Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vervoer - Wegvervoer - Vrij verrichten van diensten - Cabotage - Totstandbrenging afhankelijk van optreden van Raad
(EEG-Verdrag, art. 59-61 en 75)
Samenvatting
Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht, dat wil zeggen vóór de inwerkingtreding van de verordening van de Raad betreffende de cabotage in het wegvervoer, verhinderen de artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag een Lid-Staat niet, een op zijn grondgebied gevestigde onderneming te verbieden een in een andere Lid-Staat gevestigde vervoersonderneming opdracht te geven om voor haar tegen de in eerstbedoelde Lid-Staat algemeen geldende tarieven binnenlands vervoer te verrichten met in de andere Lid-Staat voor goederenvervoer toegelaten voertuigen.
Partijen
In zaak C-17/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesverwaltungsgericht, in het aldaar aanhangig geding tussen
Pinaud Wieger GmbH Spedition
en
Bundesanstalt fuer den Gueterfernverkehr,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 59 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, Sir Gordon Slynn, F. A. Schockweiler, F. Grévisse en P. J. G. Kapteyn, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Díez de Velasco en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Pinaud Wieger Spedition, vertegenwoordigd door U. Wiemann en B. Eldering, advocaten te Keulen,
- de Bundesanstalt fuer den Gueterfernverkehr, vertegenwoordigd door R. Wilke, advocaat te Berlijn,
- de Spaanse regering, vertegenwoordigd door C. Bastarreche Saguees en A. Hierro Hernández-Mora van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden,
- de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Waegenbaur en R. Gosalbo Bono, lid van de juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Pinaud Wieger GmbH Spedition, vertegenwoordigd dor G. Mejer, advocaat te Keulen, de Bundesanstalt fuer den Gueterfernverkehr, vertegenwoordigd door H.-J. Niemeyer, advocaat te Stuttgart, de Spaanse regering en de Commissie ter terechtzitting van 21 maart 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 juli 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 9 november 1989, ingekomen ten Hove op 22 januari 1990, heeft het Bundesverwaltungsgericht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over het vrije verkeer van diensten op het gebied van het wegvervoer.
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een geding tussen vervoersonderneming Pinaud Wieger GmbH Spedition, verzoekster in het hoofdgeding, en de Bundesanstalt fuer den Gueterfernverkehr, verweerster in het hoofdgeding.
3 Pinaud Wieger wilde de firma Transvenlo, een in Nederland gevestigde vervoersonderneming, goederenvervoer in het "Fernverkehr" (over langere afstand) op Duits grondgebied laten verrichten. Daartoe had zij bij de Bundesanstalt een vergunning aangevraagd. Deze werd geweigerd op grond dat binnenlands goederenvervoer slechts mag worden verricht door in Duitsland gevestigde ondernemingen.
4 Daarop stelde Pinaud Wieger een vordering in strekkende tot vaststelling dat zij gerechtigd is Transvenlo in Duitsland binnenlands goederenvervoer te laten verrichten en in het kader van die overeenkomst lagere tarieven af te spreken dan die welke door de Duitse autoriteiten overeenkomstig het Gueterkraftverkehrsgesetz zijn vastgesteld. Ter ondersteuning van haar vordering voerde zij aan, dat de in de nationale wet voorkomende beperkingen voor diensten van in andere Lid-Staten van de Gemeenschap gevestigde vervoersondernemers die aldaar tot het goederenvervoer zijn toegelaten, inmiddels door de rechtstreekse werking van artikel 59 EEG-Verdrag buiten werking waren getreden.
5 Het Bundesverwaltungsgericht, dat in laatste instantie in dit geding oordeelt, heeft de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Zijn op grond van het aanhouden van het verzuim van de Raad van de Europese Gemeenschappen om het vrij verrichten van diensten op het gebied van het internationale vervoer te verzekeren en de voorwaarden vast te stellen waaronder vervoersondernemers moeten worden toegelaten tot vervoer in een Lid-Staat waarin zij niet gevestigd zijn, de artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag in ieder geval in zoverre rechtstreeks toepasselijk, dat het een in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigde onderneming niet kan worden verboden, aan een Nederlandse vervoersondernemer opdracht te geven om voor hem met in Nederland tot het goederenvervoer toegelaten voertuigen in de Bondsrepubliek Duitsland binnenlands goederenvervoer in het 'Fernverkehr' te verrichten tegen de aldaar algemeen geldende vervoertarieven?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
7 Volgens artikel 61, lid 1, EEG-Verdrag wordt het vrije verkeer van de diensten op het gebied van het vervoer geregeld door de bepalingen voorkomend in de titel betreffende het vervoer. Gelijk het Hof heeft overwogen in zijn arrest van 22 mei 1985 (zaak 13/83, Parlement/Raad, Jurispr. 1985, blz. 1513, r.o. 62), moet de toepassing van de beginselen van het vrije dienstenverkeer, zoals die met name zijn neergelegd in de artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag, volgens het Verdrag worden verwezenlijkt door de totstandbrenging van het gemeenschappelijk vervoerbeleid.
8 Hoewel in de motivering van de verwijzingsbeschikking wordt verwezen naar de krachtens artikel 75, lid 1, sub a en b, EEG-Verdrag op de Raad rustende verplichtingen, inzonderheid de verplichting om gemeenschappelijke regels voor internationaal vervoer van of naar het grondgebied van een Lid-Staat of over het grondgebied van een of meer Lid-Staten vast te stellen, en de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot nationaal vervoer in een Lid-Staat waarin zij niet woonachtig zijn, dient de verwijzende rechter zich in het bij hem aanhangige geding uit te spreken over de rechtsvraag of en, zo ja, onder welke voorwaarden vervoersondernemers vervoersdiensten mogen verrichten op de binnenlandse markt van een Lid-Staat waarin zij niet woonachtig zijn.
9 Overigens heeft de vraag van de verwijzende rechter enkel betrekking op het geval waarin elders gevestigde vervoersondernemers de in de Lid-Staat van ontvangst geldende tarieven eerbiedigen.
10 Met betrekking tot het "aanhouden van het verzuim" van de Raad, waarvan sprake is in de prejudiciële vraag, heeft het Hof in het arrest van 22 mei 1985 (reeds aangehaald) onder meer vastgesteld, dat de Raad het Verdrag heeft geschonden door na te laten, in het kader van de liberalisering van het dienstenverkeer in deze sector, overeenkomstig artikel 75, leden 1, sub b, en 2, EEG-Verdrag, de voorwaarden vast te stellen, waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands vervoer in een Lid-Staat waarin zij niet woonachtig zijn. In dit arrest heeft het Hof overwogen, dat de Raad over een redelijke termijn beschikt om de maatregelen te nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van dit arrest.
11 In verband met het ingewikkelde karakter van de cabotagesector in het wegvervoer, staan nog ernstige moeilijkheden in de weg aan de verwezenlijking van het vrije dienstverkeer op dit gebied. Dit vrije dienstenverkeer kan slechts op ordelijke wijze worden verwezenlijkt in het kader van een gemeenschappelijk vervoerbeleid, waarbij rekening wordt gehouden met de economische, sociale en ecologische problemen en gelijke mededingingsvoorwaarden worden gewaarborgd.
12 Bijgevolg was de Raad bevoegd, de liberalisering van de cabotage in het wegvervoer geleidelijk ten uitvoer te leggen. Na de prejudiciële verwijzing, op 21 december 1989, heeft de Raad verordening (EEG) nr. 4059/89 aanvaard, waarbij de voorwaarden waaronder niet in een Lid-Staat woonachtige vervoersondernemers aldaar tot het binnenlands goederenvervoer over de weg worden toegelaten, bij wijze van tijdelijke regeling zijn vastgesteld (PB 1989, L 390, blz. 3). Deze verordening is op 1 juli 1990 in werking getreden.
13 Bovendien moet de Raad, overeenkomstig artikel 9 van deze verordening, uiterlijk voor 1 januari 1993 een verordening aannemen waarin de definitieve regeling van de cabotage in het wegvervoer wordt vastgesteld.
14 Mitsdien en gelet op het feit dat, zoals in de verwijzingsbeschikking wordt verklaard, de verwijzende rechter uitspraak moet doen op grond van het toepasselijk recht op het tijdstip van zijn beslissing, dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord, dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag een Lid-Staat niet verhinderen, een op zijn grondgebied gevestigde onderneming te verbieden een in een andere Lid-Staat gevestigde vervoersonderneming opdracht te geven om voor haar tegen de in eerstbedoelde Lid-Staat algemeen geldende tarieven binnenlands vervoer te verrichten met in de andere Lid-Staat voor goederenvervoer toegelaten voertuigen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
15 De kosten door de Spaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Bundesverwaltungsgericht bij beschikking van 9 november 1989 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht verhinderen de artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag een Lid-Staat niet, een op zijn grondgebied gevestigde onderneming te verbieden een in een andere Lid-Staat gevestigde vervoersonderneming opdracht te geven om voor haar tegen de in eerstbedoelde Lid-Staat algemeen geldende tarieven binnenlands vervoer te verrichten met in de andere Lid-Staat voor goederenvervoer toegelaten voertuigen.
Full & Egal Universal Law Academy