Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Restituties bij uitvoer - Vooruitbetaling - Terugbetaling van ten onrechte ontvangen bedragen - Uitgevoerd produkt dat overeenkomt met aangegeven produkt, maar kenmerken bezit die lagere restitutievoet rechtvaardigen - Terugbetaling berekend op basis van verschil tussen vooruitbetaalde en feitelijk verschuldigde restitutie - Bepaling van feitelijk verschuldigde restitutie - Toepassing van restitutievoet voorzien voor berekening in geval van vooruitbetaling van restituties
(Verordening nr. 565/80 van de Raad, art. 4, leden 5 en 6; verordening nr. 798/80 van de Commissie, art. 2 en 10, lid 4, sub a, b en c)
Samenvatting
Wanneer een handelaar aan wie uitvoerrestituties zijn vooruitbetaald, zich overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 798/80 van de Commissie van 31 maart 1980 heeft verbonden om meel met een asgehalte van 0 tot en met 520 mg/100 g uit te voeren, en hem wordt verweten dat hij om redenen die geen overmacht opleveren, in feite meel met een aanzienlijk hoger asgehalte heeft uitgevoerd, wordt de hoogte van de bedragen die deze handelaar moet terugbetalen, bepaald door artikel 10, lid 4, sub b of c, van genoemde verordening. In een dergelijk geval, waarin het feitelijk uitgevoerde produkt overeenkomt met het in de vooruitbetalingsaangifte vermelde produkt en enkel, onder omstandigheden die toepassing van een lagere restitutievoet rechtvaardigen, de kenmerken van dit produkt verschillen, moeten immers, gelet op het doel van de regeling - het voorkomen van ongerechtvaardigde verrijking -, deze bepalingen, die het bedrag van de terug te betalen bedragen beperken tot het ongerechtvaardigde krediet dat de handelaar ten onrechte heeft genoten, worden toegepast en niet de bepalingen sub a van ditzelfde lid, die een sanctie stellen op de overschrijding van de aan de handelaar toegekende termijnen.
De werkelijke restitutie waarop deze handelaar aanspraak kan maken, moet in het kader van deze bepalingen worden berekend met toepassing van de restitutievoet bedoeld in artikel 4, leden 5 en 6, van verordening nr. 565/80, dat wil zeggen de restitutievoet die van toepassing zou zijn geweest wanneer het feitelijk uitgevoerde produkt in de vooruitbetalingsaangifte juist was vermeld.
Partijen
In de gevoegde zaken C-5/90 en C-206/90,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesfinanzhof, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Bremer Rolandmuehle Erling & Co,
Kurt A. Becher GmbH & Co. KG
en
Hauptzollamt Hamburg-Jonas,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 10, lid 4, van verordening (EEG) nr. 798/80 van de Commissie van 31 maart 1980 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de vooruitbetaling van uitvoerrestituties en positieve monetaire compenserende bedragen voor landbouwprodukten (PB 1980, L 87, blz. 42), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3445/85 van de Commissie van 6 december 1985 (PB 1985, L 328, blz. 13), en over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1633/80 van de Commissie van 26 juni 1980 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en bepaalde soorten van meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge (PB 1980, L 162, blz. 45),
en tussen
Bremer Rolandmuehle Erling & Co,
Getreide-Import GmbH
en
Hauptzollamt Hamburg-Jonas,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 10, lid 4, van verordening (EEG) nr. 798/80 van de Commissie van 31 maart 1980, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3445/85 van de Commissie van 6 december 1985,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: R. Joliet, kamerpresident, F. Grévisse, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Bremer Rolandmuehle Erling & Co., vertegenwoordigd door H. Bohnen van het advocatenkantoor Schackow & partners, advocaat te Bremen,
- Kurt A. Becher GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door P. Streck van het advocatenkantoor Mielke & Streck, advocaat te Hamburg,
- Getreide-Import GmbH, vertegenwoordigd door J. Guendisch van het advocatenkantoor Modest, Guendisch en Landry, advocaat te Hamburg,
- Hauptzollamt Hamburg-Jonas, vertegenwoordigd door Regierungsdirektor E. Bollmann, en vervolgens door Regierungsdirektor E. von Reden, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door juridisch adviseur D. Booss als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de vertegenwoordigers van partijen ter terechtzitting van 24 oktober 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 december 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 21 november 1989, ingekomen ten Hove op 8 januari 1990, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld: een vraag over de uitlegging van artikel 10, lid 4, van verordening (EEG) nr. 798/80 van de Commissie van 31 maart 1980 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de vooruitbetaling van uitvoerrestituties en positieve monetaire compenserende bedragen voor landbouwprodukten (PB 1980, L 87, blz. 42), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3445/85 van de Commissie van 6 december 1985 (PB 1985, L 328, blz. 13), en een andere vraag over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1633/80 van de Commissie van 26 juni 1980 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en bepaalde soorten van meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge (PB 1980, L 162, blz. 45).
2 Bij beschikking van 8 mei 1990, ingekomen ten Hove op 6 juli daaraanvolgend, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld die identiek is met de eerste, bij de beschikking van 21 november 1989 gestelde vraag.
3 De bij beschikking van 21 november 1989 in zaak C-5/90 gestelde vragen zijn opgeworpen in het kader van een geding tussen twee in een samenwerkingsverband optredende ondernemingen, Bremer Rolandmuehle Erling & Co. (hierna: "Bremer Rolandmuehle") en Kurt A. Becher GmbH & Co. KG (hierna: "Becher"), en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, dat van de ondernemingen uitvoerrestituties terugvordert die zij in de vorm van een vooruitbetaling op de voet van verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwprodukten (PB 1980, L 62, blz. 5) hebben ontvangen.
4 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat Bremer Rolandmuehle en Becher op 27 november 1980 10 533 837 kg tarwe onder douanecontrole plaatsten in de zin van verordening nr. 565/80.
5 Luidens de vooruitbetalingsaangifte zou de onder douanecontrole geplaatste hoeveelheid tarwe worden gebruikt voor de produktie en de uitvoer van meel met een asgehalte van 0 t/m 520 mg/100 g.
6 Aan beide ondernemingen werden de uitvoerrestituties vooruitbetaald.
7 Latere verificaties door het Hauptzollamt brachten aan het licht, dat het naar Polen, Noord- en Zuid-Jemen en de Sovjet-Unie uitgevoerde meel in feite een duidelijk hoger asgehalte dan 520 mg/100 g had.
8 Het Hauptzollamt vorderde de vooruitbetaalde restituties van de ondernemingen terug. Het zag er echter vanaf, betaling te verlangen van de in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 798/80 bedoelde verhoging. De door de ondernemingen terug te betalen bedragen mochten worden gecompenseerd met de restituties die hun verschuldigd waren ingevolge de algemene bepalingen van verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB 1979, L 317, blz. 1). Voor de berekening van deze restituties moest volgens het Hauptzollamt bij exporten die na het verstrijken van de geldigheidsduur van het voorfixatiecertificaat (30 november 1980) hadden plaatsgehad, de restitutievoet worden toegepast die gold op de datum van uitvoer. Deze restitutievoet was voor exporten naar de Sovjet-Unie op 0 ECU vastgesteld.
9 Het Finanzgericht Hamburg, waarbij de ondernemingen tegen de beschikkingen van het Hauptzollamt waarbij de terugbetaling van de restituties was gelast, beroep hadden ingesteld, was van oordeel, dat in de onderhavige zaken artikel 10, lid 4, sub c, van verordening nr. 798/80 van toepassing was. Ter berekening van de hoogte van de restituties waarop de ondernemingen voor de feitelijk uitgevoerde produkten recht hadden, moesten derhalve ingevolge artikel 4, leden 5 en 6, van verordening nr. 565/80 de vooraf vastgestelde restitutievoeten worden toegepast; deze restituties konden worden gecompenseerd met de bedragen die de exporteurs moesten terugbetalen.
10 Tegen het arrest van het Finanzgericht stelden partijen Revision in bij het Bundesfinanzhof. Dit was van oordeel, dat in het arrest van het Hof van Justitie van 5 februari 1987 (zaak 288/85, Plange Kraftfutterwerke, Jurispr. 1987, blz. 611), dat in een vergelijkbare zaak was gewezen, niet was beslist welke gemeenschapsbepalingen golden voor de berekening van de restituties, wanneer de handelaar aan wie de restituties vooruitbetaald zijn, een produkt uitvoert, dat andere kenmerken heeft dan die welke in de vooruitbetalingsaangifte zijn vermeld.
11 Het Bundesfinanzhof is van mening, dat deze vraag in de onderhavige zaken van belang is, daar van het daarop gegeven antwoord afhangt, of op de berekening van de restitutie waarop de handelaar in feite recht heeft, verordening nr. 1633/80 moet worden toegepast, die de restitutievoet voor exporten naar de Sovjet-Unie op 0 ECU vaststelt.
12 Derhalve heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de twee navolgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Moet het gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel 10, lid 4, van verordening (EEG) nr. 798/80, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3445/85, aldus worden uitgelegd, dat iemand die zich bij zijn verzoek om vooruitbetaling van de uitvoerrestituties, als bedoeld in artikel 4 van verordening (EEG) nr. 565/80, overeenkomstig artikel 2 van verordening (EEG) nr. 798/80 had verplicht, meel met een asgehalte van 0 t/m 520 mg/100 g uit te voeren, doch in feite meel met een asgehalte van meer dan 520 mg/100 g heeft uitgevoerd, het vooruitbetaalde bedrag volledig moet terugbetalen en in plaats daarvan slechts aanspraak kan maken op uitvoerrestituties voor de werkelijk uitgevoerde produkten overeenkomstig de regeling van verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979?
Zo nee, moet een exporteur dan onder bijzondere omstandigheden worden behandeld als ware de restitutie voor uitvoer naar de Sovjet-Unie niet geschorst?"
13 De bij beschikking van 8 mei 1990 in zaak C-206/90 gestelde prejudiciële vraag is opgeworpen in het kader van een geschil tussen de in een samenwerkingsverband optredende ondernemingen Bremer Rolandmuehle en Getreide-Import GmbH (hierna: "Getreide-Import") en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas.
14 Deze twee ondernemingen plaatsten op 28 november 1980 7 682 779 kg tarwe onder douanecontrole; de tarwe zou in de vorm van meel met een asgehalte van 0 t/m 520 mg/100 g naar Noord-Jemen worden uitgevoerd. Deze ondernemingen maakten aanspraak op toepassing van de hierboven genoemde bepalingen betreffende de vooruitbetaling van restituties.
15 Evenals in de voorgaande zaak vorderde het Hauptzollamt de restituties terug, nadat het had vastgesteld dat het in feite uitgevoerde meel een duidelijk hoger asgehalte had dan was aangegeven.
16 Derhalve heeft het Bundesfinanzhof, waarbij beroep in Revision was ingesteld tegen het op het beroep van de twee ondernemingen gewezen vonnis van het Finanzgericht Hamburg, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof een prejudiciële vraag gesteld die letterlijk gelijk is aan de eerste vraag in zaak C-5/90.
17 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in de twee zaken in het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste prejudiciële vraag in zaak C-5/90 en de enige prejudiciële vraag in zaak C-206/90
18 In deze vragen heeft de verwijzende rechter uitsluitend het geval op het oog, waarin het asgehalte van het in feite uitgevoerde meel aanzienlijk hoger is dan in de vooruitbetalingsaangifte is aangegeven. Hij houdt zich stilzwijgend aan de nomenclatuur die op de relevante datum wordt gebruikt door de verordeningen betreffende de uitvoerrestituties, die de toepasselijke restitutievoet voor meel van zachte tarwe voor zes categorieën van asgehalte bepalen (0 t/m 520 mg/100 g, 521 t/m 600 mg/100 g, 601 t/m 900 mg/100 g, 901 t/m 1 100 mg/100 g, 1 101 t/m 1 650 mg/100 g en 1 651 t/m 1 900 mg/100 g), en wel zo dat de restitutievoet, behalve in gevallen waarin hij nul bedraagt, daalt naar gelang het asgehalte stijgt.
19 Ter beantwoording van de prejudiciële vraag moet eerst worden vastgesteld, welke gemeenschapsbepalingen in het door de verwijzende rechter bedoelde geval van toepassing zijn. Vervolgens moet op basis van deze bepalingen worden vastgesteld, welke restitutievoet moet worden toegepast om te berekenen welke restitutie aan de handelaar werkelijk verschuldigd is.
20 Allereerst moet echter het wettelijk kader van de regeling betreffende de vooruitbetaling van uitvoerrestituties worden geschetst.
21 Verordening nr. 565/80 voert voor bepaalde landbouwprodukten - waaronder die, welke vallen onder verordening (EEG) nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB 1975, L 281, blz. 1), zoals gewijzigd - een vooruitbetaling van restituties voor exporten naar derde landen in. Zoals blijkt uit de derde overweging van de considerans van verordening nr. 565/80, beoogt deze vooruitbetaling, die geldt voor exporten van verwerkte landbouwprodukten uit basisprodukten uit de Gemeenschap, een evenwicht te waarborgen tussen het gebruik van basisprodukten uit de Gemeenschap en het gebruik van basisprodukten uit derde landen welke tot de regeling actieve veredeling zijn toegelaten.
22 De uitvoeringsbepalingen van deze verordening zijn vastgesteld bij verordening nr. 798/80 van 31 maart 1980.
23 Volgens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 565/80 wordt de exporteur een bedrag dat gelijk is aan de uitvoerrestitutie betaald, zodra de basisprodukten onder douanecontrole zijn geplaatst. Volgens artikel 4, lid 5, is het bedrag van de restitutie, indien het niet vooraf wordt vastgesteld, het bedrag dat geldt op de dag waarop de basisprodukten onder douanecontrole worden geplaatst. Indien de uitvoerrestitutie vooraf wordt vastgesteld, wordt volgens artikel 4, lid 6, voor de berekening van de aanpassingen van het restitutiebedrag dat van toepassing is, uitgegaan van de dag waarop de basisprodukten onder douanecontrole zijn geplaatst.
24 Aan de regeling betreffende de vooruitbetaling van restituties kunnen slechts aanspraken worden ontleend, indien bij de douaneautoriteiten een "vooruitbetalingsaangifte", waarvan de inhoud in artikel 2, lid 2, van verordening nr. 798/80 is vastgelegd, is ingediend en door deze is aanvaard. In deze aangifte moeten onder meer de omschrijving van de uitgevoerde produkten overeenkomstig de voor restituties gebruikte nomenclatuur worden vermeld en wanneer dit voor de berekening van de restitutie nodig is, de samenstelling van de betrokken produkten.
25 De exporteur moet ingevolge artikel 7, lid 1, van verordening nr. 798/80 een waarborg stellen, die gelijk is aan het restitutiebedrag verhoogd met eventuele positieve monetaire compenserende bedragen en met 20 % van de som van deze beide bedragen. Volgens artikel 7, lid 1, tweede alinea, mag deze verhoging niet minder bedragen dan 3 ECU/100 kg netto uitgevoerd produkt.
26 De exporteur moet zich houden aan artikel 11 van verordening nr. 798/80, dat de termijnen vaststelt gedurende welke de basisprodukten onder douanecontrole kunnen blijven met het oog op hun verwerking, alsmede de termijnen waarbinnen de verwerkte produkten na beëindiging van de douanecontrole moeten worden uitgevoerd. Zoals de advocaat-generaal in zijn conclusie (punt 21) heeft opgemerkt, kan de toepassing van deze termijnen tot een feitelijke verlenging van de geldigheidsduur van het voorfixatiecertificaat leiden.
27 In artikel 10, lid 4, van de verordening zijn de gevallen geregeld waarin de exporteur die voor de regeling betreffende de vooruitbetaling van restituties in aanmerking is gekomen, bepaalde bedragen moet terugbetalen of moet betalen. Deze bepalingen zijn gewijzigd bij verordening nr. 3445/85 van 6 december 1985, die op verzoek van de betrokkenen voor de onderhavige gevallen geldt.
28 In de redactie van deze laatste verordening luidt artikel 10, lid 4, waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft, als volgt:
"Behoudens overmacht zullen de volgende bedragen worden teruggevorderd:
a) wanneer de in artikel 11 vastgestelde termijnen niet in acht zijn genomen:
- een bedrag gelijk aan de waarborg;
b) wanneer de in artikel 11 vastgestelde termijnen in acht zijn genomen, maar qua restitutie op een lager bedrag aanspraak kan worden gemaakt dan op het in lid 1, sub b, bedoelde bedrag en de in artikel 7, lid 1, tweede zin, bedoelde minimumverhoging niet is toegepast:
- ingeval het bepaalde in artikel 7, lid 3, van toepassing is een bedrag gelijk aan de waarborg, verminderd met het bedrag van de werkelijke restitutie min het eventueel verschuldigde negatieve monetaire compenserende bedrag, beide laatste verhoogd met 20 %;
- in andere gevallen een bedrag gelijk aan de waarborg, verminderd met het bedrag van de werkelijke restitutie en het eventueel verschuldigde positieve monetaire compenserende bedrag, verhoogd met 20 %;
c) wanneer de in artikel 11 vastgestelde termijnen in acht zijn genomen, maar qua restitutie op een lager bedrag aanspraak kan worden gemaakt dan op het in lid 1, sub b, bedoelde bedrag en de in artikel 7, lid 1, tweede zin, bedoelde minimumverhoging is toegepast:
- een bedrag gelijk aan het verschil tussen het vooruitbetaalde bedrag en het verschuldigde bedrag, verhoogd met het percentage verhouding van het bedrag van de minimumverhoging tot het vooruitbetaalde bedrag."
De gemeenschapsbepalingen die van toepassing zijn in het door de verwijzende rechter bedoelde geval
29 De bepalingen van artikel 10, leden 4 en 5, van verordening nr. 798/80 regelen overeenkomstig artikel 6, tweede alinea, van verordening nr. 565/80, ter uitvoering waarvan zij zijn vastgesteld, alle gevallen, waarin degene aan wie restituties zijn vooruitbetaald, geen recht op deze restituties of slechts recht op een lagere restitutie had. Artikel 10, lid 5, bevat bijzondere bepalingen die enkel van toepassing zijn in het geval van overmacht. In alle andere gevallen, dus ook in het onderhavige, door de verwijzende rechter bedoelde geval, waarin geen overmacht is gesteld, is bijgevolg artikel 10, lid 4, van toepassing.
30 In artikel 10, lid 4, wordt onderscheid gemaakt tussen het sub a genoemde geval, waarin de handelaar de in artikel 11 van verordening nr. 798/80 vastgestelde termijnen niet in acht heeft genomen, en de sub b en c genoemde gevallen, waarin het bedrag van de "werkelijke restitutie", dat wil zeggen de verschuldigde restitutie, lager blijkt te zijn dan het vooruitbetaalde restitutiebedrag. In het eerste geval moet de handelaar een bedrag gelijk aan de waarborg betalen. In het tweede geval moet de handelaar volgens verschillende modaliteiten het verschil tussen de vooruitbetaalde restitutie en de verschuldigde restitutie terugbetalen en ofwel een verhoging van 20 % van het verschil tussen deze bedragen ofwel een minimumverhoging betalen.
31 De Commissie betoogt, dat op het door het Bundesfinanzhof voorgelegde geval artikel 10, lid 4, sub a, van verordening nr. 798/80 van toepassing is, omdat de termijnen van artikel 11 noodzakelijkerwijs als verstreken moeten worden aangemerkt, wanneer de kenmerken van het uitgevoerde produkt afwijken van de kenmerken die in de vooruitbetalingsaangifte zijn vermeld. De bepalingen van artikel 10, lid 4, sub b en c, zijn volgens de Commissie en het Hauptzollamt niet van toepassing, daar zij de gevallen betreffen waarin het verschuldigde restitutiebedrag lager is ten gevolge van een wijziging van de hoeveelheid of de bestemming van de uitgevoerde produkten ten opzichte van de gegevens in de vooruitbetalingsaangifte.
32 Deze uitlegging kan niet worden aanvaard.
33 In de eerste plaats heeft artikel 11 van verordening nr. 798/80 slechts betrekking op de termijnen voor de verwerking van het basisprodukt en de termijnen waarbinnen het verwerkte produkt na beëindiging van de douanecontrole moet worden uitgevoerd. Het zegt niets over de relatie van de kenmerken van het feitelijk uitgevoerde produkt tot de in de vooruitbetalingsaangifte omschreven kenmerken.
34 In de tweede plaats kan het door de verwijzende rechter beschreven geval noch op grond van de bewoordingen noch op grond van het doel van de bepalingen van artikel 10, lid 4, sub b en c, van hun toepassingsgebied worden uitgesloten. Deze bepalingen, die de rechten en de plichten van de exporteur vaststellen wanneer het vooruitbetaalde restitutiebedrag hoger is dan het verschuldigde restitutiebedrag, moeten bij gebreke van uitdrukkelijke andersluidende bepalingen met name toepassing vinden in gevallen waarin het feitelijk uitgevoerde produkt het in de vooruitbetalingsaangifte vermelde produkt is en uitsluitend de kenmerken van dit produkt zodanig afwijken, dat de toepassing van een lagere restitutievoet gerechtvaardigd is.
35 Precies dit doet zich in het door het Bundesfinanzhof voorgelegde geval voor. Het in de vooruitbetalingsaangiften omschreven meel en het feitelijk uitgevoerde meel kunnen immers niet als verschillende produkten worden beschouwd. Dat meel valt onder dezelfde GDT-post en, zoals hiervoor reeds is overwogen, onder dezelfde gemeenschapsbepalingen die ter bepaling van de restitutievoet voor het goed "meel van zachte tarwe" zes categorieën van asgehalte onderscheiden. In het onderhavige geval is enkel de toepassing van een lagere restitutievoet als gevolg van de indeling van het uitgevoerde meel in een andere categorie dan die welke in de vooruitbetalingsaangifte was vermeld, in geding.
36 Ten slotte moet aansluiting worden gezocht bij de doelstellingen van de betrokken gemeenschapsregeling. In vorengenoemde arrest van 5 februari 1987 overwoog het Hof, dat de destijds - vóór verordening nr. 798/80 - geldende bepalingen de ongerechtvaardigde verrijking van een handelaar wilden tegengaan, die een kosteloos krediet zou hebben genoten ingeval zou blijken, dat hij geen aanspraak had op de restitutie die hem nog voor de verwerking van de uitgevoerde produkten was uitbetaald. Het Hof stelde echter vast, dat het kosteloze krediet dat een handelaar in een met het onderhavige geval vergelijkbare situatie had ontvangen, niet het gehele restitutiebedrag dat in feite was vooruitbetaald omvatte, maar enkel betrekking had op dit restitutiebedrag verminderd met het restitutiebedrag waarop deze handelaar wèl recht had. Derhalve moest de door de handelaar verschuldigde verhoging worden berekend over het verschil tussen deze twee restitutiebedragen. De beginselen van dit arrest kunnen worden getransponeerd op de toepassing van verordening nr. 798/80, die hetzelfde doel heeft als de eerdere regeling. De door de Commissie voorgestelde toepassing van artikel 10, lid 4, sub a, van deze verordening op het door de nationale rechter bedoelde geval, zou de handelaar in strijd met deze beginselen ertoe dwingen, een bedrag gelijk aan de waarborg terug te betalen, dat wil zeggen een bedrag dat zelfs hoger is dan de totaal vooruitbetaalde restitutie. Daarentegen is het in overeenstemming met het doel van de betrokken regeling om de bepalingen van artikel 10, lid 4, sub b of c, van verordening nr. 798/80 toe te passen, die in een dergelijk geval de hoogte van de terug te betalen bedragen beperken tot het ten onrechte door de handelaar genoten krediet, verhoogd met een toeslag die de functie van een sanctie heeft.
37 Derhalve valt het door de verwijzende rechter bedoelde geval onder artikel 10, lid 4, sub c, wanneer de in artikel 7, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 798/80 bedoelde minimumverhoging is toegepast, dan wel onder artikel 10, lid 4, sub b, wanneer dit niet is geschied.
De restitutievoet
38 De verwijzende rechter vraagt ook of voor de berekening van de restitutie waarop de handelaar werkelijk aanspraak kan maken, de in artikel 4, leden 5 en 6, van verordening nr. 565/80 bepaalde restitutievoet moet worden toegepast, dan wel of na afloop van de geldigheidsduur van het voorfixatiecertificaat overeenkomstig de algemene bepalingen van artikel 3 van verordening nr. 2730/79 de op de dag van uitvoer geldende restitutievoet moet worden toegepast.
39 Wanneer de kenmerken van het feitelijk uitgevoerde produkt, zoals in het door de verwijzende rechter bedoelde geval, afwijken van die welke in de vooruitbetalingsaangifte zijn vermeld, is de ongerechtvaardigde verrijking van de handelaar gelijk aan het op basis van de restitutievoet, als bedoeld in artikel 4 van verordening nr. 565/80, berekende verschil tussen het vooruitbetaalde restitutiebedrag en het restitutiebedrag dat hij voor het feitelijk uitgevoerde produkt had moeten ontvangen, wanneer hij dit in de vooruitbetalingsaangifte juist had vermeld. Bij de berekening van het bedrag van de werkelijke restitutie moet derhalve worden uitgegaan van de restitutievoet die geldt in het kader van verordening nr. 565/80 betreffende de vooruitbetaling van restituties.
40 Alleen deze uitlegging waarborgt een doeltreffende sanctie. In het geval waarin de restitutievoet tussen de datum van de vaststelling vooraf of de datum waarop het basisprodukt onder douanecontrole wordt geplaatst, en de datum van uitvoer van het verwerkte produkt wordt verhoogd, zou de toepassing van de in artikel 3 van verordening nr. 2730/79 bedoelde restitutievoet voor de handelaar namelijk geen sanctie maar een voordeel kunnen zijn.
41 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat wanneer een handelaar zich overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 798/80 heeft verbonden om meel met een asgehalte van 0 t/m 520 mg/100 g uit te voeren, en hem wordt verweten, dat hij om redenen die geen overmacht opleveren, in feite meel met een aanzienlijk hoger asgehalte heeft uitgevoerd, de hoogte van de bedragen die deze handelaar moet betalen, wordt bepaald door artikel 10, lid 4, sub b of c, van verordening nr. 798/80. De werkelijke restitutie waarop deze handelaar aanspraak kan maken, moet in het kader van deze bepalingen worden berekend met toepassing van de restitutievoet, bedoeld in artikel 4, leden 5 en 6, van verordening nr. 565/80.
De tweede prejudiciële vraag in zaak C-5/90
42 Deze vraag, over de geldigheid van verordening nr. 1633/80, waarin de restitutievoet voor exporten naar de Sovjet-Unie is vastgesteld op 0 ECU, is door de verwijzende rechter gesteld voor het geval het Hof op de eerste vraag zou antwoorden, dat de restitutie waarop de handelaar in het door de verwijzende rechter bedoelde geval aanspraak kan maken, moet worden berekend met toepassing van de restitutievoet van verordening nr. 2730/79.
43 Daar het Hof niet in deze zin heeft geantwoord, behoeft op de tweede prejudiciële vraag derhalve niet te worden geantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
44 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikkingen van 21 november 1989 en 8 mei 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Wanneer een handelaar zich overeenkomstig artikel 2 van verordening (EEG) nr. 798/80 van de Commissie van 31 maart 1980 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de vooruitbetaling van uitvoerrestituties en positieve monetaire compenserende bedragen voor landbouwprodukten, heeft verbonden om meel met een asgehalte van 0 t/m 520 mg/100 g uit te voeren, en hem wordt verweten, dat hij om redenen die geen overmacht opleveren, in feite meel met een aanzienlijk hoger asgehalte heeft uitgevoerd, wordt de hoogte van de bedragen die deze handelaar moet betalen, bepaald door artikel 10, lid 4, sub b of c, van verordening (EEG) nr. 798/80. De werkelijke restitutie waarop deze handelaar aanspraak kan maken, moet in het kader van deze bepalingen worden berekend met toepassing van de restitutievoet, bedoeld in artikel 4, leden 5 en 6, van verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwprodukten.
Full & Egal Universal Law Academy