Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Goedkeuring door openbaar lichaam van niet door hem geleverde radioverbindingsapparatuur - Mogelijkheid van beroep in rechte - Toelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 30)
2 Nationale monopolies van commerciële aard - Verbod op verhandeling van niet door bevoegd openbaar orgaan goedgekeurde radioverbindingsapparatuur - Niet-toepasselijkheid van artikel 37 van Verdrag
(EEG-Verdrag, art. 37)
3 Mededinging - Openbare bedrijven en ondernemingen waaraan Lid-Staten bijzondere of uitsluitende rechten verlenen - Markt van telecommunicatie-eindapparatuur - Nationale regeling houdende verbod van verhandeling van materieel dat niet is goedgekeurd door op telecommunicatiemarkt actieve openbare onderneming - Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 88/301 van de Commissie, art. 6)
4 Mededinging - Gemeenschapsregels - Bepalingen van toepassing op openbare bedrijven en ondernemingen waaraan Lid-Staten bijzondere of uitsluitende rechten verlenen - Materiële werkingssfeer - Nationale regeling houdende verbod om zonder ministeriële vergunning radioverbindingsapparatuur onder zich te hebben en om niet door bevoegde minister goedgekeurde radioverbindingsapparatuur te verhandelen - Daarvan uitgesloten
(EEG-Verdrag, art. 86 en 90, lid 1)
Samenvatting
5 Artikel 30 van het Verdrag staat er niet aan in de weg, dat een overheidsonderneming de bevoegdheid wordt verleend, niet door haar geleverde zend- of ontvangtoestellen voor radioverbinding goed te keuren, mits tegen de beslissingen van die onderneming beroep in rechte openstaat.
6 Artikel 37 van het Verdrag verzet zich niet tegen de toepassing van nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen houdende verbod van de verkoop of verhuur van zend- of ontvangtoestellen voor radioverbinding, waarvan een exemplaar niet vooraf door het bevoegde overheidsorgaan is goedgekeurd als beantwoordend aan de door de minister vastgestelde technische voorschriften.
Het vereiste van goedkeuring voor radioverbindingsapparatuur hangt immers samen met een typische overheidstaak, te weten het beheer van het publieke frequentiebereik, en de afgifte van dergelijke goedkeuringen valt hoe dan ook buiten de werkingssfeer van artikel 37.
7 Voor zover de betrokken toestellen binnen de werkingssfeer van richtlijn 88/301 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur vallen en voor zover het gaat om de periode na 1 juli 1989, verzet artikel 6 van deze richtlijn zich tegen een nationale regeling die onder strafbedreiging verbiedt, dat dergelijke toestellen te koop of ter verhuring worden aangeboden wanneer een exemplaar ervan niet is goedgekeurd door een overheidsonderneming die goederen en/of diensten op het gebied van de telecommunicatie aanbiedt.
8 Artikel 90, lid 1, juncto artikel 86 van het Verdrag verzet zich niet tegen de toepassing van nationale bepalingen houdende ten eerste een verbod op het zonder ministeriële vergunning in bezit hebben van radiozend- of ontvangtoestellen, en ten tweede een verbod op de verkoop en verhuur van dergelijke toestellen waarvan geen enkel exemplaar als beantwoordend aan de door de bevoegde minister vastgestelde technische voorschriften is goedgekeurd, zelfs al zijn de betrokken toestellen door een andere Lid-Staat goedgekeurd. Binnen de werkingssfeer van artikel 90, lid 1, vallen immers enkel maatregelen van de Lid-Staten met betrekking tot openbare bedrijven en ondernemingen waaraan zij bijzondere en/of uitsluitende rechten verlenen. Deze verdragsbepaling kan derhalve niet worden aangevoerd tegen de aan een minister binnen het normale kader van zijn taken verleende bevoegdheid tot het afgeven van vergunningen.
Partijen
In de gevoegde zaken C-46/90 en C-93/91,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (57e en 55e kamer), in de aldaar dienende strafzaken tegen
J.-M. Lagauche
C. De Munck
J. Paulissen
A. Delerue
J.-C. Lambert
W. Cleynen
S. Hoffman
P. Lemoine, (zaak C-46/90),
en tegen
P. Evrard, (zaak C-93/91),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30 tot en met 37 en 86 EEG-Verdrag, alsmede van richtlijn 88/301/EEG van de Commissie van 16 mei 1988 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur (PB 1988, L 131, blz. 73),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, M. Diez de Velasco, D. A. O. Edward, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. A. Schockweiler, G. C. Rodríguez Iglesias, F. Grévisse, M. Zuleeg, P. J. G. Kapteyn en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en E. Marissens, advocaat te Brussel,
- de Britse regering, vertegenwoordigd door R. Caudwell, Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Wainwright en B. Jansen, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door H. Lehman, advocaat te Parijs,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Belgische regering en de Commissie, vertegenwoordigd door R. Wainwright, H. Lehman en V. Melgar, nationaal ambtenaar ter beschikking gesteld van de Commissie, als gemachtigden, ter terechtzitting van 9 juni 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 december 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnissen van 19 april 1989 en 11 maart 1991, ingekomen bij het Hof op 28 februari 1990 respectievelijk 15 maart 1991, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (57e en 55e kamer) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 tot en met 37 en 86 EEG-Verdrag, alsmede van richtlijn 88/301/EEG van de Commissie van 16 mei 1988 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur (PB 1988, L 131, blz. 73), teneinde te beoordelen of met die bepalingen verenigbaar is een nationale regeling die voor het houden van zend- of ontvangtoestellen voor radioverbinding een ministeriële vergunning verplicht stelt, en voorts de verkoop of verhuur van zend- of ontvangtoestellen verbiedt wanneer niet een exemplaar ervan door een onder het hiërarchieke gezag van de bevoegde minister geplaatst overheidslichaam tevoren is goedgekeurd als beantwoordend aan de door die minister vastgestelde technische voorschriften.
2 Deze vragen zijn gerezen in twee strafzaken.
3 De eerste strafzaak, die aanleiding heeft gegeven tot zaak C-46/90, dient tegen J.-M. Lagauche en zeven andere personen, die er met name van worden verdacht, draadloze telefoons en een paar walkie-talkies te hebben gehouden zonder de vereiste ministeriële vergunning te hebben verkregen, en draadloze telefoons te koop of ter verhuring te hebben aangeboden zonder dat een exemplaar ervan tevoren door de Regie van de telegrafie en de telefonie (hierna: "RTT") was goedgekeurd.
4 De tweede strafzaak, die heeft geleid tot zaak C-93/91, dient tegen P. Evrard, die ervan wordt verdacht, tussen 1 januari 1989 en 2 februari 1989 een niet door de RTT goedgekeurde draadloze telefoon te hebben gehouden en ter verhuring te hebben aangeboden en op 23 januari 1990 elf toestellen voor radioverbinding die evenmin waren goedgekeurd en waarvoor niet de vereiste ministeriële vergunning was verkregen, te hebben gehouden en te koop te hebben aangeboden.
5 In verweer voerde Evrard aan, dat op één van de toestellen het merk van de Deutsche Bundespost was aangebracht die het had gehomologeerd. Voorts legde hij een verklaring over van een door British Telecom goedgekeurd laboratorium, volgens hetwelk sommige van de toestellen een vermogen hebben van minder dan 10 milliwatt. Naar zijn mening en zoals overigens ook het Openbaar ministerie toegeeft, was onder deze omstandigheden voor het houden van die apparaten geen enkele ministeriële vergunning verplicht. Hij bestrijdt echter de opvatting van het Openbaar ministerie, dat alle in geding zijnde toestellen niettemin aan de Belgische technische normen moeten voldoen en als zodanig door de RTT moeten zijn goedgekeurd, en beroept zich hiertoe op richtlijn 88/301.
6 Blijkens de stukken bepaalt artikel 3, lid 1, van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving (Belgisch Staatsblad van 30 augustus 1979), dat "niemand (...) in het Rijk (...) een zend- of ontvangtoestel voor radioverbinding [mag] houden (...) zonder schriftelijke vergunning van de ter zake van telegrafie en telefonie bevoegde minister". Volgens dezelfde bepaling is de ministeriële vergunning persoonlijk en kan zij worden ingetrokken.
7 De koning, die krachtens artikel 3, lid 2, van dezelfde wet kan bepalen in welke gevallen die vergunningen niet vereist zijn, heeft bij artikel 5, sub 3, van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (Belgisch Staatsblad van 30 oktober 1979) vrijstelling van een vergunning verleend voor "de door de Regie goedgekeurde radio-elektrische uitrustingen waarvan het zendvermogen 10 milliwatt niet overschrijdt", hetgeen draadloze telefoons omvat.
8 Krachtens een wet van 13 oktober 1930 heeft de RTT in België het monopolie op de inrichting en de exploitatie van telegraaf- en telefoonlijnen en telegraaf- en telefoonkantoren voor het publiek (hieronder begrepen draadloze telefonie). Voorts is zij volgens artikel 2 van voornoemde wet betreffende de radioberichtgeving gemachtigd "alle diensten voor radioverbinding in te richten en te exploiteren".
9 Voorts is blijkens artikel 17 van voornoemd koninklijk besluit van 15 oktober 1979 de RTT belast "met het beheer van het radio-elektrisch frequentiespectrum en met de controle van het gebruik ervan in het Rijk". Hiertoe wijst zij de frequenties toe die nodig zijn voor de werking van de stations en de netten voor radioverbinding, en coördineert zij die frequenties zowel op nationaal als op internationaal vlak. De RTT onderzoekt ook de aanvragen die bij de minister zijn ingediend ter verkrijging van een vergunning om zend- of ontvangtoestellen voor radioverbinding te houden.
10 Ten slotte blijkt uit artikel 7 van de Belgische wet betreffende de radioberichtgeving, dat "geen zend- of ontvangtoestel voor radioverbinding (...) te koop of ter verhuring aangeboden [mag] worden als een exemplaar ervan niet door de Regie goedgekeurd is als beantwoordend aan de technische voorschriften vastgesteld door de Minister", en dat "de nadere regels inzake de goedkeuring door de Minister [worden] bepaald".
11 Artikel 1 van het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen (Belgisch Staatsblad van 30 oktober 1979), dat de goedkeuringsmodaliteiten vaststelt, bepaalt dat deze regeling betrekking heeft op alle toestellen die met het oog op de verkoop of de verhuring in België worden gebouwd of ingevoerd, alsmede op elk toestel dat door een particulier voor zijn eigen gebruik wordt gebouwd. De RTT mag echter, zonder voorafgaande proefnemingen, ingevoerde zend- of ontvangtoestellen voor radioverbinding goedkeuren, die door de bevoegde administratie van een Lid-Staat van de Europese Conferentie van de Administraties van Posterijen en Telecommunicaties reeds gehomologeerd zijn, als beantwoordend aan technische voorschriften die gelijkwaardig zijn met die welke in artikel 6 van dat ministerieel besluit zijn bepaald.
12 Het niet voldoen aan de vergunnings- en goedkeuringseisen is strafbaar. Personeelsleden van de RTT, handelend in de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, zien toe op de naleving door de gebruikers van de geldende bepalingen en stellen overtredingen van de wet van 30 juli 1979 en van de uitvoeringsbesluiten vast.
13 Richtlijn 88/301 heeft betrekking op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur en verstaat volgens artikel 1 onder de term "eindapparatuur" de apparaten die voor overbrenging, verwerking of ontvangst van de informatie direct of indirect op de eindpunten van een openbaar telecommunicatienet zijn aangesloten.
14 Artikel 5 van de richtlijn bepaalt, dat de Lid-Staten alle geldende specificaties en keuringsprocedures voor eindapparatuur publiceren.
15 Artikel 6 van de richtlijn luidt:
"De Lid-Staten dragen ervoor zorg dat met ingang van 1 juli 1989 de formele vastlegging en publikatie van de specificaties en de keuringsregels bedoeld in artikel 5, alsmede de controle op de toepassing ervan, worden uitgevoerd door een eenheid die onafhankelijk is van de particuliere en overheidsondernemingen die goederen en/of diensten op telecommunicatiegebied aanbieden."
16 Daar de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel betwijfelde of de wettelijke bepalingen waarop het Openbaar ministerie zich beriep om veroordeling van de verdachten te vorderen, in overeenstemming zijn met het gemeenschapsrecht, heeft zij de behandeling van de zaak geschorst en in zaak C-46/90, Lagauche e.a., de navolgende prejudiciële vragen gesteld:
"Moeten de artikelen 37 en 86 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen bepalingen op het gebied van de radioverbinding en de private radioverbinding als die van de wet van 30 juli 1979 en van het K.B. van 15 oktober 1979, die met gevangenisstraf of boete bestraffen degenen:
1) die een zend- of ontvangtoestel, in casu een draadloze telefoon, te koop of te huur aanbieden, dat niet door de Regie van Telegrafie en Telefonie is goedgekeurd, of
2) die een zendtoestel, in casu een draadloze telefoon en een paar walkie-talkies bezitten, aanleggen of doen werken zonder een schriftelijke, persoonlijke en intrekbare vergunning van de bevoegde minister?"
en in zaak C-93/91, Evrard, de navolgende prejudiciële vragen:
"Moeten de artikelen 30 tot en met 37 en 86 EEG-Verdrag, alsmede richtlijn 88/301 van de Commissie van 16 mei 1988 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur aldus worden uitgelegd, dat zij een verbod inhouden van bepalingen inzake radioverbindingen zoals die van de wet van 30 juli 1979 en van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979, die met gevangenisstraf of geldboete bedreigen degene die:
1) op het grondgebied van het Koninkrijk België of aan boord van een zeeschip, een binnenschip, een luchtvaartuig of enige andere drager onderworpen aan het Belgisch recht, een zend- of ontvangtoestel voor radioverbinding houdt, of een station of een net voor radioverbinding aanlegt en doet werken zonder schriftelijke, persoonlijke en intrekbare vergunning van de voor telegrafie en telefonie bevoegde minister of staatssecretaris;
2) een zend- of ontvangtoestel voor radioverbinding te koop of ter verhuring aanbiedt zonder dat een exemplaar ervan door de Regie van Telegrafie en Telefonie is goedgekeurd als beantwoordend aan de technische voorschriften vastgesteld door de bevoegde minister,
zulks ongeacht een eventuele goedkeuring verkregen in het kader van een procedure in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap?"
17 In zaak C-46/90, die naar de Vijfde kamer is verwezen, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op 2 mei 1991 en heeft de advocaat-generaal op 11 juli 1991 conclusie genomen. Hierna is krachtens artikel 95, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering deze zaak naar het voltallig Hof verwezen. Na de conclusie van de advocaat-generaal is bij beschikking van 14 juli 1993 besloten, de twee zaken voor het arrest te voegen.
18 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in de hoofdgedingen, de desbetreffende Belgische wetgeving, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
19 Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 30 tot en met 37 en 86 van het Verdrag enerzijds en richtlijn 88/301 anderzijds zich verzetten tegen de toepassing van nationale bepalingen, zoals hiervoor (r.o. 6-12) beschreven.
20 Dienaangaande zij allereerst opgemerkt, dat wat de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen betreft, kan worden volstaan met een onderzoek van deze vragen in het licht van respectievelijk artikel 30 en artikel 37 van het Verdrag.
21 Vervolgens zij opgemerkt, dat artikel 86 van het Verdrag slechts ziet op de mededinging beperkende gedragingen waartoe ondernemingen op eigen initiatief hebben besloten (zie met name arrest van 19 maart 1991, zaak C-202/88, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1223, r.o. 55), terwijl de gestelde vragen betrekking hebben op overheidsmaatregelen, zodat die vragen aan de hand van artikel 90, lid 1, van het Verdrag, juncto artikel 86, moeten worden onderzocht.
22 Voorts hebben in zaak C-46/90 de feiten in het hoofdgeding zich voorgedaan vóór 1 juli 1989, de datum van inwerkingtreding van artikel 6 van richtlijn 88/301, terwijl in zaak C-93/91 de feiten gedeeltelijk vóór en gedeeltelijk na die datum zijn gelegen.
23 Ten slotte is de materiële werkingssfeer van richtlijn 88/301 beperkt tot apparaten die direct of indirect op de eindpunten van een openbaar telecommunicatienet zijn aangesloten, zodat slechts enkele van de in deze zaken in geding zijnde toestellen onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen.
24 Hieruit volgt, dat ongeacht de uitlegging van de artikelen 30 en 37 van het Verdrag, de gestelde vragen met betrekking tot de feiten vóór 1 juli 1989 moeten worden getoetst aan de artikelen 86 en 90, lid 1, en die met betrekking tot de feiten van na die datum aan de bepalingen van de richtlijn, waarbij onderscheid moet worden gemaakt tussen toestellen die onder de werkingssfeer van de richtlijn en die welke niet daaronder vallen.
Artikel 30 EEG-Verdrag
25 In het arrest van 13 december 1991 (zaak C-18/88, GB-Inno-BM, Jurispr. 1991, blz. I-5941) heeft het Hof voor recht verklaard, dat artikel 30 van het Verdrag eraan in de weg staat, dat aan een openbaar bedrijf de bevoegdheid wordt verleend om niet door dat bedrijf geleverde telefoontoestellen die bestemd zijn om op het openbare net te worden aangesloten, goed te keuren, wanneer tegen de beslissingen van dat bedrijf geen beroep in rechte openstaat.
26 Deze uitlegging moet ook gelden voor het geval dat een openbare onderneming zend- of ontvangtoestellen voor radioverbinding goedkeurt, ongeacht of deze bestemd zijn om door middel van het openbare net te functioneren.
27 In haar opmerkingen heeft de Belgische regering verklaard, dat een weigering van de RTT om bedoelde goedkeuring te verlenen, kan worden aangevochten voor de Belgische Raad van State.
28 Derhalve kan de betrokken goedkeuringsprocedure, voor zover zij aan de criteria van het arrest GB-Inno-BM voldoet, niet in strijd met artikel 30 van het Verdrag worden geacht.
29 Mitsdien staat artikel 30 van het Verdrag er niet aan in de weg, dat een overheidsonderneming de bevoegdheid wordt verleend, niet door haar geleverde zend- of ontvangtoestellen voor radioverbinding goed te keuren, mits tegen de beslissingen van die onderneming beroep in rechte openstaat.
Artikel 37 EEG-Verdrag
30 Allereerst zij eraan herinnerd, dat artikel 37, dat voorziet in de aanpassing van nationale monopolies van commerciële aard, van toepassing is "op elk lichaam waardoor een Lid-Staat de invoer of de uitvoer tussen de Lid-Staten in rechte of in feite rechtstreeks of zijdelings beheerst, leidt of aanmerkelijk beïnvloedt. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de door een Staat gedelegeerde monopolies."
31 Voorts zij opgemerkt, dat een verbod om bepaalde toestellen zonder ministeriële goedkeuring te houden, niet binnen de werkingssfeer van artikel 37 valt.
32 De prerogatieven van een overheidslichaam zoals de RTT hebben betrekking op het onderzoek van de bij de minister ingediende aanvragen ter verkrijging van een vergunning om een zend- of ontvangtoestel voor radioverbinding te houden, de toekenning en de coördinatie van de radiofrequenties, alsmede de afgifte van goedkeuringen na onderzoek of de in de handel gebrachte toestellen in overeenstemming zijn met de door de minister vastgestelde technische normen. Zij dienen te voorkomen dat de radioverbindingen worden verstoord.
33 De uitoefening van deze prerogatieven hangt dus samen met een typische overheidstaak, te weten het beheer van het publieke frequentiebereik, en is dus geen dienstverrichting. Een dergelijke werkzaamheid valt hoe dan ook buiten de werkingssfeer van artikel 37 van het Verdrag dat, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld (zie met name arrest van 28 juni 1983, zaak 271/81, Mialocq, Jurispr. 1983, blz. 2057), het goederenverkeer betreft en slechts betrekking heeft op dienstverrichtingen voor zover het monopolie op dergelijke verrichtingen inbreuk zou maken op het beginsel van het vrije verkeer van goederen door ingevoerde produkten te discrimineren ten opzichte van produkten van nationale oorsprong.
34 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat artikel 37 van het Verdrag zich niet verzet tegen de toepassing van nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen houdende verbod van de verkoop of verhuur van zend- of ontvangtoestellen voor radioverbinding, waarvan een exemplaar niet vooraf door het bevoegde overheidsorgaan is goedgekeurd als beantwoordend aan de door de minister vastgestelde technische voorschriften.
Richtlijn 88/301/EEG
35 In dit stadium moet de draagwijdte van richtlijn 88/301 worden onderzocht met betrekking tot de toestellen die onder haar werkingssfeer vallen.
36 Deze richtlijn is vastgesteld door de Commissie in de uitoefening van de haar bij artikel 90, lid 3, van het Verdrag verleende normatieve bevoegdheid, algemene regels vast te stellen die de verplichtingen die ingevolge het Verdrag op de Lid-Staten rusten met betrekking tot de in de eerste twee leden van dit artikel bedoelde ondernemingen, nader bepalen (arrest Frankrijk/Commissie, reeds aangehaald, r.o. 14 en 15).
37 Artikel 6 van deze richtlijn maakt onderscheid tussen de werkzaamheden of functies die verband houden enerzijds met de formele vastlegging en publikatie van de specificaties en de keuringsregels voor eindapparatuur en de controle op de toepassing daarvan, en anderzijds met het aanbod door een particuliere of overheidsonderneming van goederen en/of diensten op telecommunicatiegebied.
38 Artikel 6 legt de Lid-Staten de verplichting op, ervoor zorg te dragen dat met ingang van 1 juli 1989 de werkzaamheden van de eerstgenoemde categorie worden uitgevoerd door een eenheid die onafhankelijk is van de ondernemingen die zich bezighouden met werkzaamheden van de tweede categorie.
39 Het staat evenwel vast, zoals de Belgische regering ter terechtzitting heeft erkend, dat deze verdeling van werkzaamheden in de periode na 1 juli 1989, waarop de onderhavige zaak betrekking heeft, in België nog niet tot stand was gekomen.
40 Hieruit volgt, dat voor zover de betrokken toestellen binnen de werkingssfeer van richtlijn 88/301 vallen en voor zover het gaat om een periode na 1 juli 1989, artikel 6 van deze richtlijn zich tegen een nationale regeling verzet die onder strafbedreiging verbiedt, dat dergelijke toestellen te koop of ter verhuring worden aangeboden wanneer een exemplaar ervan niet is goedgekeurd door een overheidsonderneming die goederen en/of diensten op het gebied van de telecommunicatie aanbiedt. Het staat aan de nationale rechter daaruit de consequenties te trekken.
41 Met betrekking tot de periode vóór 1 juli 1989 en met betrekking tot toestellen die noch voor noch na die datum binnen de materiële werkingssfeer van de richtlijn vielen, moet het probleem worden getoetst aan artikel 90, lid 1, juncto artikel 86 van het Verdrag.
Artikel 90, lid 1, juncto artikel 86 EEG-Verdrag
42 Allereerst zij opgemerkt, dat de artikelen 86 en 90 behoren tot een reeks van regels die volgens artikel 3, sub f, van het Verdrag beogen te waarborgen, dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst.
43 Zoals hiervoor reeds overwogen, is het toezicht op het publieke frequentiebereik noodzakelijk voor de goede werking van de radioverbindingen, zowel op het gebied van de openbare dienst als op het gebied van de commerciële en particuliere activiteit. Een dergelijk toezicht is ook noodzakelijk voor de verwezenlijking van een onvervalste mededinging tussen de marktdeelnemers die gebruik maken van de radioverbindingen, alsmede tussen de fabrikanten en de verkopers van apparaten, daar die marktdeelnemers alle belang erbij hebben, dat hun apparaten zonder storing kunnen worden gebruikt.
44 Tevens zij echter opgemerkt, dat een stelsel van onvervalste mededinging, zoals voorzien in het Verdrag, slechts kan worden verwezenlijkt indien wordt gezorgd voor gelijke kansen voor de onderscheiden marktdeelnemers. Dit is niet het geval, wanneer aan een onderneming die eindapparatuur verhandelt, de taak wordt opgedragen specificaties waaraan de eindapparatuur moet voldoen, formeel vast te leggen en te publiceren, de toepassing ervan te controleren en deze apparatuur te keuren (arresten Frankrijk/Commissie, reeds aangehaald, r.o. 51, en GB-Inno-BM, reeds aangehaald, r.o. 25).
45 In het licht van het voorgaande moet worden beoordeeld, of een nationale wettelijke regeling zoals de Belgische wet van 30 juli 1979 verenigbaar is met de eisen van het Verdrag.
46 Aangaande het voor het bezit van een zend- of ontvangtoestel gestelde vereiste van een schriftelijke vergunning van de ter zake van telegrafie en de telefonie bevoegde minister, zoals voorzien in artikel 3, lid 1, van de Belgische wet, moet worden opgemerkt, dat binnen de werkingssfeer van artikel 90, lid 1, enkel maatregelen van de Lid-Staten vallen met betrekking tot openbare bedrijven en ondernemingen waaraan zij bijzondere en/of uitsluitende rechten verlenen. Deze verdragsbepaling kan derhalve niet worden aangevoerd tegen de aan een minister binnen het normale kader van zijn taken verleende bevoegdheid tot het afgeven van een vergunning.
47 Hetzelfde geldt voor de gewone taak, zoals die welke aan de RTT is opgedragen, om de bij de minister ingediende aanvragen voor een vergunning te onderzoeken, daar die taak slechts ondergeschikt is aan de uitoefening van de ministeriële bevoegdheid.
48 Wat de goedkeuringsbevoegdheid betreft, moet worden vastgesteld, dat de Belgische wet zonder onderscheid van toepassing is op elk zend- of ontvangtoestel voor radioverbinding, hieronder begrepen toestellen die, zoals draadloze telefoons, bestemd zijn om indirect op een openbaar telecommunicatienet te worden aangesloten.
49 Uit de bewoordingen van artikel 7 van de Belgische wet blijkt echter, dat anders dan de situatie in de zaak GB-Inno-BM, het de minister is die de voor de goedkeuring van deze toestellen nodige technische voorschriften evenals de nadere regels inzake de goedkeuring vaststelt, een en ander in het kader van zijn controlebevoegdheden inzake radioverbinding op het Belgisch grondgebied. Weliswaar mag de RTT ingevolge artikel 2 van dezelfde wet alle radioverbindingsdiensten inrichten en exploiteren, maar uit de bewoordingen van artikel 7 blijkt, dat de enige taak van de RTT met betrekking tot de goedkeuring van zend- of ontvangtoestellen bestaat in het onderzoek of deze toestellen met de door de minister vastgestelde voorschriften in overeenstemming zijn.
50 Wat de door de bevoegde organen van een andere Lid-Staat goedgekeurde apparaten betreft, zij opgemerkt, dat zolang de stelsels van telecommunicatie en radioverbindingen van de Lid-Staten niet zijn geharmoniseerd, de door een Lid-Staat verleende homologatie niet garandeert dat het betrokken apparaat de goede werking van die stelsels op het grondgebied van een andere Lid-Staat, waarvan de technische voorschriften nog kunnen verschillen, niet verstoort.
51 Mitsdien verzet artikel 90, lid 1, juncto artikel 86 EEG-Verdrag zich niet tegen de toepassing van nationale bepalingen houdende ten eerste een verbod op het zonder vergunning van de minister in bezit hebben van zend- of ontvangtoestellen voor radioverbinding, en ten tweede een verbod op de verkoop en verhuur van dergelijke toestellen waarvan geen enkel exemplaar als beantwoordend aan de door de minister vastgestelde technische voorschriften is goedgekeurd, zelfs al zijn de betrokken toestellen door een andere Lid-Staat goedgekeurd.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
52 De kosten door de Belgische regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel bij vonnissen van 19 april 1989 en 11 maart 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 30 EEG-Verdrag staat er niet aan in de weg, dat een overheidsonderneming de bevoegdheid wordt verleend, niet door haar geleverde zend- of ontvangtoestellen voor radioverbinding goed te keuren, mits tegen de beslissingen van die onderneming beroep in rechte openstaat.
2) Artikel 37 EEG-Verdrag verzet zich niet tegen de toepassing van nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen houdende verbod van de verkoop of verhuur van zend- of ontvangtoestellen voor radioverbinding, waarvan een exemplaar niet vooraf door het bevoegde overheidsorgaan is goedgekeurd als beantwoordend aan de door de minister vastgestelde technische voorschriften.
3) Voor zover de betrokken toestellen binnen de werkingssfeer van richtlijn 88/301/EEG van de Commissie van 16 mei 1988 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur vallen en voor zover het gaat om de periode na 1 juli 1989, verzet artikel 6 van deze richtlijn zich tegen een nationale regeling die onder strafbedreiging verbiedt, dat dergelijke toestellen te koop of ter verhuring worden aangeboden wanneer een exemplaar ervan niet is goedgekeurd door een overheidsonderneming die goederen en/of diensten op het gebied van de telecommunicatie aanbiedt. Het staat aan de nationale rechter daaruit de consequenties te trekken.
4) Artikel 90, lid 1, juncto artikel 86 EEG-Verdrag verzet zich niet tegen de toepassing van nationale bepalingen houdende ten eerste een verbod op het zonder vergunning van de minister in bezit hebben van zend- of ontvangtoestellen voor radioverbinding, en ten tweede een verbod op de verkoop en verhuur van dergelijke toestellen waarvan geen enkel exemplaar als beantwoordend aan de door de minister vastgestelde technische voorschriften is goedgekeurd, zelfs al zijn de betrokken toestellen door een andere Lid-Staat goedgekeurd.
Full & Egal Universal Law Academy