Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Beroep wegens niet-nakoming - Voorwerp van geding - Bepaling door met redenen omkleed advies - Aan Lid-Staat gestelde termijn - Latere opheffing van niet-nakoming - Belang bij voortzetting van actie - Eventuele aansprakelijkheid van Lid-Staat
(EEG-Verdrag, art. 169)
2. Harmonisatie van wetgevingen - Kosmetische produkten - Verpakking en etikettering - Richtlijn 76/768 - Volledige harmonisatie - Nationale regeling waarbij niet in richtlijn voorziene verplichtingen worden opgelegd - Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 76/768 van de Raad, art. 7, leden 1 en 3)
Samenvatting
1. Het voorwerp van een krachtens artikel 169 EEG-Verdrag ingesteld beroep wordt bepaald door het met redenen omkleed advies van de Commissie. Ook wanneer de inbreuk na het verstrijken van de krachtens artikel 169, tweede alinea, gestelde termijn is opgeheven, blijft handhaving van het beroep van belang ter vaststelling van de grondslag van de aansprakelijkheid die ten gevolge van de niet-nakoming op een Lid-Staat kan rusten jegens andere Lid-Staten, de Gemeenschap of particulieren.
2. Richtlijn 76/768 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake kosmetische produkten, heeft een volledige harmonisatie van de nationale bepalingen inzake verpakking en etikettering van de betrokken produkten tot stand gebracht. Een Lid-Staat komt derhalve de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet na, wanneer hij het in de handel brengen van kosmetische produkten afhankelijk stelt van de indiening van een verklaring bij de ter zake bevoegde nationale instantie, die andere informatie bevat dan die welke hij kan verlangen krachtens artikel 7, lid 3, van deze richtlijn, en van iedere fabrikant en iedere persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een kosmetisch produkt, verlangt dat hij op het kantoor van zijn onderneming in de betrokken Lid-Staat voor elk vervaardigd of ingevoerd produkt een dossier bijhoudt met alle gegevens betreffende de samenstelling, de kenmerken, de beschrijving van het produkt, het fabricage- en controleverslag van iedere partij en de voor deze controle gebruikte methode.
Partijen
In zaak C-29/90,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Condou Durande, lid van de juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst van de Commissie, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door E. Skandalou, advocaat, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Helleense Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake kosmetische produkten (PB 1976, L 262, blz. 169), door voor het in de handel brengen van kosmetische produkten te verlangen dat een verklaring wordt overgelegd vergezeld van inlichtingen en bewijsstukken, en dat een dossier wordt bijgehouden met gegevens die hetzij reeds voorkomen op de verpakkingen, recipiënten of etiketten van de kosmetische produkten, hetzij niet gerechtvaardigd zijn met het oog op een snelle en afdoende medische behandeling in geval van stoornissen van de gezondheid,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, R. Joliet en F. A. Schockweiler, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Díez de Velasco en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 16 januari 1992, waarbij de Helleense Republiek werd vertegenwoordigd door N. Mavrikas als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 februari 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 26 januari 1990, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld tot vaststelling dat de Helleense Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake kosmetische produkten (PB 1976, L 262, blz. 169; hierna: de "richtlijn"), door voor het in de handel brengen van kosmetische produkten te verlangen dat een verklaring wordt overgelegd vergezeld van inlichtingen en bewijsstukken, en dat een dossier wordt bijgehouden met gegevens die hetzij reeds voorkomen op de verpakkingen, recipiënten of etiketten van de kosmetische produkten, hetzij niet gerechtvaardigd zijn met het oog op een snelle en afdoende medische behandeling in geval van stoornissen van de gezondheid.
2 In artikel 6, lid 1, van de richtlijn wordt het in de handel brengen van kosmetische produkten afhankelijk gesteld van de voorwaarde, dat op de verpakking, de recipiënt of het etiket ervan in onuitwisbare letters, goed leesbaar en zichtbaar, bepaalde in deze bepaling opgesomde gegevens zijn aangebracht. Ingevolge artikel 7, lid 1, van de richtlijn is het de Lid-Staten niet toegestaan, het in de handel brengen van kosmetische produkten die beantwoorden aan de voorschriften van de richtlijn, te weigeren, te verbieden of te beperken. Artikel 7, lid 3, van de richtlijn geeft de Lid-Staten evenwel de mogelijkheid voor te schrijven, dat passende en voldoende informatie over stoffen die in kosmetische produkten zijn verwerkt, ter beschikking wordt gesteld van de ter zake bevoegde instantie, ten einde een snelle en afdoende medische behandeling in geval van stoornissen van de gezondheid mogelijk te maken.
3 Volgens artikel 14 van de richtlijn dienen de Lid-Staten binnen een, in het geval van de Helleense Republiek op 1 januari 1981 verstreken termijn de nodige maatregelen in te voeren om aan het bepaalde in de richtlijn te voldoen.
4 De Helleense Republiek heeft de richtlijn in nationaal recht omgezet bij presidentieel decreet nr. 532/81 van 23 mei 1981. Van oordeel dat de artikelen 2, lid 1, en 5, van dit decreet onverenigbaar zijn met de bepalingen van de richtlijn, zond de Commissie de Helleense Republiek overeenkomstig artikel 169 EEG-Verdrag een aanmaningsbrief en vervolgens een met redenen omkleed advies. Aangezien de Helleense Republiek dit met redenen omkleed advies niet opvolgde, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
6 Volgens de Commissie scheppen de artikelen 2, lid 1, en 5, van presidentieel decreet nr. 532/81 verder gaande verplichtingen dan die van de richtlijn en belemmert, verbiedt of beperkt de Helleense Republiek dientengevolge het in de handel brengen van produkten die voldoen aan de voorwaarden van de richtlijn.
7 In de eerste plaats zij opgemerkt dat, zoals het Hof reeds heeft overwogen in het arrest van 23 november 1989 (zaak C-150/88, Provide, Jurispr. 1989, blz. 3891, r.o. 28), de richtlijn een volledige harmonisering van de nationale bepalingen inzake verpakking en etikettering van de daarin bedoelde kosmetische produkten tot stand heeft gebracht.
8 Artikel 2, lid 1, van presidentieel decreet nr. 532/81 nu bepaalt, dat voor kosmetische produkten die in Griekenland in de handel worden gebracht, bij de KEEPH (nationale geneesmiddelencommissie) een verklaring moet worden ingediend die vergezeld gaat van inlichtingen en bewijsstukken, zoals
- de naam van het produkt;
- de vorm van het produkt;
- de kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling van het produkt;
- de naam en het adres van het laboratorium of de fabriek waar het produkt is vervaardigd;
- de naam, de voornaam en het adres van de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen,
- de fysisch-chemische constanten en een beschrijving van het produkt;
- een voorbeeld van de bijsluiter, en
- een voorbeeld van de tekst vermeld op het etiket of op elke recipiënt.
9 Sommige van deze inlichtingen en bewijsstukken hebben betrekking op de stoffen die in de kosmetische produkten zijn verwerkt, en mogen derhalve overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de richtlijn door een Lid-Staat worden verlangd ten behoeve van een snelle en afdoende medische behandeling in geval van stoornissen van de gezondheid. Het betreft:
- de naam van het produkt;
- de kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling van het produkt;
- de fysisch-chemische constanten en de beschrijving van het produkt, en
- het voorbeeld van de bijsluiter.
Daarentegen gaf geen enkele bepaling van de richtlijn de Helleense Republiek het recht om de andere in artikel 2, lid 1, van presidentieel decreet nr. 532/81 genoemde inlichtingen te verlangen.
10 Voorts bepaalt artikel 5 van presidentieel decreet nr. 532/81, dat iedere fabrikant en iedere persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van kosmetische produkten, op het kantoor van zijn onderneming in Griekenland voor elk vervaardigd of ingevoerd produkt een dossier bijhoudt met alle gegevens betreffende de samenstelling, de kenmerken, de beschrijving van het produkt, het fabricage- en controleverslag van iedere partij en de voor deze controle gebruikte methode. Geen enkele bepaling van de richtlijn staat een Lid-Staat echter toe, een dergelijke bepaling vast te stellen.
11 Ter terechtzitting heeft de Griekse regering uiteengezet, dat het Griekse recht bij decreet nr. 40/91 van 28 februari 1991, waarbij presidentieel decreet nr. 532/81 is ingetrokken, in overeenstemming met de richtlijn is gebracht.
12 Het is vaste rechtspraak (zie laatstelijk het arrest van 30 mei 1991, zaak C-59/89, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1991, blz. I-2607, r.o. 35), dat het voorwerp van een krachtens artikel 169 EEG-Verdrag ingesteld beroep wordt bepaald door het met redenen omkleed advies van de Commissie en dat, ook wanneer de inbreuk na het verstrijken van de krachtens artikel 169, tweede alinea, gestelde termijn is opgeheven, handhaving van het beroep van belang blijft ter vaststelling van de grondslag van de aansprakelijkheid die ten gevolge van de niet-nakoming op een Lid-Staat kan rusten jegens andere Lid-Staten, de Gemeenschap of particulieren.
13 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat door het in de handel brengen van kosmetische produkten afhankelijk te stellen van de indiening van een verklaring bij de ter zake bevoegde nationale instantie, die andere informatie bevat dan die welke een Lid-Staat kan verlangen krachtens artikel 7, lid 3, van richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake kosmetische produkten, en door van iedere fabrikant en iedere persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een kosmetisch produkt, te verlangen dat hij op het kantoor van zijn onderneming in Griekenland voor elk vervaardigd of ingevoerd produkt een dossier bijhoudt met alle gegevens betreffende de samenstelling, de kenmerken, de beschrijving van het produkt, het fabricage- en controleverslag van iedere partij en de voor deze controle gebruikte methode, de Helleense Republiek de krachtens richtlijn 76/768 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
14 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door het in de handel brengen van kosmetische produkten afhankelijk te stellen van de indiening van een verklaring bij de ter zake bevoegde nationale instantie, die andere informatie bevat dan die welke een Lid-Staat kan verlangen krachtens artikel 7, lid 3, van richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake kosmetische produkten, en door van iedere fabrikant en iedere persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een kosmetisch produkt, te verlangen dat hij op het kantoor van zijn onderneming in Griekenland voor elk vervaardigd of ingevoerd produkt een dossier bijhoudt met alle gegevens betreffende de samenstelling, de kenmerken, de beschrijving van het produkt, het fabricage- en controleverslag van iedere partij en de voor deze controle gebruikte methode, is de Helleense Republiek de krachtens richtlijn 76/768/EEG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy