Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Vrij verkeer van goederen - Industriële en commerciële eigendom - Octrooirecht - Bevoegdheid van Lid-Staten - Draagwijdte en grenzen
(EEG-Verdrag, art. 30, 36 en 222)
2. Vrij verkeer van goederen - Industriële en commerciële eigendom - Octrooirecht - Verlening van dwanglicentie ondanks normale bevoorrading van markt door invoer uit andere Lid-Staten - Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 30 en 36)
Samenvatting
1. Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht zijn de bepalingen inzake octrooien in het kader van de Gemeenschap nog niet eengemaakt, terwijl ook de desbetreffende wettelijke regelingen nog niet zijn geharmoniseerd. Het vaststellen van de voorwaarden waaronder en de wijze waarop octrooibescherming wordt verleend, is derhalve een taak van de nationale wetgever.
De bepalingen van het EEG-Verdrag, inzonderheid artikel 222, volgens hetwelk het Verdrag de regeling van het eigendomsrecht in de Lid-Staten onverlet laat, kunnen evenwel niet aldus worden uitgelegd, dat zij op het gebied van de industriële en commerciële eigendom de nationale wetgever de bevoegdheid laten, maatregelen te nemen die op gespannen voet staan met het in het EEG-Verdrag neergelegde beginsel van het vrije verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt.
2. Niettegenstaande het feit dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht op het gebied van octrooien het vaststellen van de voorwaarden waaronder en de wijze waarop octrooibescherming wordt verleend, een taak van de nationale wetgever is, zodat deze bevoegd is het niet of onvoldoende exploiteren van een octrooi te bestraffen met de verlening van een dwanglicentie, komt een Lid-Staat de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet na wanneer hij in zijn wettelijke regeling bepaalt, dat een octrooi ook dan onvoldoende wordt geëxploiteerd wanneer de binnenlandse vraag naar het geoctrooieerde produkt wordt gedekt door invoer uit andere Lid-Staten. Immers, de octrooihouder die niet het risico wenst te lopen dat hij zijn uitsluitend recht verliest, en die van mening is dat dat verlies niet zou worden gecompenseerd door de vergoeding die de houder van de dwanglicentie verschuldigd is, wordt er aldus toe aangezet, het geoctrooieerde produkt op het grondgebied van de octrooiverlenende staat te produceren in plaats van het uit andere Lid-Staten in te voeren. Noch artikel 36 EEG-Verdrag noch artikel 5 van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, kan een rechtvaardiging opleveren voor een dergelijke discriminatie, die erop gericht is de binnenlandse produktie te bevorderen.
Partijen
In zaak C-30/90,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. L. White en G. Marenco, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door R. Caudwell van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door N. Pumfrey, QC, van de balie van Engeland en Wales, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Britse ambassade, Boulevard Roosevelt 14,
verweerder,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Bastarreche Saguees, directeur-generaal Cooerdinatie communautaire juridische en institutionele aangelegenheden, vervolgens door A. J. Navarro Gonzalez, directeur-generaal Cooerdinatie communautaire juridische en institutionele aangelegenheden, en A. Hierro Hernández-Mora, abogado del Estado van de dienst communautaire geschillen, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard Emmanuel Servais 4-6,
interveniënt,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk, door te bepalen dat dwanglicenties worden verleend wanneer een octrooi in het Verenigd Koninkrijk niet in die mate wordt toegepast als redelijkerwijs mogelijk is, of wanneer de vraag naar het geoctrooieerde produkt in het Verenigd Koninkrijk in aanzienlijke mate door invoer wordt gedekt, de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, Sir Gordon Slynn, R. Joliet, F. A. Schockweiler, F. Grévisse en P. J. G. Kapteyn, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Díez de Velasco, M. Zuleeg en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de opmerkingen van partijen ter terechtzitting van 16 oktober 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 december 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 januari 1990, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk, door te bepalen dat dwanglicenties worden verleend wanneer een octrooi in het Verenigd Koninkrijk niet in die mate wordt toegepast als redelijkerwijs mogelijk is, of wanneer de vraag naar het geoctrooieerde produkt in het Verenigd Koninkrijk in aanzienlijke mate door invoer wordt gedekt, de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 In het Verenigd Koninkrijk is het octrooirecht geregeld in de Patents Act van 1977 (hierna: "Patents Act"). Ingevolge Section 48 (3) van deze wet kan de Comptroller General of Patents (hierna: "Comptroller"), wanneer er sedert de verlening van het octrooi drie jaar zijn verstreken, op de volgende gronden dwanglicenties verlenen:
"a) de geoctrooieerde uitvinding wordt, ofschoon commerciële toepassing ervan in het Verenigd Koninkrijk mogelijk is, niet toegepast, althans niet in die mate als redelijkerwijs mogelijk is;
b) de geoctrooieerde uitvinding is een produkt en de in het Verenigd Koninkrijk bestaande vraag naar dat produkt
(...)
ii) wordt in aanzienlijke mate gedekt door invoer;
c) de geoctrooieerde uitvinding kan in het Verenigd Koninkrijk commercieel worden toegepast, maar die toepassing wordt verhinderd of belemmerd,
i) in geval van een produkt: door de invoer van het produkt;
ii) in geval van een werkwijze: door de invoer van een produkt dat rechtstreeks door die werkwijze is verkregen of waarop die werkwijze is toegepast;
(...)".
3 Volgens Section 50 (1) van de Patents Act moet de Comptroller zijn bevoegdheden onder meer uitoefenen om te bereiken, dat uitvindingen die in het Verenigd Koninkrijk op commerciële schaal kunnen worden toegepast en waarvan het algemeen belang een dergelijke toepassing vordert, er zonder onredelijke vertraging en in die mate als redelijkerwijs mogelijk is, worden toegepast.
4 Van oordeel dat die nationale bepalingen zijn te beschouwen als maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag, heeft de Commissie het onderhavige beroep wegens niet-nakoming ingesteld.
5 Voor een nadere uiteenzetting van de communautaire en nationale bepalingen, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
Het voorwerp van het beroep
6 De Commissie preciseert in haar verzoekschrift, dat zij geen principiële bezwaren heeft tegen de aan de octrooihouder opgelegde verplichting het octrooi te exploiteren en aan de binnenlandse vraag naar het geoctrooieerde produkt te voldoen, noch tegen de bevoegdheid van de instanties van een Lid-Staat een dwanglicentie te verlenen wanneer niet aan die verplichting wordt voldaan. Haar bezwaren richten zich uitsluitend tegen het feit dat voornoemde bepalingen van de Patents Act onderscheid maken tussen de vervaardiging van het geoctrooieerde produkt op het nationale grondgebied en de invoer van het produkt uit een andere Lid-Staat, en tegen het feit dat de invoer ongunstiger wordt behandeld als gevolg van de voorwaarden waaronder de bevoegde instanties een dwanglicentie kunnen verlenen wanneer het octrooi door middel van invoer wordt geëxploiteerd. Hiermee is het voorwerp van het beroep, waarover het Hof zich heeft uit te spreken, duidelijk afgebakend.
7 De Commissie wijst tevens op de onverenigbaarheid met artikel 30 EEG-Verdrag van nationale bepalingen die de uitoefening van door een dwanglicentie verleende rechten tot het nationale grondgebied beperken. Het gaat hierbij echter om een afzonderlijke grief en aangezien deze in de conclusies van het verzoekschrift ontbreekt, zal het Hof ze in de onderhavige procedure buiten beschouwing laten.
De gegrondheid van het beroep
8 Om de gegrondheid van het beroep te kunnen beoordelen, dient om te beginnen de draagwijdte van de bij de gewraakte nationale bepalingen ingestelde regels te worden gepreciseerd. Vervolgens moet worden onderzocht, of die regels verenigbaar zijn met artikel 30 EEG-Verdrag.
De draagwijdte van de door de gewraakte nationale bepalingen ingestelde regels
9 Het Verenigd Koninkrijk betoogt, dat de bestreden bepalingen slechts een gedeelte vormen van de Patents Act, die zo is geformuleerd, dat de volle werking van het gemeenschapsrecht verzekerd is. Section 53 (1) van de Patents Act bepaalt immers dat de Sections 48 tot en met 51 vanaf het moment van inwerkingtreding van het Gemeenschapsoctrooiverdrag van toepassing zijn behoudens de bepalingen van dat verdrag.
10 Bovendien, aldus verweerder, is de omstandigheid dat de binnenlandse vraag naar een geoctrooieerd produkt door invoer wordt gedekt, op zich niet voldoende grond voor het verlenen van een dwanglicentie. Bij zijn beslissing om al dan niet een dwanglicentie te verlenen, moet de Comptroller ook andere factoren in aanmerking nemen, zoals de vraag, in hoeverre het algemeen belang of de nationale economie gebaat is bij de vervaardiging van het produkt in het binnenland.
11 Deze argumenten kunnen geen invloed hebben op de uitkomst van het geding.
12 In de eerste plaats heeft de in de Patents Act opgenomen verwijzing naar het Gemeenschapsoctrooiverdrag hoe dan ook geen enkele juridische betekenis zolang dat verdrag niet in werking is getreden. Het op 15 december 1975 te Luxemburg ondertekende Gemeenschapsoctrooiverdrag (hierna: "eerste Gemeenschapsoctrooiverdrag"), dat niet door alle Lid-Staten is geratificeerd, is nooit in werking getreden en ook de inwerkingtreding van het aan het op 15 december 1989 te Luxemburg ondertekende Akkoord gehechte verdrag (hierna: "tweede Gemeenschapsoctrooiverdrag"), dat het eerste Gemeenschapsoctrooiverdrag moet vervangen en nog niet door alle Lid-Staten is bekrachtigd, laat nog op zich wachten.
13 In de tweede plaats mag het dan zo zijn, dat de Comptroller niet verplicht is een dwanglicentie te verlenen in alle gevallen waarin de binnenlandse vraag naar het geoctrooieerde produkt door invoer uit andere Lid-Staten wordt gedekt, dit neemt niet weg, dat uit voornoemde bepalingen van Section 48 (3) (b) en (c) van de Patents Act blijkt, dat zodra de binnenlandse behoeften geheel of gedeeltelijk worden gedekt door invoer, de octrooihouder het risico loopt zijn uitsluitend recht te verliezen door de mogelijke verlening van een dwanglicentie. Het is juist dat risico en de invloed die ervan uitgaat op het gedrag van de octrooihouders, waartegen de Commissie bezwaar maakt.
De verenigbaarheid van de gewraakte nationale bepalingen met artikel 30 EEG-Verdrag
14 Volgens de Commissie begunstigen de in geding zijnde nationale bepalingen de binnenlandse produktie door exploitatie van het octrooi door middel van invoer daarbij ten achter te stellen. Dergelijke bepalingen, die de octrooihouder ertoe aanzetten, op Brits grondgebied te produceren in plaats van uit andere Lid-Staten in te voeren, zijn maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen. Waar het Hof heeft erkend, dat een door de autoriteiten van een Lid-Staat georganiseerde reclamecampagne ter bevordering van de nationale produktie reeds als een maatregel van gelijke werking is te beschouwen (arrest van 24 november 1982, zaak 249/81, Commissie/Ierland, Jurispr. 1982, blz. 4005), zou het de in geding zijnde bepalingen, gezien de vergaande juridische consequenties die de verlening van een dwanglicentie meebrengt, zeker onverenigbaar met het EEG-Verdrag moeten verklaren. Die bepalingen kunnen niet worden gerechtvaardigd uit hoofde van artikel 36 EEG-Verdrag, aangezien zij niet tot doel hebben de bescherming van de industriële en commerciële eigendom te verzekeren, doch integendeel beogen de met die eigendom gepaard gaande rechten te beperken. Bovendien staat het doel van de gewraakte regeling, te weten bevordering van de binnenlandse produktie, haaks op de doelstellingen van het Verdrag. En ten slotte zijn de getroffen maatregelen hoe dan ook onevenredig aan dat doel.
15 Het Verenigd Koninkrijk en het aan zijn zijde interveniërende Koninkrijk Spanje concluderen tot verwerping van het beroep en voeren daartoe verscheidene argumenten aan. In de eerste plaats, zo stellen zij, behoren de voorwaarden waaronder op het gebied van de industriële en commerciële eigendom een stelsel van dwanglicenties kan worden ingevoerd, overeenkomstig de artikelen 222 en 36 EEG-Verdrag tot de uitsluitende bevoegdheid van de nationale wetgever. In de tweede plaats zijn de gewraakte bepalingen in overeenstemming met artikel 5 van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 20 maart 1883, laatstelijk herzien te Stockholm op 14 juli 1967 (hierna: "Verdrag van Parijs"). In de derde plaats hebben de gewraakte bepalingen geen belemmering of beperking van de invoer tot gevolg. In de vierde plaats gaat het de Commissie niet om de waarborging van het vrije goederenverkeer, doch om versterking van de rechten van de octrooihouder, zulks met miskenning van de vereisten van een vrije mededinging tussen de marktdeelnemers in de verschillende Lid-Staten. In de vijfde plaats zijn de bezwaren van de Commissie tegen de betrokken bepalingen in hoofdzaak van academisch belang, aangezien deze bepalingen in de praktijk zelden worden toegepast. In de zesde plaats kan het doel dat de Commissie met het onderhavige beroep beoogt, slechts worden bereikt wanneer de wettelijke regelingen van alle Lid-Staten van gemeenschapswege zijn geharmoniseerd, omdat er anders enkel maar nieuwe dispariteiten zullen ontstaan. En ten slotte impliceert de redenering van de Commissie, dat sommige bepalingen van de Gemeenschapsoctrooiverdragen moeten worden geacht in strijd te zijn met het EEG-Verdrag.
16 Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht zijn de bepalingen betreffende octrooien in het kader van de Gemeenschap nog niet eengemaakt, terwijl ook de desbetreffende wettelijke regelingen nog niet zijn geharmoniseerd. In dit verband zij er nogmaals op gewezen, dat het Gemeenschapsoctrooiverdrag nog niet in werking is getreden.
17 In deze omstandigheden is het vaststellen van de voorwaarden waaronder en de wijze waarop octrooibescherming wordt verleend, een taak van de nationale wetgever.
18 De bepalingen van het EEG-Verdrag, inzonderheid artikel 222, volgens hetwelk het Verdrag de regeling van het eigendomsrecht in de Lid-Staten onverlet laat, kunnen evenwel niet aldus worden uitgelegd, dat zij op het gebied van de industriële en commerciële eigendom de nationale wetgever de bevoegdheid laten, maatregelen te nemen die op gespannen voet staan met het in het EEG-Verdrag neergelegde beginsel van het vrije verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt.
19 In de eerste plaats zijn de invoerverboden en -beperkingen die hun rechtvaardiging vinden in bescherming van de industriële en commerciële eigendom, volgens artikel 36 EEG-Verdrag enkel geoorloofd onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat zij geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten vormen.
20 Voorts is het vaste rechtspraak van het Hof, dat artikel 36 afwijkingen van het grondbeginsel van het vrije verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt slechts toelaat, voor zover die afwijkingen gerechtvaardigd zijn om de rechten te waarborgen welke het specifieke voorwerp van die eigendom vormen (arrest van 17 oktober 1990, zaak C-10/89, HAG, Jurispr. 1990, blz. I-3711, r.o. 12).
21 In het geval van octrooien bestaat het specifieke voorwerp van de industriële eigendom met name in het uitsluitend recht van de octrooihouder een uitvinding hetzij rechtstreeks, hetzij door licentieverlening aan derden, te gebruiken voor de vervaardiging en het als eerste in het verkeer brengen van produkten van nijverheid, alsmede in het recht zich tegen inbreuken te verzetten (arrest van 3 maart 1988, zaak 434/85, Allen & Hanburys, Jurispr. 1988, blz. 1245, r.o. 11).
22 Aan de hand van bovenstaande beginselen moet worden nagegaan, of de in geding zijnde nationale bepalingen verenigbaar zijn met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag.
23 Krachtens die nationale bepalingen kan het aan een octrooi verbonden uitsluitend recht door verlening van een dwanglicentie worden beperkt, wanneer dat octrooi door middel van invoer wordt geëxploiteerd.
24 De octrooihouder die niet het risico wenst te lopen dat hij zijn uitsluitend recht verliest, en die van mening is dat dat verlies niet zou worden gecompenseerd door de billijke vergoeding die de licentiehouder ingevolge Section 50 (1) (b) van de Patents Act verschuldigd is, wordt er aldus toe aangezet, het geoctrooieerde produkt op het grondgebied van de octrooiverlenende staat te produceren in plaats van het uit andere Lid-Staten in te voeren.
25 Ongeacht het aantal dwanglicenties dat wordt verleend, kunnen dergelijke bepalingen de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel belemmeren.
26 Bovendien, aldus ook de advocaat-generaal in punt 10 van zijn conclusie, leidt de toepassing van dergelijke bepalingen, voor zover op grond daarvan een dwanglicentie wordt verleend aan een binnenlandse producent, hoe dan ook tot een vermindering van de invoer van het geoctrooieerde produkt uit andere Lid-Staten en daarmee tot een ongunstige beïnvloeding van het intracommunautaire handelsverkeer.
27 In zoverre zijn dergelijke bepalingen te beschouwen als maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag (arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837, r.o. 5).
28 Ook al kan de sanctie op het niet of onvoldoende exploiteren van een octrooi worden gezien als een noodzakelijke tegenhanger van de door het octrooi verleende territoriale exclusiviteit, er is geen enkele met het specifieke voorwerp van het octrooi verband houdende reden die de in de bestreden bepalingen besloten liggende discriminatie kan rechtvaardigen tussen exploitatie van het octrooi door middel van produktie op het nationale grondgebied en exploitatie door middel van invoer uit andere Lid-Staten.
29 Die discriminatie berust in feite niet op specifieke vereisten van de industriële en commerciële eigendom, doch, zoals het Verenigd Koninkrijk overigens erkent, op het streven van de nationale wetgever de binnenlandse produktie te bevorderen.
30 Een dergelijke beweegreden, die op gespannen voet staat met de doelstellingen van de Gemeenschap zoals neergelegd in - met name - artikel 2 en nader uitgewerkt in artikel 3 EEG-Verdrag, kan een belemmering van het intracommunautaire handelsverkeer niet rechtvaardigen.
31 Noch artikel 5 van het Verdrag van Parijs, volgens hetwelk de verdragsluitende staten enkel dwanglicenties kunnen verlenen om misbruiken te voorkomen waartoe de uitoefening van het aan het octrooi verbonden uitsluitend recht zou kunnen leiden - zoals het ongebruikt laten van het octrooi -, noch het streven de mededinging tussen de verschillende marktdeelnemers te bevorderen door de uitsluitende rechten van octrooihouders te beperken, kan hoe dan ook een rechtvaardiging opleveren voor maatregelen die wegens hun discriminerend karakter in strijd zijn met het EEG-Verdrag.
32 Ook de ondertekenaars van de twee Gemeenschapsoctrooiverdragen waren zich daarvan bewust. Ingevolge artikel 82 van het eerste en artikel 77 van het tweede Gemeenschapsoctrooiverdrag zijn immers de bepalingen die met betrekking tot gemeenschapsoctrooien de verlening van dwanglicenties op het grondgebied van een Lid-Staat uitsluiten wanneer de behoeften van die staat worden gedekt door de invoer van het produkt uit een andere Lid-Staat, van overeenkomstige toepassing op nationale octrooien. Volgens artikel 89 van het eerste en artikel 83 van het tweede Gemeenschapsoctrooiverdrag kunnen de Lid-Staten weliswaar in bepaalde omstandigheden voorbehouden maken met betrekking tot de toepassing van voornoemde bepalingen, maar het is niet uitgesloten dat die voorbehouden onverenigbaar blijken te zijn met artikel 30 EEG-Verdrag zoals uitgelegd door het Hof. Met die mogelijkheid is echter rekening gehouden: artikel 93 van het eerste Gemeenschapsoctrooiverdrag en artikel 2, lid 1, van het Akkoord van Luxemburg van 15 december 1989 bepalen met zoveel woorden, dat geen bepaling van het verdrag respectievelijk het Akkoord kan worden ingeroepen om toepassing van een bepaling van het EEG-Verdrag te beletten.
33 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk, door te bepalen dat ook dan een dwanglicentie wegens onvoldoende toepassing van een octrooi kan worden verleend wanneer de binnenlandse vraag naar het geoctrooieerde produkt wordt gedekt door invoer uit andere Lid-Staten, de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
34 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Verenigd Koninkrijk in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
35 Het Koninkrijk Spanje, dat aan de zijde van het Verenigd Koninkrijk heeft geïntervenieerd, dient overeenkomstig artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering zijn eigen kosten te dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door te bepalen dat ook dan een dwanglicentie wegens onvoldoende toepassing van het octrooi kan worden verleend wanneer de binnenlandse vraag naar het geoctrooieerde produkt wordt gedekt door invoer uit andere Lid-Staten, is het Verenigd Koninkrijk de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Verenigd Koninkrijk wordt verwezen in de kosten.
3) Het Koninkrijk Spanje zal zijn eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy