Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Beroep wegens niet-nakoming - Inleidend verzoekschrift - Uiteenzetting van grieven en middelen - Enkele verwijzing naar aanmaningsbrief en met redenen omkleed advies - Onvoldoende
(EEG-Verdrag, art. 169; 's Hofs Statuut-EEG, art. 19; Reglement voor de procesvoering, art. 38, lid 1, sub c en d)
2. Harmonisatie van wetgevingen - Indeling, verpakking en kenmerken van gevaarlijke stoffen - Richtlijn 79/831 - Vrijwaringsclausule - Voorwaarden
(Richtlijn 79/831 van de Raad, art. 23, lid 1)
Samenvatting
1. Een uit hoofde van artikel 169 EEG-Verdrag ingediend verzoekschrift voldoet niet aan het in artikel 19 van 's Hofs Statuut-EEG en artikel 38, lid 1, sub c en d, van het Reglement voor de procesvoering gestelde vereiste, dat het het voorwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten, wanneer de grieven van de Commissie niet exact zijn aangegeven en slechts zijn vermeld in de vorm van een eenvoudige verwijzing naar de in de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies genoemde gronden.
2. De vrijwaringsclausule van artikel 23, lid 1, van richtlijn 79/831, die de Lid-Staten machtigt, bij wijze van voorlopige maatregel te besluiten het in de handel brengen van gevaarlijke stoffen die wegens de indeling, de verpakking of het kenmerken ervan gevaar kunnen opleveren voor mens en milieu, te verbieden of aan bijzondere voorwaarden te onderwerpen, bevat ten aanzien van de kennisgeving van de vastgestelde maatregelen aan de Commissie en aan de overige Lid-Staten geen enkel bijzonder vormvereiste en verplicht de Lid-Staat die van de clausule gebruik maakt, evenmin om in die maatregelen uitdrukkelijk te vermelden, dat zij van voorlopige aard zijn.
Partijen
In zaak C-43/90,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur I. Pernice als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Roeder en J. Karl als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter ambassade van de Bondsrepubliek Duitsland, Avenue Emile Reuter 20-22,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen, dat de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door artikel 5, lid 2, juncto artikel 23, lid 1, van richtlijn 79/831/EEG van de Raad van 18 september 1979 houdende zesde wijziging van richtlijn 67/548/EEG betreffende aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PB 1979, L 259, blz. 10), niet juist om te zetten en toe te passen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, F. Grévisse en P. J. G. Kapteyn, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida, M. Díez de Velasco, M. Zuleeg en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 8 oktober 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 november 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 15 februari 1990, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door artikel 5, lid 2, juncto artikel 23, lid 1, van richtlijn 79/831/EEG van de Raad van 18 september 1979 houdende zesde wijziging van richtlijn 67/548/EEG betreffende aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PB 1979, L 259, blz. 10), niet correct om te zetten en toe te passen.
2 De aan de Bondsrepubliek Duitsland verweten niet-nakoming betreft in wezen twee punten.
3 In de eerste plaats voert de Commissie aan, dat de Duitse Gefahrstoffverordnung van 26 augustus 1986 (BGBl. I, blz. 1470), zoals gewijzigd, voor een reeks van "oude stoffen", dat wil zeggen stoffen die voor 18 september 1981 in de handel zijn gebracht, bijzondere verplichtingen inzake het kenmerken bevat, terwijl volgens artikel 5, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 79/831/EEG van de Raad de fabrikant de verantwoordelijkheid voor het kenmerken van deze stoffen draagt.
4 In de tweede plaats is er volgens de Commissie eveneens sprake van een niet-nakoming met betrekking tot bepaalde kankerverwekkende stoffen, ten aanzien waarvan de Duitse regering stelt dat zij de Commissie via de procedure van artikel 23, lid 1, van richtlijn 79/831 ervan in kennis heeft gesteld, dat zij voorlopige maatregelen voor het kenmerken van deze stoffen had genomen. De verweten niet-nakoming houdt in: a) met betrekking tot deze stoffen heeft geen formele kennisgeving in de zin van artikel 23, lid 1, van richtlijn 79/831 plaatsgevonden en b) in de betrokken Duitse regeling wordt niet uitdrukkelijk vermeld, dat het om een voorlopige maatregel gaat.
Het eerste punt
5 Ter bepaling van de draagwijdte van de grief betreffende het eerste punt moet precies bekend zijn welke de lijst van stoffen is, ten aanzien waarvan de Commissie de door de betrokken Duitse wetgeving opgelegde specifieke verplichting tot kenmerken in strijd acht met artikel 5, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 79/831.
6 Het verzoekschrift bevat niet een dergelijk lijst, maar verwijst wel herhaaldelijk naar de schriftelijke ingebrekestelling en het met redenen omkleed advies, dan wel naar een van beide stukken, en concludeert: "voor alle stoffen die zijn vermeld onder de punten 3-5 van de ingebrekestelling en onder II, punten 5-8 en 11, van het met redenen omkleed advies, schrijft de Gefahrstoffverordnung ten onrechte een bepaald kenmerk voor (...)"
7 Ingevolge artikel 19 van 's Hofs Statuut-EEG en artikel 38, lid 1, sub c en d, van het Reglement voor de procesvoering moet het verzoekschrift onder meer het voorwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten.
8 In zijn arrest van 13 december 1990 (zaak C-347/88, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1990, blz. I-4747, r.o. 26-30) heeft het Hof beslist, dat het verzoekschrift niet aan dit vereiste voldoet, wanneer de grieven van de Commissie niet exact zijn aangegeven en slechts een veroordeling wordt gevorderd met verwijzing naar "alle in de ingebrekestelling en in het met redenen omkleed advies genoemde gronden."
9 Bijgevolg is het beroep met betrekking tot het eerste punt waarop de grieven van de Commissie betrekking hebben, niet ontvankelijk.
Het tweede punt
10 Aangaande het tweede punt waarop de grieven van de Commissie betrekking hebben, erkent de Duitse regering weliswaar, dat zij voor bepaalde op nationaal niveau als kankerverwekkend beschouwde stoffen voorlopig een specifieke verplichting tot kenmerken heeft opgelegd, maar zij stelt, dat zij met betrekking tot deze stoffen de procedure van artikel 23, lid 1, van richtlijn 79/831 heeft ingeleid, door de Commissie op 14 juli 1989 en op 29 augustus 1989 twee lijsten toe te zenden, waarop respectievelijk 21 en 42 stoffen voorkwamen.
11 De Commissie erkent, dat zij deze twee lijsten heeft ontvangen, maar stelt dat de procedure van artikel 23, lid 1, niet juist is toegepast. In de eerste plaats heeft zij de kennisgeving van 29 augustus 1989 niet via officiële weg ontvangen en in de tweede plaats wordt in de betrokken Duitse regeling niet vermeld, dat de betrokken nationale maatregelen van voorlopige aard zijn.
12 Het eerste argument van de Commissie kan niet slagen. De betrokken gemeenschapsbepaling bevat namelijk geen enkel bijzonder vormvereiste en bepaalt enkel dat de betrokken Lid-Staat de Commissie en de overige Lid-Staten onmiddellijk van de voorlopige nationale maatregelen in kennis moet stellen.
13 Het tweede argument, dat betrekking heeft op het ontbreken van een uitdrukkelijke vermelding in de gewraakte regeling, dat zij van voorlopige aard is, is ongegrond. Een dergelijke verplichting wordt in artikel 23, van richtlijn 79/831 uitdrukkelijk noch stilzwijgend opgelegd. Overigens heeft een dergelijke vermelding in de nationale regeling geen enkele nut, omdat het voorlopige karakter van dergelijke vrijwaringsmaatregelen noodzakelijkerwijs uit de procedure van artikel 23 voortvloeit en de duur van hun geldigheid afhankelijk is van de voortvarendheid waarmee de Commissie, die met de toepassing van deze procedure is belast, handelt.
14 Mitsdien moet het beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
15 In gevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst de Commissie in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy