Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Werknemers - Non-discriminatiebeginsel - Gereglementeerde beroepen - Paramedische beroepen - Erkenning van gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma' s behoudens wederkerigheid uitsluitend in geval van eigen onderdanen - Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 48, 52 en 59)
Samenvatting
Het algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, waaraan door de artikelen 48, 52 en 59 van het Verdrag toepassing wordt gegeven op de onder die artikelen vallende gebieden, impliceert dat het vrije verkeer van werknemers, de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten de toegang omvatten tot werkzaamheden in loondienst dan wel als zelfstandige en de uitoefening van die werkzaamheden onder de voorwaarden die in de wetgeving van de ontvangende Lid-Staat voor de eigen onderdanen zijn bepaald.
Een Lid-Staat komt derhalve de krachtens voornoemde bepalingen op hem rustende verplichtingen niet na, wanneer hij bij de erkenning van de gelijkwaardigheid van in het buitenland behaalde diploma' s met nationale diploma' s die toegang geven tot bepaalde paramedische beroepen, de eigen onderdanen en de onderdanen van andere Lid-Staten verschillend behandelt door de erkenning in het geval van laatstgenoemden te doen afhangen van het bestaan van een wederkerigheidsovereenkomst, welke eis in het geval van eigen onderdanen niet wordt gesteld.
Partijen
In zaak C-58/90,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. Marenco als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen, als gemachtigde, bijgestaan door P. G. Ferri, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adelaïde 5,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door het enkel voor Italiaanse onderdanen mogelijk te maken, buitenlandse diploma' s die toegang geven tot bepaalde paramedische beroepen, in Italië te doen erkennen, de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens de artikelen 48, 52 en 59 EEG-Verdrag op haar rusten,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, T. F. O' Higgins, J. C. Moitinho de Almeida en G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, R. Joliet, F. A. Schockweiler, F. Grévisse en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: D. Louterman, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de opmerkingen van de Commissie ter terechtzitting van 2 juli 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van dezelfde dag,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 8 maart 1990, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht vast te stellen, dat de Italiaanse Republiek de krachtens de artikelen 48, 52 en 59 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door het uitsluitend voor Italiaanse onderdanen mogelijk te maken, buitenlandse diploma' s die toegang verlenen tot bepaalde paramedische beroepen, in Italië te doen erkennen.
2 De in geding gebrachte nationale bepalingen zijn vervat in de Italiaanse wet nr. 752 van 8 november 1984 (GURI nr. 311 van 12.11.1984, blz. 9427), aangevuld door het uitvoeringsbesluit van 16 juli 1986 (GURI nr. 302 van 31.12.1986, blz. 24).
3 Na een klacht van een Belgisch onderdaan, die tevergeefs had verzocht om erkenning in Italië van een in België en het Verenigd Koninkrijk behaald diploma van osteopaat/ kinesitherapeut, en na een bij het Europees Parlement ingediend verzoekschrift nodigde de Commissie de Italiaanse regering bij brief van 19 september 1988 overeenkomstig de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag uit, haar opmerkingen te maken. Toen antwoord uitbleef, bracht de Commissie op 15 juni 1989 een met redenen omkleed advies uit, waarin zij de Italiaanse Republiek uitnodigde binnen twee maanden de nodige maatregelen te nemen. Toen ook hierop geen reactie volgde, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
5 In haar verzoekschrift voert de Commissie twee argumenten aan. In de eerste plaats verwijst zij naar de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke een discriminatie op grond van nationaliteit, zoals die welke door de in geding zijnde Italiaanse wet is ingevoerd in verband met de toegang tot de betrokken beroepswerkzaamheden als werknemer (artikel 48) of zelfstandige (artikel 52) en in het kader van het verrichten van diensten (artikel 59), een belemmering vormt voor de uitoefening van de door het EEG-Verdrag gewaarborgde vrijheden.
6 In de tweede plaats stelt zij, dat het uitvoeringsbesluit van 16 juli 1986 de erkenning van buitenlandse diploma' s afhankelijk stelt van het bestaan van een wederkerigheidsovereenkomst met de betrokken staat. De Commissie betwist niet, dat zolang de voorwaarden voor toegang tot de betrokken beroepen niet zijn geharmoniseerd, de Lid-Staten kunnen bepalen, welk kennisniveau en welke kwalificaties vereist zijn voor het uitoefenen van die beroepen, en overlegging van de desbetreffende diploma' s kunnen verlangen. De Lid-Staat van ontvangst kan echter van een onderdaan van een andere Lid-Staat, die in het bezit is van een door een andere Lid-Staat afgegeven diploma, niet eisen dat hij het overeenkomstige diploma van het ontvangende land bezit, ongeacht de in die andere Lid-Staat verkregen en uit een diploma blijkende kennis en kwalificaties (arrest van 15 oktober 1987, zaak 222/86, Heylens, Jurispr. 1987, blz. 4097).
7 Onder verwijzing naar de klacht die bij de Commissie is ingediend door de Belgische onderdaan wiens diploma' s in Italië niet waren erkend, merkt de Italiaanse regering op, dat het Tribunale amministrativo regionale del Lazio het afwijzende ministeriële besluit nietig heeft verklaard op grond dat het in strijd was met het gemeenschapsrecht. Deze beslissing zou ook gevolg hebben voor de toepassing van de wet op overeenkomstige gevallen in de toekomst, waardoor voortaan elke met de artikelen 48, 52 en 59 van het Verdrag strijdige discriminatie uitgesloten zou zijn.
8 Vaststaat dat de door de Commissie gewraakte nationale regeling onverenigbaar is met de artikelen 48, 52 en 59 EEG-Verdrag.
9 In de eerste plaats impliceert het algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, waaraan door de artikelen 48, 52 en 59 van het Verdrag toepassing wordt gegeven op de onder die artikelen vallende gebieden, dat het vrije verkeer van werknemers, de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting de toegang omvatten tot werkzaamheden in loondienst dan wel als zelfstandige en de uitoefening van die werkzaamheden onder de voorwaarden die in de wetgeving van de ontvangende Lid-Staat voor de eigen onderdanen zijn omschreven (arresten van 4 april 1974, zaak 167/73, Commissie/Frankrijk; 21 juni 1974, zaak 2/74, Reyners, en 3 december 1974, zaak 33/74, Van Binsbergen, Jurispr. 1974, resp. blz. 359, 631 en 1299).
10 In de tweede plaats is het vaste rechtspraak, dat een Lid-Staat die de toegang van onderdanen van de andere Lid-Staten tot bepaalde beroepen afhankelijk stelt van een wederkerigheidsvoorwaarde, de uit de artikelen 48, 52 en 59 van het Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet nakomt (arrest van 15 oktober 1986, zaak 168/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1986, blz. 2945).
11 Bovendien mag bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van het buitenlandse diploma uitsluitend worden gelet op het niveau van de kennis en de bekwaamheden, dat de houder ervan mag worden geacht te bezitten, rekening houdend met de aard en de duur van de studie en de praktijkopleiding waarvan het diploma de voltooiing bewijst (arrest van 15 oktober 1987, Heylens, reeds aangehaald, r.o. 13).
12 Ten slotte kan de Italiaanse Republiek zich niet onttrekken aan haar verplichting haar nationale wetgeving in overeenstemming te brengen aan de eisen van het Verdrag, door te verwijzen naar een zekere administratieve of rechterlijke praktijk of door te verklaren dat de onderdanen van de andere Lid-Staten in de toekomst op één lijn zullen worden gesteld met Italiaanse onderdanen. Door de discriminerende bepalingen van de wet van 8 november 1984 blijft immers onzekerheid bestaan over de mogelijkheid van een beroep op het gemeenschapsrecht en blijft bijgevolg de feitelijke situatie voor de belanghebbenden onduidelijk.
13 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek de krachtens de artikelen 48, 52 en 59 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door bepalingen te handhaven die het enkel voor Italiaanse onderdanen mogelijk maken, buitenlandse diploma' s die toegang geven tot bepaalde paramedische beroepen, in Italië te doen erkennen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
14 Volgens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Daar de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door bepalingen te handhaven die het enkel voor Italiaanse onderdanen mogelijk maken, buitenlandse diploma' s die toegang geven tot bepaalde paramedische beroepen, in Italië te doen erkennen, is de Italiaanse Republiek de krachtens de artikelen 48, 52 en 59 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy