Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Producenten die over twee referentiehoeveelheden beschikken: voor rechtstreekse verkoop en voor leveringen aan melkfabriek - Mogelijkheid om naar gelang van afzetbehoeften referentiehoeveelheden van ene activiteit naar andere over te dragen - Begunstigden - Producenten die tijdens melkjaar één van hun activiteiten tijdelijk helemaal staken - Daaronder begrepen
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 6 bis)
Samenvatting
De werkingssfeer van artikel 6 bis van verordening nr. 857/84, dat zuivelproducenten die beschikken over twee referentiehoeveelheden, één voor rechtstreekse verkoop en een andere voor leveringen aan de melkfabriek, in staat stelt deze hoeveelheden binnen een periode van twaalf maanden van de ene activiteit naar de andere over te dragen, kan niet worden beperkt tot het geval dat de betrokken producent in dezelfde periode van twaalf maanden inderdaad beide activiteiten verricht. Het doel van die bepaling, producenten in staat te stellen het hoofd te bieden aan een wijziging in hun afzetbehoeften, die gedurende meer dan één melkjaar gevolgen kan hebben, zou immers niet volledig worden bereikt indien ten gevolge van een dergelijke beperking degenen die, geconfronteerd met een wijziging in een bepaald melkjaar, de rechtstreekse verkoop tijdelijk hebben onderbroken, daarvan geen gebruik konden maken.
Partijen
In zaak C-22/90,
Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door E. Belliard, adjunct-directeur bij de directie Juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en G. de Bergues, eerste adjunct-secretaris bij de directie Juridische zaken van genoemd ministerie, als plaatsvervangend gemachtigde, vervolgens door P. Pouzoulet, onderdirecteur bij de directie Juridische zaken van genoemd ministerie, als gemachtigde, en G. de Bergues als plaatsvervangend gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard du Prince Henri 9,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hetsch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 89/627/EEG van de Commissie van 15 november 1989 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1987 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB 1989, L 359, blz. 23), voor zover daarbij voor het melkjaar 1986/1987 een overschrijding met 5 192 ton van de gegarandeerde totale hoeveelheid voor de leveringen van melk in aanmerking is genomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, Sir Gordon Slynn, F. A. Schockweiler en F. Grévisse, kamerpresidenten, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: J.-G. Giraud
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 14 mei 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 juni 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 januari 1990, heeft de Franse Republiek krachtens artikel 173 EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van beschikking 89/627/EEG van de Commissie van 15 november 1989 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1987 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB 1989, L 359, blz. 23), voor zover daarbij voor het melkjaar 1986/1987 een overschrijding met 5 192 ton van de gegarandeerde totale hoeveelheid voor de leveringen van melk in aanmerking is genomen.
2 Bij de bestreden beschikking heeft de Commissie onder meer een bedrag van 10 569 874 FF ten laste gelaten van de Franse Republiek, overeenkomend met de extra heffing over de hoeveelheid melk (5 192 ton) die tijdens de derde toepassingsperiode van het stelsel van de extra heffing op melk (1986/1987) de voor de leveringen van melk en zuivelprodukten in Frankrijk vastgestelde gegarandeerde totale hoeveelheid te boven ging. Deze hoeveelheid van 5 192 ton is het resultaat van door Frankrijk verrichte overdrachten tussen de referentiehoeveelheden die aan melkproducenten waren toegekend voor rechtstreekse verkoop en de referentiehoeveelheden voor hun leveringen aan de melkfabriek. De bestreden beschikking is gebaseerd op de overweging, dat deze overdrachten in strijd waren met de gemeenschapsregeling ter zake, daar de betrokken producenten tijdens het betrokken melkjaar niet daadwerkelijk rechtstreeks hadden verkocht en tegelijk aan melkfabrieken hadden geleverd.
3 Tot staving van haar beroep voert de Franse Republiek twee middelen aan, die zijn gebaseerd op een verkeerde uitlegging door de Commissie van de regeling betreffende de overdrachten tussen referentiehoeveelheden voor rechtstreekse verkoop en voor leveringen aan de melkfabriek enerzijds, en van de regeling betreffende de berekening van het gemiddelde vetgehalte van de melk op grond waarvan de extra heffing wordt berekend, anderzijds.
4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De toepasselijke gemeenschapsregeling
5 De regeling inzake de extra heffing op melk, die is ingesteld bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 10), is zo opgezet, dat een heffing verschuldigd is over de leveringen van melk of andere zuivelprodukten die een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden. Overeenkomstig artikel 2 van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), is deze referentiehoeveelheid in beginsel gelijk aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die tijdens het referentiejaar door de producent aan de melkfabriek is geleverd of door deze laatste is gekocht, verhoogd met een bepaald percentage.
6 Artikel 6 van verordening nr. 857/84 bepaalt echter, dat ook een referentiehoeveelheid wordt toegewezen aan de producenten die rechtstreeks aan de consument hebben verkocht, zodat één en dezelfde producent over twee referentiehoeveelheden kan beschikken, één voor leveringen aan de melkfabriek en de andere voor verkoop aan de consument. Artikel 6 bis van verordening nr. 857/84, ingevoegd bij verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 (PB 1985, L 68, blz. 1), bepaalt dat de producenten die aldus over twee referentiehoeveelheden beschikken, "op hun verzoek, om het hoofd te bieden aan een wijziging in hun afzetbehoeften, een verhoging ((verkrijgen)) van een van de twee referentiehoeveelheden binnen een periode van twaalf maanden. Een voorwaarde voor deze verhoging is dat de andere referentiehoeveelheid gedurende dezelfde periode van twaalf maanden met dezelfde hoeveelheid wordt verlaagd".
7 De uitvoeringsbepalingen van het stelsel van de bij artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 ingestelde extra heffing zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 (PB 1988, L 139, blz. 12). Artikel 5, lid 5, van deze verordening bepaalt in wezen, dat de producenten aan wie een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop is toegewezen en die deze verkoop geheel of gedeeltelijk beëindigen, "hun melk en zuivelprodukten aan een koper ((mogen)) leveren (...) op voorwaarde dat de Lid-Staat hun een referentiehoeveelheid kan toewijzen binnen de grenzen van de (...) gegarandeerde hoeveelheid". Voorts stelt verordening nr. 1546/88 in artikel 12 regels voor de berekening van het gemiddelde vetgehalte van de melk, op grond waarvan de extra heffing wordt berekend.
Het eerste middel
8 Met het eerste middel verwijt de Franse Republiek de Commissie, dat zij artikel 6 bis van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd, verkeerd heeft toegepast, door in de bestreden beschikking een overschrijding met 5 192 ton melk van de gegarandeerde hoeveelheid in aanmerking te nemen, ten gevolge van overdrachten tussen referentiehoeveelheden voor rechtstreekse verkoop en voor leveringen aan de melkfabriek, door producenten die tijdens het betrokken melkjaar niet tegelijk rechtstreeks hadden verkocht en aan de melkfabriek geleverd.
9 In dit verband preciseert de Franse regering, dat artikel 6 bis de tijdelijke overdracht regelt tussen referentiehoeveelheden voor rechtstreekse verkoop en die voor leveringen aan de melkfabriek. Aldus kan een producent die over twee referentiehoeveelheden beschikt, tijdens een bepaald melkjaar deze hoeveelheden geheel of gedeeltelijk van de ene activiteit naar de andere overdragen, met dien verstande dat deze toelating aan het einde van elk melkjaar vervalt. Wanneer een producent de rechtstreekse verkoop daarentegen definitief beëindigt, valt zijn referentiehoeveelheid krachtens artikel 5, lid 5, van verordening nr. 1546/88 weer toe aan de nationale reserve en kan hem in voorkomend geval uit de nationale reserve enkel een nieuwe referentiehoveelheid worden toegewezen voor zijn leveringen aan de melkfabriek.
10 Uit de vergelijking van de twee voormelde bepalingen blijkt, aldus de Franse regering, dat een tijdelijke overdracht in de zin van artikel 6 bis van verordening nr. 857/84 slechts afhankelijk is van twee voorwaarden, namelijk dat de betrokken producent beschikt over twee referentiehoeveelheden (voor rechtstreekse verkoop en voor leveringen aan de melkfabriek) en dat hij het hoofd moet bieden aan een wijziging in zijn afzetbehoeften. Dit artikel houdt echter niet in, dat de producent in bedoeld melkjaar gelijktijdig rechtstreeks verkoopt en aan de melkfabriek levert.
11 De Commissie stelt daarentegen, dat het bij artikel 6 bis van verordening nr. 857/84 ingestelde mechanisme van tijdelijke overdrachten slechts kan worden toegepast, wanneer de producent in het betrokken melkjaar daadwerkelijk rechtstreekse verkopen en leveringen aan de melkfabriek verricht. Het doel van dit artikel is een producent die zijn zuivelproduktie gedeeltelijk door rechtstreekse verkoop en gedeeltelijk door leveringen aan de melkfabriek commercialiseert, in staat te stellen de afzet van deze produktie te heroriënteren, wanneer zijn afzetbehoeften in een bepaald melkjaar niet meer overeenstemmen met de gebruikelijke commerciële verhoudingen.
12 Volgens de Commissie volgt hieruit, dat de overdracht tussen referentiehoeveelheden voor rechtstreekse verkoop en referentiehoeveelheden voor leveringen aan de melkfabriek onderstelt, dat de producenten in het betrokken melkjaar inderdaad zowel rechtstreeks verkopen als aan de melkfabriek leveren.
13 Deze redenering van de Commissie kan niet worden aanvaard.
14 Uit de tekst van artikel 6 van verordening nr. 857/84 blijkt namelijk, dat de werkingssfeer van de bepaling niet kan worden beperkt tot het geval dat de betrokken producent, die over twee referentiehoeveelheden beschikt, namelijk voor rechtstreekse verkoop en voor leveringen aan de melkfabriek, in dezelfde periode van twaalf maanden inderdaad beide activiteiten verricht.
15 Deze uitlegging, die gebaseerd is op de bewoordingen van de onderhavige bepaling, is in overeenstemming met het doel van die bepaling, namelijk om producenten die over twee referentiehoeveelheden beschikken, in staat te stellen het hoofd te bieden aan een wijziging in hun afzetbehoeften. Aangezien de gevolgen van een dergelijke wijziging zich over meer dan een melkjaar kunnen uitstrekken, is de mogelijkheid om dit doel te bereiken, niet volledig gewaarborgd wanneer artikel 6 bis aldus wordt uitgelegd, dat van zijn werkingssfeer worden uitgesloten de producenten die in één melkjaar niet gelijktijdig rechtstreeks verkopen en aan de melkfabriek leveren, dat wil zeggen, met name degenen die, geconfronteerd met een wijziging in hun afzetbehoeften, in een bepaald melkjaar de rechtstreekse verkoop tijdelijk hebben onderbroken.
16 Voorts volgt uit de opzet van de regeling ter zake, dat de producenten die niet binnen het toepassingsgebied van artikel 6 bis van verordening nr. 857/84 vallen, hun afzetmethode enkel mogen wijzigen krachtens artikel 5, lid 5, van verordening nr. 1546/88, dat de definitieve stopzetting van de rechtstreekse verkoop regelt. Deze bepaling maakt echter enkel de overdracht mogelijk van referentiehoeveelheden voor rechtstreekse verkoop naar referentiehoeveelheden voor leveringen aan de melkfabriek, en niet andersom. Zij stelt de van de extra heffing vrijgestelde leveringen aan de melkfabriek bovendien afhankelijk van de voorwaarde, dat de betrokken Lid-Staat referentiehoeveelheden kan toewijzen binnen de grenzen van zijn gegarandeerde totale hoeveelheid.
17 Uit een en ander volgt, dat de bestreden beschikking, voor zover zij voor het melkjaar 1986/1987 een overschrijding met 5 192 ton van de gegarandeerde totale hoeveelheid voor de leveringen van melk in aanmerking neemt, doordat aan de producenten die in het melkjaar 1986/1987 niet daadwerkelijk rechtstreeks hebben verkocht én aan de melkfabriek geleverd, het voordeel van artikel 6 bis van verordening nr. 857/84 wordt ontzegd, berust op een verkeerde uitlegging van voormelde bepaling en derhalve moet worden nietigverklaard.
Het tweede middel
18 Daar de bestreden beschikking om voormelde redenen moet worden nietigverklaard, behoeft het tweede middel betreffende een verkeerde uitlegging van artikel 12 van verordening nr. 1546/88 over de berekening van het gemiddelde vetgehalte van de melk op grond waarvan de extra heffing wordt berekend, niet te worden onderzocht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Verklaart nietig beschikking 89/627/EEG van de Commissie van 15 november 1989 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1987 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven, voor zover daarbij voor het melkjaar 1986/1987 een overschrijding met 5 192 ton van de gegarandeerde totale hoeveelheid voor de leveringen van melk in aanmerking is genomen.
2) Verwijst de Commissie in de kosten van het geding.
Full & Egal Universal Law Academy