CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 20 mei 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het probleem dat zich in deze zaak aandient, is eenvoudig onder woorden te brengen, maar het is netelig om de draagwijdte ervan te bepalen. Het Hof wordt om een uitspraak verzocht over de vraag, of het gemeenschapsrecht een verblijfsrecht verleent aan een onderdaan van een derde land, die echtgenoot is van een gemeenschapsonderdaan, wanneer laatstgenoemde naar zijn eigen land terugkeert om daar beroepswerkzaamheden uit te oefenen, na in een andere Lid-Staat te hebben gewerkt.
2.
De feiten die tot deze zaak hebben geleid, kunnen worden samengevat als volgt: In oktober 1982 trad de heer Singh, van Indiase nationaliteit, in Groot-Brittannië in het huwelijk met mevrouw Purewal, van Britse nationaliteit. Van februari 1983 tot eind 1985 woonden de echtelieden in Duitsland, waar zij in loondienst werkten.
Nadat zij naar het Verenigd Koninkrijk waren teruggekeerd om daar een zaak te gaan drijven, kreeg Singh aanvankelijk een voorlopige verblijfsvergunning op grond van de Immigration Act 1971 en werd die vergunning vervolgens in oktober 1986 voor twaalf maanden verlengd.
Maar omdat in juli 1987 een voorlopig echtscheidingsvonnis tegen hem was uitgesproken, werd de einddatum van zijn vergunning vervroegd tot 5 september 1987.
In december 1988 vaardigde de Secretary of State for the Home Department overeenkomstig Section 3 van de Immigration Act een uitzettingsbevel tegen Singh uit, op grond dat hij na afloop van zijn vergunning op het Britse grondgebied was gebleven.
Een hiertegen bij een „adjudicator” ingediend bezwaarschrift van Singh werd bij beschikking van 3 maart 1989 verworpen.
In augustus 1989 wees het Immigration Appeal Tribunal het hoger beroep toe met de overweging, dat appellant, onder voorbehoud van eventuele feitelijke vragen van ontduiking van nationaal recht, op grond van het gemeenschapsrecht aanspraak kon maken op een verblijfsrecht in het Verenigd Koninkrijk.
De Secretary of State for the Home Department verzocht „judicial review” van deze beslissing voor de High Court, die zich op zijn beurt tot het Hof wendde met de vraag: Wanneer een gehuwde vrouw die onderdaan is van een Lid-Staat, in een andere Lid-Staat rechten uit hoofde van het EEG-Verdrag heeft uitgeoefend door aldaar te werken, en vervolgens de Lid-Staat waarvan zij onderdaan is, binnenkomt en aldaar verblijft om tezamen met haar echtgenoot een zaak te drijven, geven dan artikel 52 EEG-Verdrag en richtlijn 73/148/EEG van de Raad van 21 mei 1973 ( 1 ) haar echtgenoot (die onderdaan is van een derde land) het recht met zijn echtgenote laatstgenoemde staat binnen te komen en aldaar te verblijven.
3.
Ik wil vooropstellen, dat er mijns inziens geen twijfel over mogelijk is, dat Singh ten tijde van de uitvaardiging van het uitzettingsbevel de hoedanigheid van echtgenoot bezat.
Zoals Singh, op dit punt door het Verenigd Koninkrijk niet weersproken, stelt en ook de verwijzende rechter zelf, althans impliciet, lijkt te erkennen, is de echtscheidingsuitspraak van juli 1987, gezien haar voorlopige karakter, niet van dien aard, dat Singhs hoedanigheid van echtgenoot daardoor wordt aangetast. Anderzijds heeft het Hof in verband met artikel 10 van verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap ( 2 ), — betreffende het recht van de echtgenoot van een werknemer om zich met deze te vestigen —, uitgemaakt, dat het huwelijk niet als ontbonden kan worden beschouwd, zolang de echtscheiding niet door de bevoegde instantie is uitgesproken, en dat niet voldoende is dat de echtgenoten enkel gescheiden leven, ook wanneer zij voornemens zijn zich later van echt te laten scheiden. ( 3 )
4.
Alvorens op de grond van de vraag in te gaan, moet mijns inziens worden vastgesteld of wegens de omstandigheden van het geval, in het licht van de rechtspraak van het Hof moet worden geconcludeerd, dat wij hier te maken hebben met een zuiver interne situatie, waarin geen beroep kan worden gedaan op het gemeenschapsrecht.
Het Hof heeft het begrip zuiver interne situatie reeds bij verschillende gelegenheden nader kunnen uitwerken en afbakenen. In het bijzonder in de zaak Saunders ( 4 ) verduidelijkte het, dat wanneer een orgaan van een Lid-Staat een werknemer die onderdaan is van die Lid-Staat, bij wijze van in het nationale recht voorziene strafrechtelijke maatregel en uit hoofde van op het grondgebied van die Lid-Staat begane feiten, aan maatregelen onderwerpt waarbij het recht van betrokkene om zich op het grondgebied van die staat vrij te bewegen wordt afgenomen of beperkt, dit een zuiver interne situatie is, die buiten de werkingssfeer van de verdragsregels op het gebied van het vrije verkeer van werknemers valt.
Later preciseerde het Hof in het arrest Morson en Jhanjan ( 5 ), na erop te hebben gewezen, dat de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers en de uitvoeringsregeling hiervan niet kunnen worden toegepast op situaties die geen enkel aanknopingspunt hebben met een van de situaties waarvoor het gemeenschapsrecht is geschreven, dat het gemeenschapsrecht een Lid-Staat niet verbiedt, aan een familielid, in de zin van artikel 10 van verordening nr. 1612/68, van een werknemer die op het grondgebied van die Lid-Staat is tewerkgesteld en nooit van het recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap gebruik heeft gemaakt, de toegang tot of het verblijf op zijn grondgebied te weigeren, wanneer die werknemer de nationaliteit van die Lid-Staat bezit en het familielid de nationaliteit van een derde land.
In dezelfde zin verklaarde het Hof in het arrest Moser ( 6 ), dat artikel48 EEG-Verdrag niet van toepassing is op situaties die geheel in de interne sfeer van een Lid-Staat liggen, zoals het geval van een onderdaan van een Lid-Staat die nooit in een andere Lid-Staat heeft gewoond of gewerkt. Deze overweging is later herhaald in het arrest Iorio ( 7 ) en, in verband met andere bepalingen van het Verdrag of van afgeleid gemeenschapsrecht, weer later in de arresten Gauchard ( 8 ), Zaoui ( 9 ), Bekaert ( 10 ), Nino ( 11 ) en Dzodzi ( 12 ).
5.
In genoemde zaken hadden de personen die in hun eigen land op het gemeenschapsrecht gebaseerde rechten inriepen, in feite geen beroepswerkzaamheden uitgeoefend of opleidingen gevolgd in andere Lid-Staten en het was dus duidelijk, dat hun situatie, bij gebreke van enig aanknopingspunt met het gemeenschapsrecht, niet binnen de werkingssfeer van het Verdrag viel.
Zoals de Commissie terecht opmerkt, is het anderzijds ook weer waar, dat het enkele feit dat gebruik is gemaakt van het vrije verkeer binnen de Gemeenschap, op zich niet volstaat om een bepaalde situatie te kunnen aanmerken als een situatie die onder het gemeenschapsrecht valt, maar is hiervoor nodig, dat er een aanknopingspunt is tussen de uitoefening van het recht van vrij verkeer en het recht waarop de betrokkene zich beroept.
Zouden de echtelieden bijvoorbeeld zijn gehuwd na hun terugkeer in het Verenigd Koninkrijk, dan was er natuurlijk geen enkel logisch verband geweest tussen de uitoefening van het recht van vrij verkeer en het verblijfsrecht dat voor de echtgenoot van de gemeenschapswerknemer wordt geclaimd.
Wanneer echter, zoals in casu, het recht van vrij verkeer is uitgeoefend na het huwelijk en het echtpaar heeft geprofiteerd van de rechten die voortvloeien uit de gemeenschapsregeling betreffende het vrije verkeer, kan moeilijk worden gezegd, dat de vraag of iemand die rechten in zijn eigen land kan blijven genieten, zich aan het gemeenschapsrecht onttrekt en een zuiver interne situatie is. Te meer daar een dergelijke uitspraak tot gevolg zou hebben, dat op grond van de gemeenschapsregeling wel het recht van een gemeenschapswerknemer om zich in andere Lid-Staten te vestigen, eenvoudiger zou worden, maar niet het recht om zich opnieuw in zijn eigen Lid-Staat te vestigen.
6.
Indien, zoals ik meen, deze zaak niet eenvoudig als een zuiver interne situatie kan worden afgedaan, moeten de gemeenschapsrechtelijke bepalingen worden onderzocht waarop Singh mogelijk een beroep kan doen: gelet op het feit, dat zijn echtgenote zich naar het Verenigd Koninkrijk heeft begeven om daar, anders dan in loondienst, werkzaamheden te verrichten, zijn dat artikel 52 EEG-Verdrag en artikel 1 van richtlijn 73/148/EEG van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de Lid-Staten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten.
Zoals bekend, bepaalt artikel 52 enerzijds, dat in het kader van de volgende bepalingen de beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat tijdens de overgangsperiode geleidelijk worden opgeheven, en bepaalt het anderzijds dat de vrijheid van vestiging de toegang tot de werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan omvat overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.
Het Hof heeft meermaals beslist, dat onderdanen van een Lid-Staat, althans onder bepaalde omstandigheden, in hun land van herkomst een beroep kunnen doen op artikel 52; het preciseerde hierbij, dat de verdragsbepalingen op het gebied van de vestiging en de dienstverlening weliswaar niet kunnen worden toegepast op zuiver interne situaties van een Lid-Staat, doch dat dit niet wegneemt, dat de verwijzing in artikel 52 naar „onderdanen van een Lid-Staat” die zich „op het grondgebied van een andere Lid-Staat” wensen te vestigen, niet aldus mag worden uitgelegd, dat eigen onderdanen van een bepaalde Lid-Staat van het genot van het gemeenschapsrecht worden uitgesloten, wanneer zij zich, doordat zij rechtmatig op het grondgebied van een andere Lid-Staat hebben verbleven en daar een vakbekwaamheid hebben verworven die door het gemeenschapsrecht wordt erkend, ten opzichte van hun staat van herkomst in een overeenkomstige positie bevinden als alle andere personen die de door het Verdrag verzekerde rechten en vrijheden genieten. ( 13 )
Voorts heeft het Hof in de arresten Stanton ( 14 ) en Daily Mail ( 15 ) uitgemaakt, dat artikel 52 EEG-Verdrag zich verzet tegen een regeling als gevolg waarvan de uitoefening van beroepswerkzaamheden in een andere Lid-Staat minder gunstig wordt behandeld.
7.
Uit deze rechtspraak blijkt, dat volgens het Hof zowel het geval van werknemers van een Lid-Staat die in andere landen rechten hebben verworven die door het gemeenschapsrecht worden erkend en die deze rechten in hun land van herkomst willen doen gelden, als het geval waarin een nationale regeling zelf de uitoefening van het recht van vrij verkeer bestraft, onder de werkingssfeer van artikel 52 vallen.
In het onderhavige geval zou men kunnen tegenwerpen, dat Singh in Duitsland op grond van het gemeenschapsrecht enkel het recht heeft verworven om in dat land als echtgenoot van een gemeenschapswerknemer verblijf te houden en dat de toepassing van de Britse bepalingen inzake vreemdelingenrecht de uitoefening van beroepswerkzaamheden in een andere Lid-Staat door mevrouw Singh niet heeft benadeeld. Anders gezegd, doordat beide echtelieden Singh gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer, is hun positie niet ongunstiger geworden dan die van een vergelijkbaar echtpaar dat nooit in een andere Lid-Staat heeft gewerkt.
8.
Maar zelfs tegen deze eerste tegenwerpingen zijn niet geringe bedenkingen in te brengen, aangezien theoretisch rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat Singh op grond van de Britse wetgeving recht zou hebben gehad om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te krijgen of te zijn genaturaliseerd, indien zijn vrouw geen gebruik had gemaakt van haar recht van vrij verkeer.
Indien de nationale rechter inderdaad in het licht van de relevante bepalingen van de Britse wetgeving zou moeten vaststellen, dat, gelijk verweerder in het hoofdgeding ter terechtzitting heeft gesteld, de echtgenoot van mevrouw Singh door het verblijf in Duitsland is beroofd van de mogelijkheid om in het Verenigd Koninkrijk een recht op te bouwen op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, gesteld dat hij die vergunning wel zou hebben gekregen indien het echtpaar in het Verenigd Koninkrijk was gebleven, is het duidelijk, dat we dan te maken hebben met het probleem van de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een nationale regeling die in feite de uitoefening van het recht van vrij verkeer bestraft.
9.
Maar dat is niet alles. Ook los van deze mogelijkheid kan mijns inziens op grond van genoemde rechtspraak van het Hof worden gesteld, dat de gemeenschapsregeling inzake het vrije verkeer van personen van toepassing is telkens wanneer een onderdaan van een Lid-Staat zich jegens zijn staat van herkomst in een overeenkomstige positie bevindt als alle andere personen die door het EEG-Verdrag of het afgeleide gemeenschapsrecht verzekerde rechten en vrijheden genieten.
Daarom moet mijns inziens in concreto worden nagegaan, wat de rechten zijn die de gemeenschapsregeling toekent aan onderdanen van Lid-Staten die van hun recht van vestiging gebruik willen maken, en wat de ratio en de strekking van die rechten is.
10.
Blijkens de eerste overweging van haar considerans beoogt richtlijn 73/148 de opheffing van „de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf binnen de gemeenschap voor onderdanen van de Lid-Staten die zich op het grondgebied van een der Lid-Staten willen vestigen” (cursivering van mij).
Met het oog op de verwezenlijking van dit doel verplicht de richtlijn de Lid-Staten in het bijzonder om gemeenschapsonderdanen die zich op hun grondgebied willen vestigen om daar een werkzaamheid anders dan in loondienst uit te oefenen, op eenvoudig vertoon van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort toe te laten (artikel 3) en een permanent verblijfsrecht te verlenen (artikel 4) en verplicht zij hen om hun eigen onderdanen toe te staan hun grondgebied te verlaten op vertoon van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort (artikel 2).
Luidens artikel 1 moeten de Lid-Staten onder meer, onder de in de richtlijn omschreven voorwaarden, de beperkingen opheffen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van een Lid-Staat die zijn gevestigd of zich willen vestigen in een andere Lid-Staat teneinde daar een werkzaamheid, anders dan in loondienst, uit te oefenen en van hun echtgenoten, ongeacht hun nationaliteit (cursivering van mij).
Dit aan de echtgenoten toegekende recht is in zekere zin accessoir aan het recht van vestiging, dat voor de communautaire werknemer of zelfstandige is voorzien, en heeft uiteraard tot doel, de hinderpalen voor het vrije verkeer van die personen, die voortvloeien uit de onmogelijkheid of moeilijkheid om het hele gezin over te brengen, op te heffen.
11.
Het is juist, dat de gemeenschapswetgever het recht van verblijf heeft omschreven als het recht van de onderdanen van een Lid-Staat om zich op het grondgebied van een andere Lid-Staat te vestigen, De verklaring voor deze formulering is, dat duidelijk is dat de Lid-Staten hun eigen onderdanen niet de toegang tot en het verblijf op hun grondgebied zullen ontzeggen.
Uit de letterlijke tekst van de regeling kan dus niet worden afgeleid, dat wanneer een in een Lid-Staat gevestigde werknemer of zelfstandige naar zijn eigen land terugkeert, zijn familieleden zich niet op de rechten zouden kunnen beroepen die de richtlijn hun toekent.
Een dergelijke uitlegging zou overigens ook niet goed aansluiten bij de eisen van het vrije verkeer van personen, de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, verzekerd door de artikelen 3 c, 48, 52 en 59 EEG-Verdrag, daar het in de praktijk voor een gemeenschapsonderdaan die zich in een andere Lid-Staat heeft gevestigd, makkelijker zou zijn geworden om zich voor werkdoeleinden naar een andere Lid-Staat te begeven dan naar zijn eigen.
12.
Het is overigens duidelijk, dat het in de praktijk gaat om uiterst marginale gevallen, want staten verzetten zich in de regel niet tegen het verblijf van de familieleden van hun eigen onderdanen, tenzij er uiteraard een gegronde verdenking van ontduiking van de vreemdelingenwetgeving bestaat.
Het principiële probleem is hiermee echter niet uit de weg en het lijkt mij niet logisch een uitlegging van de regeling te aanvaarden die, doordat zij het recht van verblijf ontzegt aan de familieleden van een onderdaan die naar zijn eigen land terugkeert na in een andere Lid-Staat te hebben gewerkt, enerzijds een ongerechtvaardigde belemmering inhoudt voor het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen binnen de Gemeenschap en anderzijds een verschil in behandeling creëert tussen twee werknemers of zelfstandigen die zich in dezelfde situatie bevinden, en dat uitsluitend op grond van hun verschillende nationaliteit.
13.
Alvorens te concluderen, wil ik nog ingaan op een aantal opmerkingen en een aantal niet ongerechtvaardigde zorgen van het Verenigd Koninkrijk, dat in deze procedure opmerkingen heeft ingediend.
Het Verenigd Koninkrijk wijst er in de eerste plaats op, dat mevrouw Singh bij haar terugkeer rechten heeft uitgeoefend die de Immigration Act 1971 haar als Brits onderdaan toekent en niet rechten die het gemeenschapsrecht haar toekent, wat ook hieruit zou blijken, dat de Britse autoriteiten haar niet de toegang en het verblijf hadden kunnen ontzeggen, zelfs niet om redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, wat de richtlijn wel toelaat.
Deze opmerking is wel juist maar niet beslissend, want niets staat eraan in de weg, dat de rechten die de nationale wetgeving aan eigen onderdanen verleent, worden gecompleteerd door de rechten die het gemeenschapsrecht verleent.
Verder is het ook juist, dat in beginsel de rechten die een Lid-Staat zijn eigen onderdanen op het gebied van toegang en verblijf toekent, ruimer zijn dan die welke het gemeenschapsrecht verleent, maar in bepaalde omstandigheden — en het onderhavige geval is daar het bewijs van — verleent het gemeenschapsrecht degenen die van hun recht van vrij verkeer gebruik hebben gemaakt, en in voorkomend geval ook hun echtgenoten, ruimere rechten dan de nationale wetgeving.
14.
In de tweede plaats merkt het Verenigd Koninkrijk op, dat elke Lid-Staat een gewettigd belang erbij heeft om te beletten, dat zijn eigen onderdanen en hun echtgenoten zich op het gemeenschapsrecht baseren om zich te kunnen onttrekken aan de voorwaarden die de nationale regeling stelt.
Voormelde zorgen beantwoorden zeker aan een reëel vereiste en verdienen de hoogste aandacht. Immers het Hof heeft zelf in verband met een regeling betreffende de beroepsopleiding verklaard, dat niet kan worden miskend, dat een Lid-Staat er een gerechtvaardigd belang bij kan hebben, te verhinderen, dat enige van zijn onderdanen de krachtens het Verdrag geschapen mogelijkheden misbruiken om te trachten zich te onttrekken aan de werkingssfeer van hun nationale wetgeving. ( 16 )
In dit verband merk ik echter op, dat richtlijn 73/148 zelf de Lid-Staten in artikel 8 toestaat, om redenen in verband met de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid van het bepaalde in de richtlijn af te wijken.
Bovendien kan de rechtspraak van het Hof volgens welke arbeid reëel en daadwerkelijk moet zijn en niet zuiver marginaal en bijkomstig ( 17 ), om als arbeid te kunnen worden aangemerkt, de nationale autoriteiten een nuttig aanknopingspunt bieden om misbruik te voorkomen.
Onlangs heeft het Hof gepreciseerd, dat de nationale rechter bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde activiteit een reëel en daadwerkelijk karakter heeft, rekening mag houden met het onregelmatige karakter en de beperkte duur van de uit hoofde van het oproepcontract verrichte werkzaamheden ( 18 ) (cursivering van mij).
Dat de nationale autoriteiten de mogelijkheid hebben om voor misbruik te waken, blijkt voorts uit de omstandigheid dat ook in het onderhavige geval het Immigration Appeal Tribunal het beroep gegrond heeft verklaard onder uitdrukkelijk voorbehoud van het onderzoek van alle feitelijke vragen betreffende ontduiking van de nationale wettelijke regeling.
15.
Ten slotte merkt het Verenigd Koninkrijk op, dat aanvaarding van de toepasselijkheid van richtlijn 73/148 in het onderhavige geval paradoxale gevolgen zou hebben, aangezien het recht van Singh om in het Verenigd Koninkrijk te blijven dan niet zozeer zou afhangen van zijn huwelijksbanden, maar veeleer van de vraag of zijn vrouw nog steeds werkt.
Ook deze overweging doet mijns inziens geen afbreuk aan bovenstaand betoog. Vast staat immers, dat de echtgenoot van een onderdaan die in zijn eigen land is gevestigd, in principe kan profiteren van de nationale regeling, die hem normaliter op grond van het enkele bestaan van een huwelijksband ruimere en meer duurzame rechten zal toekennen dan die welke het gemeenschapsrecht toekent. Maar, zoals gezegd, ik zie niet in waarom de echtgenoot van een communautair werknemer of zelfstandige die met gebruikmaking van het recht om zich vrij op het grondgebied van de Gemeenschap te vestigen naar zijn eigen land terugkeert, in de zeldzame gevallen dat het gemeenschapsrecht rechten van ruimere omvang toekent dan de nationale regeling, van die rechten verstoken zou moeten blijven.
Voorts is duidelijk dat de betrokkene, wanneer de voorwaarden voor toepassing van de gemeenschapsregeling wegvallen, gedwongen zal zijn om te vertrekken, tenzij hij op grond van het nationale recht een andere titel heeft om in dat land te blijven. Maar dit is het logische gevolg van het feit, dat in dit bijzondere geval de betrokken rechten hun kracht uitsluitend aan het gemeenschapsrecht ontlenen; ik zie hierin dan ook niets onlogisch of paradoxaals.
16.
In het licht van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging, de vraag van de High Court of Justice te beantwoorden als volgt:
„Wanneer een gehuwde vrouw die onderdaan is van een Lid-Staat, in een andere Lid-Staat rechten uit hoofde van het EEG-Verdrag heeft uitgeoefend door aldaar te werken, en haar echtgenoot in die andere Lid-Staat op grond van het gemeenschapsrecht een recht van verblijf had, en zij zich vervolgens vestigt in de Lid-Staat waarvan zij onderdaan is, om daar als zelfstandige te werken, dan geven het gemeenschapsrecht en in het bijzonder richtlijn 73/148/EEG haar echtgenoot het recht om die Lid-Staat binnen te komen en aldaar te verblijven onder de in die richtlijn neergelegde voorwaarden.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) PB 1973, L 172, biz. 14.
( 2 ) PB 1968, L 257, biz. 2.
( 3 ) Arrest van 13 februari 1985 (zaak 267/83, Diatta, Jurispr. 1985, biz. 567, r. o. 20).
( 4 ) Arrest van 28 maart 1979 (zaak 175/78, Saunders, Jurispr. 1979, biz. 1129, r. o. 12).
( 5 ) Arrest van 27 oktober 1982 (gcvoccdc zaken 35/82 en 36/82, Morson en Jhanjan, Jurispr. 1982, blz. 3723, r. o. 16 en 18).
( 6 ) Arrest van 28 juni 1984 (zaak 180/83, Moser, Jurispr. 1984, blz. 2539, r. o. 20).
( 7 ) Arrest van 23 januari 1986 (zaak 298/84, Iorio, Jurispr. 1986, blz. 247, r. o. 17).
( 8 ) Arrest van 8 december 1987, zaak 20/87 (Gauchard, Jurispr. 1987, blz. 4879, r. o. 13).
( 9 ) Arrest van 17 december 1987 (zaak 147/87, Zaoui, Jurispr. 1987, blz. 5511, r. o. 16).
( 10 ) Arrest van 20 april 1988 (zaak 204/87, Bekaert, Jurispr. 1988, blz. 2029, r. o. 13).
( 11 ) Arrest van 3 oktober 1990 (gevoegde zaken C-54/88, C-91/88 en C-14/89, Nino, Jurispr. 1990, blz. I-3537, r. o. 10 en 11).
( 12 ) Arrest van 18 oktober 1990 (gevoegde zaken C-297/88 en C-197/89, Dzodzi, Jurispr. 1990, blz. I-3763, r. o. 23 en 24).
( 13 ) Arrest van 7 februari 1979 (zaak 115/78, Knoors, Jurispr. 1979, blz. 399, r. o. 24). In diezelfde zin arresten van 6 oktober 1981 (zaak 246/80, Broekmeulen, Jurispr. 1981, blz. 2311, r. o. 20); 19 januari 1988 (zaak 292/86, Gullung, Jurispr. 1988, blz. 111, r. o. 12) en 3 oktober 1990 (zaak C-61/89, Bouchoucha, Jurispr. 1990, blz. I-3551, r. o. 13).
( 14 ) Arrest van 7 juli 1988 (zaak 143/87, Stanton, Jurispr. 1988, blz. 3877, r. o. 14).
( 15 ) Arrest van 27 september 1988 (zaak 81/87, Daily Mail, Jurispr. 1988, blz. 5483, r. o. 16).
( 16 ) Arrest van 7 februari 1979 (Knoors, reeds geciteerd, r. o. 25).
( 17 ) Arresten van 23 maart 1982 (zaak 53/81, Levin, Jurispr. 1982, blz. 1035, r. o. 17); 3 juni 1986 (zaak 139/85, Kempf, Jurispr. 1986, blz. 1741, r. o. 14); 21 juni 1988 (zaak 197/86, Brown, Jurispr. 1988, blz. 3205, r. o. 21 en 23) en 31 mei 1989 (zaak 344/87, Bettray, Jurispr. 1989, blz. 1621, r. o. 20).
( 18 ) Arrest van 26 februari 1992 (zaak C-357/89, Raulin, Jurispr. 1992, blz. I-1027), r. o. 14.
Full & Egal Universal Law Academy