motivering van het verwijzingsbesluit de elementen van gemeenschapsrecht te putten welke, mede gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging —of in voorkomend geval een beoordeling van de geldigheid — vereisen. ( 5 )
5.
Hierna zal ik kort uiteenzetten waarom ik het Hof in overweging zal geven, vrijwel alle vragen van de verwijzende rechter onbeantwoord te laten.
De eerste vraag betreft het eventuele discriminerende karakter van de Portugese wettelijke regeling ten aanzien van uit andere Lid-Staten ingevoerde gebruikte voertuigen. Zoals reeds gezegd, gaat het in casu om een ingevoerd nieuw voertuig en aan de rechtspositie van L. Dias in het hoofdgeding zou niets veranderen, wanneer eventueel zou worden vastgesteld, dat de betrokken regeling discriminerend is voor gebruikte voertuigen.
Hetzelfde geldt voor de tweede en de derde vraag, wanneer wordt bedacht, dat het betrokken voertuig een cilinderinhoud van 1360 cm3 heeft, terwijl, zoals duidelijk uit de motivering van de verwijzingsbeschikking blijkt, de verwijzende rechter zich afvraagt of de zwaardere belasting voor voertuigen met een cilinderinhoud van meer dan 1750 cm3 in strijd is met het gemeenschapsrecht, en hij beklemtoont, dat de betrokken regeling modellen met een cilinderinhoud tussen 801 cm3 en 1500 cm3 bevoordeelt.
Het lijkt mij overduidelijk dat, zelfs wanneer het Hof van mening mocht zijn, dat de betrokken Portugese regeling onverenigbaar is met artikel 95 EEG-Verdrag, voor zover hierin ingevoerde voertuigen met een cilinderinhoud van meer dan 1500 cm3 of 1750 cm3 worden benadeeld, een dergelijke uitspraak geen gevolg heeft voor de inning van de belasting op voertuigen met een geringere cilinderinhoud.
Bijgevolg behoeft het Hof deze vragen niet te beantwoorden. Hooguit zou het, om een volledig en uitputtend antwoord te geven, de criteria die in de rechtspraak zijn vastgesteld voor progressieve belastingstelsels kunnen herhalen, met een verwijzing naar de specifieke belasting die in deze zaak aan de orde is, dat wil zeggen de belasting op voertuigen met een cilinderinhoud van 1360 cm3.
De vierde, de vijfde en de zesde vraag betreffen vervolgens de in de Portugese regeling voorgeschreven wijze van invordering van de belasting en douaneformaliteiten.
Ook in dit verband moet andermaal worden opgemerkt, dat het betrokken voertuig is ingevoerd met vrijstelling van de voertuigbelasting, die pas opeisbaar is geworden na de ombouw van het voertuig zelf en onder dezelfde voorwaarden als voor een in Portugal gefabriceerd voertuig zouden hebben gegolden; daarom is ook in dit geval de eventuele vaststelling, dat de wijze van invordering van de belasting bij invoer discriminerend is, duidelijk van geen enkel nut voor de beslechting van het geschil voor het Tribunal Fiscal Aduaneiro.
Overeenkomstige overwegingen gelden ook voor de zevende vraag, waarin de verwijzende rechter het probleem van de wettigheid van de bepalingen van besluitwet nr. 152/89 met betrekking tot antieke voertuigen aan de orde stelt.
6.
In het licht van deze overwegingen en gelet op de gegevens die de verwijzende rechter heeft verstrekt en die uit de processtukken blijken, lijkt mij de achtste vraag van de verwijzende rechter de enige vraag die een antwoord van het Hof vergt. Deze vraag betreft het probleem of de belasting moet worden aangemerkt als een heffing van gelijke werking in de zin van de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag of als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95. ( 6 )
In dit verband merk ik allereerst op, dat blijkens vaste rechtspraak van het Hof ( 7 ), dezelfde belasting in het stelsel van het Verdrag niet tegelijkertijd kan behoren tot de categorie van heffingen van gelijke werking als een douanerecht in de zin van de artikelen 9, 12 en 13 EEG-Verdrag, en tot de categorie van binnenlandse belastingen in de zin van artikel 95, aangezien in de artikelen 9 en 12 wordt verboden tussen Lid-Staten in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking toe te passen, terwijl artikel 95 slechts de binnenlandse belastingen verbiedt, die produkten van andere Lid-Staten discrimineren.
Meer in het bijzonder is het belangrijkste kenmerk waardoor een heffing van gelijke werking als een douanerecht zich van een binnenlandse belasting onderscheidt, het feit, dat de bedoelde heffing uitsluitend het ingevoerde produkt als zodanig treft, terwijl een binnenlandse belasting zowel ingevoerde als nationale produkten treft.
Ten slotte volgt uit de rechtspraak van het Hof eveneens, dat een last die een uit een andere Lid-Staat ingevoerd produkt treft, terwijl een gelijk of soortgelijk nationaal produkt ontbreekt, niet als een heffing van gelijke werking, maar als een binnenlandse belasting als bedoeld in artikel 95 EEG-Verdrag is te beschouwen, wanneer zij behoort tot een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, waardoor groepen produkten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve criteria die onafhankelijk van de oorsprong der produkten worden toegepast.
7.
Wanneer ik nu de betrokken regeling in het licht van het zoeven genoemde beginsel onderzoek, valt op dat de „Imposto Automóvel” zonder onderscheid op zowel in Portugal geassembleerde of gefabriceerde voertuigen, als op ingevoerde nieuwe en gebruikte voertuigen van toepassing is naar gelang van hun cilinderinhoud waarvoor de waarden in cm3 zijn vastgesteld, en dat hij in beginsel zodanige kenmerken vertoont, dat hij in het licht van ‚s Hofs rechtspraak als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag kan worden beschouwd.
Anders dan de verwijzende rechter lijkt te veronderstellen, blijkt bovendien uit de door de Portugese autoindustrie verstrekte gegevens (die door de Commissie niet worden betwist), dat de binnenlandse produktie van (gefabriceerde of geassembleerde) auto's niet volledig is te verwaarlozen.
Op grond van deze opmerkingen ben ik daarom van mening, dat de bedoelde vraag aldus moet worden beantwoord, dat een belasting die voertuigbelasting wordt genoemd en die zowel ingevoerde als binnenlandse produkten treft, geen heffing van gelijke werking als een invoerrecht in de zin van de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag vormt, wanneer zij deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, waardoor groepen produkten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve criteria die onafhankelijk van de oorsprong van de produkten worden toegepast; deze belasting is aan te merken als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag.
8.
Met betrekking tot deze laatste bepaling kan in de eerste plaats worden volstaan met de opmerking, dat volgens ’s Hofs rechtspraak de Lid-Staten bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht vrij blijven om produkten als auto's te onderwerpen aan een belastingregeling waarbij het bedrag van de belasting progressief stijgt volgens een objectief criterium zoals het fiscale vermogen of de cilinderinhoud ( 8 ), en in de tweede plaats dat, zoals de verwijzende rechter lijkt in te zien en zoals duidelijk blijkt uit de bij besluitwet nr. 152/89 gevoegde tabel ( 9 ), in casu de belasting die wordt geheven op voertuigen met een cilinderinhoud van 1360 cm3, niet van dien aard is, dat hiervan een discriminerende of beschermende werking uitgaat.
9.
In het licht van voorgaande opmerkingen, geef ik in overweging om de verwijzende rechter te antwoorden als volgt:
„Een belasting die voertuigbelasting wordt genoemd en die zowel ingevoerde als binnenlandse produkten treft, vormt geen heffing van gelijke werking als een invoerrecht in de zin van de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag, wanneer zij deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, waardoor groepen produkten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve criteria die onafhankelijk van de oorsprong van het produkt worden toegepast.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) Beschikking van 26 januari 1990 (zaak C-286/88, Falciola, Jurispr. 1990, blz. I-191, r. o. 7).
( 2 ) Arrest van 16 december 1981 (zaak 244/80, Foglia, Jurispr. 1981, blz. 3045, r. o. 18).
( 3 ) Arresten van 8 november 1990 (zaak C-231/89, Gmurzynska, Jurispr. 1990, blz. I-4003, r. 0.23); 18 oktober 1990 (gevoegde zaken C-297/88 en C-197/89, Dzodzi, Jurispr. 1990, blz. I-3763, r. o. 40); 16 september 1982 (zaak 132/81, Vlaeminck, Jurispr. 1982, blz. 2953, r. o. 13 en 14), en 16 juni 1981 (zaak 126/80, Salonia, Jurispr. 1981, blz. 1563, r. o. 6).
( 4 ) Arresten van 14 februari 1980 (zaak 53/79, Damiani, Jurispr. 1980, blz. 273, r. o. 5); 29 november 1978 (zaak 83/78, Pigs Marketing Board, Jurispr. 1978, blz. 2347, r. o. 25), en 16 maart 1978 (zaak 117/77, Pierik, Jurispr. 1978, blz. 825, r. o. 6 en 7).
( 5 ) Arresten van 20 maart 1986 (zaak 35/85, Tissicr, Jurispr. 1986, blz. 1207, r. o. 9); 4 december 1980 (zaak 5-1/80, Wilncr, Jurispr. 1980, blz. 3673, r. o. 4); 15 oktober 1980 (zaak 4/79, Providence agricole dc la Champagne, Jurispr. 1980, blz. 2823, r. o. 15), cn 29 november 1978, Pigs Marketing Board, reeds aangehaald, r. o. 26).
( 6 ) De achtste vraag lijkt, zoals hij geformuleerd is in feite betrekking te hebben op een regeling die niet meer van kracht is. Er -wordt namelijk venvezen naar een belasting die is ingevoerd aan de vooravond van de toetreding van Portugal, namelijk naar besluitwet nr. 679 van december 1973, zoals gewijzigd bij besluitwet nr. 504/F van december 1985. Deze regeling is evenwel bij besluitwet nr. 405/87 ingetrokken en bepaalt bovendien, anders dan besluitwet nr. 152/89, die in het geval van L. Dias van toepassing is, het bedrag van de belasting op basis van de waarde en niet van de cilinderinhoud van het voertuig.
( 7 ) Arresten van 7 mei 1987 (zaak 193/85, Co-Frutta, Jurispr. 1987, blz. 2085, r. o. 8-11), en 22 maart 1977 (zaak 78/76, Steinike & Weinlig, Jurispr. 1977, blz. 595, r. o. 27 en 28).
( 8 ) Arresten vin 5 april 1990 (zaak C-132/88, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1990, blz. I-1567, r. o. 17), en 9 mei 1985 (zaak 112/84, Hurablot, Jurispr. 1985, bb. 1367. r. o. 121
( 9 )
Full & Egal Universal Law Academy