Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vervoer - Wegvervoer - Sociale bepalingen - Intrekking van verordening en vervanging door nieuwe verordening - Substitutie, wat verwijzingen naar oude verordening betreft, van oude door nieuwe verordening - Strekking beperkt tot sfeer van gemeenschapsrecht
(Verordening nr. 3820/85 van de Raad, art. 18)
Samenvatting
Artikel 18, lid 2, van verordening nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, bepalende dat de verwijzingen naar de bij lid 1 van hetzelfde artikel ingetrokken verordening nr. 543/69 "gelden als verwijzingen naar deze verordening", moet aldus worden uitgelegd, dat het geen betrekking heeft op verwijzingen naar de ingetrokken verordening die in de nationale uitvoeringsbepalingen van die verordening voorkomen, doch op verwijzingen naar die verordening in andere communautaire handelingen.
Partijen
In zaak C-8/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Belgische Hof van Cassatie, in de aldaar dienende strafzaak tegen
W. P. L. Kennes,
Verkooyen PVBA,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 18 van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB 1985, L 370, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, Sir Gordon Slynn en R. Joliet, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
gelet op de opmerkingen ingediend door:
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R. Caudwell van het Treasury Solicitor' s Department als gemachtigde;
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door Th. van Rijn, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde;
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Commissie en van de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door D. Wyatt van het Treasury Solicitor' s Department als gemachtigde, ter terechtzitting van 15 januari 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 februari 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 9 januari 1990, ingekomen bij het Hof op 12 januari daaraanvolgend, heeft het Belgische Hof van Cassatie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een vraag gesteld over de uitlegging van artikel 18 van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB 1985, L 370, blz. 1).
2 Deze vraag is gerezen in een strafzaak tegen W. P. L. Kennes, vrachtwagenchauffeur, en diens werkgever, de vennootschap Verkooyen, als burgerlijk aansprakelijke partij, ter zake van overtreding door Kennes van enkele bepalingen van verordening nr. 3820/85 betreffende de maximale dagelijkse rijtijd en de verplichte duur van de rusttijd.
3 Bij verordening nr. 3820/85 zijn een aantal bepalingen van verordening (EEG) nr. 543/69 van de Raad van 25 maart 1969 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB 1969, L 77, blz. 49) - die de dagelijkse en de wekelijkse rijtijd limiteert en bepaalde rusttijden voorschrijft - versoepeld. Artikel 18, lid 1, van verordening nr. 543/69 evenals artikel 17, lid 1, van verordening nr. 3820/85 verplicht de Lid-Staten om de nodige maatregelen ter uitvoering van de desbetreffende verordening vast te stellen, onder meer met betrekking tot de bij overtredingen toepasselijke sancties.
4 Verordening nr. 543/69 is, op twee tijdelijke uitzonderingen na, bij artikel 18, lid 1, van verordening nr. 3820/85 ingetrokken. Artikel 18, lid 2, van laatstgenoemde verordening bepaalt, dat "verwijzingen naar de ... ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening." Verordening nr. 3820/85 is in werking getreden op 29 september 1986 (artikel 19).
5 In het Koninkrijk België zijn voor verordening nr. 543/69 uitvoeringsbepalingen vastgesteld bij koninklijk besluit van 23 maart 1970 (Belgisch Staatsblad van 1.4.1970) en voor verordening nr. 3820/85 bij koninklijk besluit van 13 mei 1987 (Belgisch Staatsblad van 4.6.1987).
6 Op 3 en 4 november 1986, dus na de inwerkingtreding van verordening nr. 3820/85 en de intrekking van verordening nr. 543/69, maar vóór de vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 3820/85 door de Belgische regering, werd Kennes geverbaliseerd ter zake van overtreding van de artikelen 6, 7 en 8 van laatstgenoemde verordening.
7 De Correctionele rechtbank te Turnhout sprak de verdachten vrij, op grond dat op de datum van de vaststelling van de feiten geen wettelijke grondslag voor strafoplegging voorhanden was: verordening nr. 3820/85 bevatte zelf geen strafbepalingen, terwijl het ter uitvoering van verordening nr. 543/69 vastgestelde koninklijk besluit van 23 maart 1970 niet meer van toepassing was.
8 Het Hof van Cassatie, waarbij beroep tot cassatie was ingesteld, besloot de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:
"Moet artikel 18, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer aldus worden uitgelegd, dat verwijzingen naar verordening (EEG) nr. 543/69 in bepalingen van intern recht, waarbij in maatregelen ter uitvoering van die verordening wordt voorzien, ook gelden als verwijzingen in de zin van voornoemd artikel 18, lid 2?"
9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
10 In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat artikel 17, lid 1, van verordening nr. 3820/85, dat staat in afdeling VIII "Controle en sancties", niet uitdrukkelijk voorziet in een verlenging van de nationale maatregelen die ter uitvoering van verordening nr. 543/69 waren genomen. Integendeel, artikel 17, lid 1, legt de Lid-Staten een nieuwe verplichting op om de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, onder meer met betrekking tot de bij overtredingen toepasselijke sancties, voor de uitvoering van verordening nr. 3820/85 vast te stellen.
11 In de tweede plaats heeft artikel 18, een van de "slotbepalingen" van verordening nr. 3820/85, tot doel de effecten op wetgevend vlak aan te geven van de wijzigingen die bij de andere bepalingen van de verordening waren aangebracht in de bestaande voorschriften. Zoals uit de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 3820/85 blijkt, wilde de Raad in verband met die wijzigingen alle voor het wegvervoer geldende sociale bepalingen in een enkele tekst samenbrengen. Daarom werd verordening nr. 543/69 bij artikel 18, lid 1, ingetrokken.
12 Zo gezien is het duidelijk, dat artikel 18, lid 2, louter de vertaling vormt van de gevolgen die op communautair vlak uit de intrekking van verordening nr. 543/69 voortvloeien. Deze bepaling moest derhalve verzekeren, dat de verwijzingen naar die verordening in andere communautaire handelingen, zoals in richtlijn 80/1263/EEG van de Raad van 4 december 1980 betreffende de invoering van een Europees rijbewijs (PB 1980, L 375, blz. 1), werden gelezen als verwijzingen naar verordening nr. 3820/85. Dit artikel doelt dus geenszins op de nationale maatregelen die op grond van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 543/69 zijn genomen.
13 Mitsdien moet op de vraag van het Belgische Hof van Cassatie worden geantwoord, dat artikel 18, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer aldus moet worden uitgelegd, dat het geen betrekking heeft op verwijzingen naar de ingetrokken verordening nr. 543/69 die in de nationale uitvoeringsbepalingen van die verordening voorkomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
14 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Belgische Hof van Cassatie bij arrest van 9 januari 1990 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 18, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer moet aldus worden uitgelegd, dat het geen betrekking heeft op verwijzingen naar de ingetrokken verordening nr. 543/69 die in de nationale uitvoeringsbepalingen van die verordening voorkomen.
Full & Egal Universal Law Academy