Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1. De zaak waarin ik heden conclusie neem, betreft een hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht van eerste aanleg in een ambtenarenzaak, waarin het Hof zonder mondelinge behandeling uitspraak dient te doen.
2. Bij de beëindiging van haar dienst had verzoekster in eerste aanleg, G. Virgili-Schettini (hierna: "verzoekster"), het tot aanstelling bevoegde gezag van het Europees Parlement (hierna: "verweerder") overeenkomstig artikel 4 van bijlage V bij het Ambtenarenstatuut verzocht om compensatie voor niet-opgenomen verlofdagen. Bij besluit van 1 februari 1989 werd haar die compensatie geweigerd, op grond dat zij geen recht op verlof meer had.
3. Verzoekster kwam tegen dat besluit op, omdat zij meende om twee redenen nog wel recht op verlof te hebben. De eerste reden hield verband met de overboeking van verlofdagen van 1987 naar 1988, de tweede met een verschillende berekening van het begin en het einde van haar moederschapsverlof in 1988.
4. Het Gerecht van eerste aanleg heeft verzoekster in het gelijk gesteld met betrekking tot de overboeking van het saldo van haar verlofrechten naar 1988 en het beroep voor het overige verworpen.
5. Verweerder heeft hogere voorziening ingesteld tegen de veroordeling tot betaling van compensatie voor 27 verlofdagen. Voor de feiten, de middelen en argumenten van partijen en het procesverloop verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.
6. In hogere voorziening voert verweerder drie middelen aan, respectievelijk ontleend aan
1) niet-ontvankelijkheid van het beroep,
2) gebrek aan motivering van het in eerste aanleg gewezen arrest,
3) schending van artikel 4 van bijlage V bij het Statuut.
B - Discussie
1. De niet-ontvankelijkheid van het beroep
7. In eerste aanleg heeft verweerder geen exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, doch de beslissing over de ontvankelijkheid uitdrukkelijk aan het oordeel van het Gerecht overgelaten. Subsidiair had hij een aantal argumenten met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep voorgedragen, die gebaseerd waren op het feit dat de precontentieuze klacht niet door verzoekster zelf, maar door haar advocaat, haar latere procesgemachtigde, was ondertekend.
8. Het Gerecht van eerste aanleg stelde vast, dat waar vaststond dat het initiatief tot de klacht van verzoekster was uitgegaan, die ook de strekking ervan had bepaald, het van een volstrekt excessief, wettelijk ongefundeerd en met de rechtspraak van het Hof strijdig formalisme zou getuigen, te verlangen dat de ambtenaar de door zijn advocaat geredigeerde klacht ondertekent. (1)
9. Daar verweerder geen exceptie van niet-ontvankelijkheid had opgeworpen, kon hij met betrekking tot de ontvankelijkheid formeel niet in het ongelijk worden gesteld. Artikel 113, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt uitdrukkelijk, dat nieuwe conclusies niet zijn toegelaten. Deze bepaling luidt als volgt:
"Hogere voorziening moet strekken tot:
- gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het Gerecht;
- gehele of gedeeltelijke toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde; nieuwe conclusies zijn niet toegelaten."
10. Aangezien in eerste aanleg geen exceptie van niet-ontvankelijkheid is opgeworpen, kan zij in de hogere voorziening ook niet worden "toegewezen".
11. Bijgevolg moet het aan niet-ontvankelijkheid ontleende middel niet-ontvankelijk worden verklaard, daar het verder gaat dan de conclusies in eerste aanleg.
12. Subsidiair wil ik opmerken, dat dit middel ook materieel niet kan slagen. Beide partijen beroepen zich voor hun stellingen op de zaak Herpels. (2) Volgens verweerder wordt de aard van de precontentieuze procedure, die als een dialoog tussen de ambtenaar en het tot aanstelling bevoegd gezag is te beschouwen, vervalst indien de ambtenaar zich reeds in dat stadium zou kunnen laten bijstaan en vertegenwoordigen door een advocaat.
13. Daartegen voert verzoekster aan, dat het een personeelslid van de Europese Gemeenschappen vrijstaat, zich reeds tijdens de precontentieuze procedure van de raad en bijstand van een advocaat te verzekeren.
14. Met betrekking tot het arrest Herpels wijs ik er om te beginnen op, dat het probleem van de vertegenwoordiging door een advocaat in de precontentieuze procedure in die zaak slechts aan de orde was, voor zover het ging om de vraag, of de verwerende instelling de in die fase gemaakte kosten moest dragen.
15. Verweerder baseert zijn stelling op een restrictieve, letterlijke uitlegging van een zinsnede in de rechtsoverwegingen 45-49 van het arrest Herpels. De precontentieuze procedure wordt daar inderdaad omschreven als een "debat tussen de, zonder bijstand van een advocaat optredende, ambtenaar en de administratie".(3)
16. Verzoekster daarentegen baseert haar betoog juist op de context van die rechtsoverwegingen. In de betrokken passage overweegt het Hof immers, dat het de belanghebbende niet kan worden verboden, zich reeds in dat stadium van de bijstand van een advocaat te verzekeren. Met het oog op het in die zaak aan de orde zijnde probleem voegde het Hof daaraan toe, dat de beslissing zich van de bijstand van een advocaat te verzekeren, de eigen keus van de belanghebbende is, "welke in geen geval ten laste van de betrokken instelling kan worden gebracht". (4)
17. De redenering die het Gerecht van eerste aanleg in het bestreden arrest met betrekking tot de bijstand door een advocaat in de precontentieuze fase volgt, is in de context van de aangehaalde rechtspraak geenszins als onjuist te beschouwen.
18. Verweerder heeft geen enkel bezwaar gemaakt tegen het feitelijke oordeel van het Gerecht, dat de klacht zowel naar vorm als naar inhoud op het initiatief van verzoekster berustte. Aangezien met betrekking tot deze feitelijke beoordeling geen grieven zijn geformuleerd (ik zie trouwens ook niet, welk bezwaar men daartegen zou kunnen aanvoeren), dient het Hof van de juistheid van die beoordeling uit te gaan. Ten slotte is het oordeel van het Gerecht, dat de advocaat die een partij in een procedure voor de gemeenschapsrechter vertegenwoordigt, enkel in geval van betwisting een formele volmacht moet overleggen, als een correcte uitlegging van het Reglement voor de procesvoering te beschouwen. (5)
19. Mitsdien moet het eerste middel van het Parlement worden afgewezen.
2. en 3. Het gebrek aan motivering van het arrest en onjuiste uitlegging van artikel 4 van bijlage V bij het Statuut
20. In hogere voorziening stelt verweerder, dat noch uit het arrest van het Gerecht van eerste aanleg, noch uit het rapport ter terechtzitting blijkt, op grond van welke juridische criteria het Gerecht het saldo van 27 niet-opgenomen verlofdagen heeft berekend.
21. De compensatie voor niet-opgenomen verlofdagen bij beëindiging van de dienst berust op artikel 4 van bijlage V bij het Statuut. Rechtens kan het dus enkel om de toepassing van deze bepaling gaan, zodat het derde middel - onjuiste toepassing van de bepaling - in samenhang met het middel ontleend aan gebrek aan motivering moet worden bezien. De juridische overwegingen over de uitlegging en toepassing van artikel 4 van bijlage V bij het Statuut vormen de premisse voor de zuiver feitelijke berekening, op de uitkomst waarvan de veroordeling van verweerder tot betaling van compensatie voor 27 niet-opgenomen verlofdagen is gebaseerd.
22. Artikel 4, eerste alinea, van bijlage V bij het Statuut beperkt de overboeking van verlofdagen naar het volgende jaar tot 12 dagen, indien een ambtenaar anders dan om redenen van dienstbelang zijn vakantieverlof niet volledig heeft opgenomen. Indien hiervoor echter redenen van dienstbelang bestonden, is een onbeperkte overboeking mogelijk. Het Gerecht nu heeft vastgesteld, dat verzoekster "haar stelling aannemelijk heeft gemaakt, dat de opeenhoping van haar verlofdagen was toe te schrijven aan redenen van dienstbelang, zonder dat het Parlement erin is geslaagd die stelling te ontkrachten". (6) Verweerder heeft niet aangevoerd dat met deze vaststelling enig rechtsbeginsel is geschonden, en ik vind in het arrest ook niets wat daarop zou wijzen. Wij moeten dus verder van de juistheid van deze feitelijke situatie uitgaan.
23. Verweerder stelt nu, dat het Gerecht van eerste aanleg de interne regeling inzake wegens redenen van dienstbelang niet-opgenomen verlofdagen, die door het Parlement in het kader van zijn interne organisatiebevoegdheid is vastgesteld, heeft genegeerd. Op dit punt verwijst hij haar de zijns inziens toepasselijke dienstaanwijzingen, die overboeking van meer dan 12 in 1987 niet-opgenomen verlofdagen beletten omdat verzoekster zich niet aan de voorgeschreven procedures had gehouden.
24. Natuurlijk heeft verweerder gelijk waar hij stelt, dat het Parlement, in het kader van zijn interne organisatiebevoegdheid, het recht heeft technisch-administratieve procedures vast te stellen met betrekking tot de toepassing van door het Ambtenarenstatuut verleende rechten. Deze administratieve voorschriften kunnen evenwel niet het recht van de belanghebbenden beperken, het bewijs van redenen van dienstbelang op elke andere passende wijze te leveren, hetgeen in casu is gebeurd.
25. De berekening van 27 verlofdagen bij de beëindiging van verzoeksters dienst eind januari 1989 is het zuiver rekenkundig resultaat van de overwegingen in rechte. De cijfers waarop het aankomt, zijn vermeld in het arrest van het Gerecht van eerste aanleg. (7) Het Gerecht heeft daarbij de berekening overgenomen die verweerder in het bestreden besluit had gemaakt, met slechts één wijziging, namelijk op het punt van de overboeking van 1987 naar 1988. Omwille van de duidelijkheid herhaal ik hier deze berekening.
Berekening Berekening Gerecht
Europees Parlement
Overboeking 1987 12 dagen 44 dagen
Verlof 1988:
- 24
- Reisdagen 5
- Leeftijd 1 + 30 dagen + 30 dagen
----- -----
42 dagen 74 dagen
Compensatie 16 weken
moederschapsverlof,
vermeerderd met 2
dagen bijzonder
geboorteverlof
(11 juli - 4 november)
min ongerechtvaardigde
afwezigheid
(7 november -
21 december 1988) - 33 dagen - 33 dagen
----- -----
Overboeking 1988: 9 dagen 41 dagen
Verlof 1989:
- 2 + 7 dagen + 7 dagen
- Reisdagen 5
Min ongerechtvaardigde
afwezigheid
(3 januari -
31 januari 1989) - 21 dagen - 21 dagen
----- -----
-- 5 dagen + 27 dagen
Daarbij is het volstrekt onverschillig, of men aan het einde van 1988 een subtotaal schrijft, dan wel de som van de te verrekenen verlofdagen van twee jaren compenseert:
Overboeking 1987: 44
Verlof 1988: + 30 - 33 dagen
Verlof 1989: + 7 - 21 ongerechtvaardigde afwezigheid
-- --
81 - 54 = 27
==
Het bestreden arrest bevat dus alle gegevens, zowel rechtens als feitelijk, waarop de beslissing gebaseerd is. Bijgevolg moeten zowel het verwijt van gebrek aan motivering als dat van onjuiste toepassing van artikel 4 van bijlage V bij het Statuut worden afgewezen.
Kosten
26. Bij afwijzing van de hogere voorziening dient ingevolge artikel 122, leden 1 en 2, juncto artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de verwerende instelling in de kosten te worden verwezen.
C - Conclusie
27. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) verweerder te verwijzen in de kosten."
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) Arrest van 26 september 1990 in zaak T-139/89, r.o. 20.
(2) Arrest van 9 maart 1978 (zaak 54/77, Herpels, Jurispr. 1978, blz. 585).
(3) Arrest Herpels, reeds aangehaald, r.o. 45-49.
(4) Zaak Herpels, reeds aangehaald, r.o. 48.
(5) Zie artikel 38, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering.
(6) Arrest in zaak T-139/89, reeds aangehaald, r.o. 31.
(7) Zie rechtsoverweging 2 van het arrest.
Full & Egal Universal Law Academy