Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° Gemeenschappelijk landbouwbeleid ° Verordeningen ° Totstandkomingsprocedure ° Onderscheid tussen basisverordeningen en uitvoeringsverordeningen ° Uitvoeringsverordening vastgesteld overeenkomstig in basisverordening voorgeschreven procedure ° Wettigheid
(EEG-Verdrag, art. 43, lid 2, derde alinea)
2. Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Verplichting ° Draagwijdte ° Verordeningen
(EEG-Verdrag, art. 190)
3. Visserij ° Instandhouding van rijkdommen van de zee ° Stelsel van vangstquota ° Verdeling van beschikbare vangsthoeveelheden over Lid-Staten ° Vereiste van relatieve stabiliteit ° Uitwerking ° Vaste verdeelsleutel ° Verplichting van Raad tot nieuwe verdeling bij toename van bestand ° Afwezigheid
(EEG-Verdrag, art. 43, lid 2, derde alinea; verordening nr. 170/83 van de Raad, art. 4 en 11)
4. Toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Gemeenschappen ° Spanje ° Portugal ° Visserij ° Eerbiediging van acquis communautaire ° Beginsel van relatieve stabiliteit van verdeling van bestanden ° Toepassing op externe bestanden
(Toetredingsakte van 1985, art. 2, 167 en 354; verordening nr. 170/83 van de Raad)
5. Gemeenschapsrecht ° Beginselen ° Gelijke behandeling ° Discriminatie op grond van nationaliteit ° Verbod ° Uitsluiting van Spanje en Portugal van verdeling, voor 1990, van vangstquota van Gemeenschap in wateren van Groenland ° Toelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 7; verordening nr. 4054/89 van de Raad)
Samenvatting
1. De verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid behoeven niet in al hun onderdelen door de Raad volgens de procedure van artikel 43 EEG-Verdrag te worden vastgesteld. Aan dit voorschrift is voldaan, zodra de hoofdzaken van de te regelen materie overeenkomstig de aldaar voorziene procedure zijn vastgesteld; daarentegen kunnen voorschriften ter uitvoering van basisverordeningen door de Raad volgens een andere procedure worden vastgesteld.
Derhalve levert de vaststelling door de Raad van een uitvoeringsverordening overeenkomstig de door de basisverordening voorgeschreven procedure geen schending van deze bepaling op.
2. De door artikel 190 EEG-Verdrag vereiste motivering moet aan de aard van de betrokken handeling beantwoorden. De redenering van de communautaire instantie die de handeling heeft vastgesteld, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregelen kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Bij een handeling kan evenwel geen specifieke motivering worden verlangd van de verschillende onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen, zodra deze handeling binnen de systematiek van het geheel valt waarvan zij een onderdeel vormt.
3. Het vereiste van relatieve stabiliteit van de verdeling over de Lid-Staten van het voor de Gemeenschap beschikbare gedeelte bij beperking van de visserijactiviteiten, dat is neergelegd in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 170/83, houdt in, dat elke Lid-Staat bij deze verdeling steeds een vast percentage krijgt. De aanvankelijke verdeelsleutel die op grond van deze bepaling en volgens de procedure van artikel 11 van die verordening is vastgesteld, blijft gelden, zolang niet volgens de in artikel 43 EEG-Verdrag bedoelde procedure een wijzigingsverordening is vastgesteld.
Het beginsel van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten kan niet aldus worden uitgelegd, dat het de Raad tot een nieuwe verdeling verplicht, telkens wanneer wordt vastgesteld dat een bepaald bestand is toegenomen en dat bestand reeds in de aanvankelijke verdeling was meegerekend.
4. Artikel 2 van de Toetredingsakte van Spanje en Portugal bepaalt, dat onmiddellijk bij de toetreding de oorspronkelijke Verdragen en de door de instellingen van de Gemeenschappen vóór de toetreding genomen besluiten verbindend zijn voor de nieuwe Lid-Staten en in deze staten toepasselijk zijn onder de voorwaarden die in deze Verdragen en in de Toetredingsakte zelf zijn voorzien. De Toetredingsakte (artikel 167 betreffende Spanje en artikel 354 betreffende Portugal) regelt ten aanzien van de visserij en in het bijzonder de externe visbestanden de integratie slechts in dier voege, dat het beheer van de voordien door de nieuwe Lid-Staten met derde landen gesloten visserijovereenkomsten door de Gemeenschap wordt overgenomen en de uit die overeenkomsten voortvloeiende rechten en verplichtingen voorlopig worden gehandhaafd totdat de Raad de passende besluiten vaststelt voor het handhaven van de uit die overeenkomsten voortvloeiende visserijactiviteiten. Zo gezien moet overeenkomstig artikel 2 van de Toetredingsakte het acquis communautaire, in het bijzonder het beginsel van de relatieve stabiliteit, zoals dat is vastgesteld bij verordening nr. 170/83 en uitgelegd door het Hof, worden toegepast.
Al raakt de Toetredingsakte niet aan de bestaande situatie op het gebied van de verdeling van de externe visbestanden, dat doet niet af aan het feit, dat Portugal en Spanje sinds de toetreding in dezelfde situatie verkeren als de Lid-Staten die niet in de aanvankelijke verdeling hebben meegedeeld. Deze twee Lid-Staten mogen dus meedelen in de verdeling van de nieuwe vangstmogelijkheden, die zijn geopend op grond van na de toetreding met derde landen gesloten overeenkomsten, en kunnen bij de eventuele herziening van het stelsel op dezelfde wijze als de overige Lid-Staten hun aanspraken doen gelden.
5. De uitsluiting bij verordening nr. 4054/89 van Spanje en Portugal van de verdeling, voor 1990, van de vangstquota in de Gemeenschap in de wateren van Groenland is niet aan te merken als een bij artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit, want de situatie van deze twee Lid-Staten is niet vergelijkbaar met die van de Lid-Staten die bij deze verdeling in aanmerking zijn genomen, indien rekening wordt gehouden met hetgeen in de Toetredingsakte van 1985 met betrekking tot de integratie van de nieuwe Lid-Staten in het gemeenschappelijk visserijbeleid is bepaald.
De nieuwe Lid-Staten kunnen zich immers niet beroepen op omstandigheden vóór de toetreding, waaronder met name hun visserijactiviteiten gedurende het referentietijdvak, om het acquis communautaire weer in geding te brengen, terwijl de Toetredingsakte de bestaande situatie op het gebied van de verdeling van de externe visbestanden niet heeft gewijzigd. Sinds hun toetreding verkeren deze staten in dezelfde situatie als de Lid-Staten die van de verdelingen zijn uitgesloten op grond van het beginsel van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten, die ten aanzien van de vóór de toetreding gesloten overeenkomsten vaste vorm heeft gekregen in de verdeling van 1983, ook al zijn zij door die toetreding hun bevoegdheid kwijtgeraakt om autonome overeenkomsten te sluiten en hebben zij geen tegenprestatie ontvangen voor de externe bestanden die zij in de Gemeenschap hebben ingebracht.
Partijen
In de gevoegde zaken C-63/90 en C-67/90,
Portugese Republiek, vertegenwoordigd door Professor J. Mota de Campos, L. Inês Fernandes, directeur van de juridische dienst van het directoraat-generaal Europese Gemeenschappen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, M. Vasconcelos, directeur van het kabinet voor studie en planning van het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, en M. L. Duarte, juridisch adviseur van het directoraat-generaal Europese Gemeenschappen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Portugese ambassade, Allée Scheffer 33,
en
Koninkrijk Spanje, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Bastarreche Saguees, vervolgens door A. Navarro González, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Europese Gemeenschappen, en R. Silva de Lapuerta, abogado del Estado voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende ter Spaanse ambassade, Boulevard E. Servais 4-6,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. A. Dashwood, directeur bij de juridische dienst, en J. Carbery, juridisch adviseur, bijgestaan door aanvankelijk J. Monteiro en vervolgens A. Lopes Sabino, alsmede door G.-L. Ramos Ruano, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij X. Herlin, directeur van de directie Juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100, Kirchberg,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. C. Fischer en door H. Lima respectievelijk F. J. Santaolalla, juridisch adviseurs, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Roeder, Regierungsdirektor bij het Bondsministerie van Economische zaken, en J. Karl, Oberregierungsrat bij dat ministerie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Duitse ambassade, Avenue Émile Reuter 20-22,
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door C. Vajda, Barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Britse ambassade, Boulevard Roosevelt 14,
interveniënten,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 4054/89 van de Raad van 19 december 1989 houdende verdeling, voor 1990, van de vangstquota van de Gemeenschap in de wateren van Groenland (PB 1989, L 389, blz. 65),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, C. N. Kakouris en M. Zuleeg, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, J. C. Moitinho de Almeida en M. Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: D. Triantafyllou, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 18 februari 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 mei 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op respectievelijk 14 en 16 maart 1990, hebben de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje krachtens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 4054/89 van de Raad van 19 december 1989 houdende verdeling, voor 1990, van de vangstquota van de Gemeenschap in de wateren van Groenland (PB 1989, L 389, blz. 65). Bij deze verordening werd uitvoering gegeven aan de Visserijovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap, enerzijds, en de Regering van Denemarken en de Plaatselijke Regering van Groenland, anderzijds (PB 1985, L 29, blz. 9), en aan het Protocol tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de visserij bedoeld in voornoemde overeenkomst (PB 1989, L 389, blz. 83), dat wil zeggen de vangstquota die van 1 januari 1990 tot en met 31 december 1990 in de wateren van Groenland aan de Gemeenschap zijn toegewezen.
2 De Raad heeft de bestreden verordening vastgesteld op basis van artikel 11 van verordening (EEG) nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van visbestanden (PB 1983, L 24, blz. 1). Deze regeling omvat onder meer instandhoudingsmaatregelen die volgens artikel 2 in het bijzonder kunnen bestaan in de beperking van de visserijactiviteiten, met name door vangstbeperking.
3 Ter zake bepaalt artikel 3 van verordening nr. 170/83, dat wanneer het noodzakelijk blijkt de vangsten van een soort of aanverwante soorten te beperken, elk jaar wordt overgegaan tot de vaststelling van het totale quotum dat per bestand of groep bestanden mag worden gevangen (hierna: "TAC"), het gedeelte daarvan dat voor de Gemeenschap beschikbaar is, alsmede in voorkomend geval het totaal van de vangsten die aan derde landen zijn toegekend en de bijzondere voorwaarden die daarbij in acht moeten worden genomen. Het voor de Gemeenschap beschikbare gedeelte wordt verhoogd met de totale vangsten van de Gemeenschap buiten de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de Lid-Staten vallen.
4 Voorts bepaalt artikel 4, lid 1, van verordening nr. 170/83, dat "het in artikel 3 bedoelde gedeelte dat voor de Gemeenschap beschikbaar is (...) zo onder de Lid-Staten (wordt) verdeeld dat elke Lid-Staat een relatieve stabiliteit wordt gewaarborgd in de visserijactiviteiten met betrekking tot elk van de betrokken bestanden". Lid 2 van dat artikel bepaalt verder, dat op grond van een door de Commissie vóór 31 december 1991 uit te brengen verslag over de situatie van de visserij in de Gemeenschap, over de economische en sociale ontwikkeling in de kustgebieden en over de situatie en de verwachte ontwikkeling van de visbestanden, de Raad, volgens de procedure van artikel 43 van het Verdrag, de aanpassingen vaststelt welke nodig zouden kunnen blijken in de verdeling van de bestanden over de Lid-Staten.
5 Tot slot bepaalt artikel 11 van verordening nr. 170/83, dat de keuze van de instandhoudingsmaatregelen, de vaststelling van de TAC' s en van het voor de Gemeenschap beschikbare gedeelte en de verdeling van dat gedeelte over de Lid-Staten, op voorstel van de Commissie en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, door de Raad worden vastgesteld. De verordeningen tot vaststelling van de TAC' s voor de vissoorten waarvan de instandhouding moet worden gegarandeerd, en tot verdeling van het voor de Gemeenschap beschikbare gedeelte over de Lid-Staten, werden sinds 1983 jaarlijks op basis van dit artikel vastgesteld.
6 Bij verordening (EEG) nr. 172/83 van de Raad van 25 januari 1983 inzake de vaststelling van de voor 1982 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden in de visserijzone van de Gemeenschap en het voor de Gemeenschap beschikbare gedeelte van deze vangsten, de verdeling van dit gedeelte over de Lid-Staten en de bij de visserij in het kader van de totaal toegestane vangsten in acht te nemen voorschriften (PB 1983, L 24, blz. 30) heeft de Raad de beschikbare visbestanden in de wateren van de Gemeenschap verdeeld op grond van de drie in de considerans van deze verordening vermelde criteria: de traditionele visserijactiviteit, de bijzondere behoeften van de gebieden die sterk zijn aangewezen op de visserij en aanverwante industrieën, en het verlies van de vangstmogelijkheden in de wateren van derde landen.
7 Dezelfde criteria hebben ook als grondslag gediend voor de verdeling van de visbestanden die buiten de wateren van de Gemeenschap beschikbaar waren op grond van overeenkomsten met derde landen, en waarover de Raad verschillende verordeningen heeft vastgesteld. Dit is het geval met verordening (EEG) nr. 173/83 van 25 januari 1983 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 370/82 betreffende het beheer van en de controle op bepaalde vangstquota voor 1982 voor vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren en vissen in het gereglementeerde gebied als omschreven in het NAFO-Verdrag (PB 1983, L 24, blz. 68), verordening (EEG) nr. 174/83 houdende verdeling over de Lid-Staten van de vangstquota die in 1982 in het kader van de Visserijovereenkomst tussen de Gemeenschap en de regering van Canada aan de Gemeenschap zijn toegewezen (PB 1983, L 24, blz. 70), verordening (EEG) nr. 175/83 houdende verdeling van bepaalde vangstquota over de Lid-Staten voor vaartuigen die vissen in de economische zone van Noorwegen en in de visserijzone rond Jan Mayen (PB 1983, L 24, blz. 72) en de verordeningen (EEG) nrs. 176/83 en 177/83 houdende verdeling van de vangstquota over de Lid-Staten voor vaartuigen die vissen in de wateren van Zweden (PB 1983, L 24, blz. 75) en in de wateren van de Faeroeer (PB 1983, L 24, blz. 77).
8 De verdelingspercentages, die zijn vastgesteld op grond van de visserijactiviteiten tijdens het referentietijdvak 1973-1978 en zijn uitgedrukt in toegewezen hoeveelheden, zijn sinds 1983 ongewijzigd gebleven en voor alle verdelingen nadien gebruikt. De toetreding van de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschap op 1 januari 1986 heeft niet tot een wijziging in de verdeelsleutel geleid, daar de twee nieuwe Lid-Staten daarvan uitgesloten blijven.
9 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke gemeenschapsbepalingen, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
10 Tot staving van hun beroepen voeren verzoekers een reeks middelen aan, die onder drie kapittels kunnen worden samengevoegd, te weten schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het beginsel van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten en schending van algemene beginselen van gemeenschapsrecht.
Het middel: schending van wezenlijk vormvoorschriften
11 De Portugese Republiek betoogt om te beginnen, dat de bestreden verordening is vastgesteld in strijd met de procedure van artikel 43 EEG-Verdrag, waarnaar deze verordening overigens in het geheel niet verwijst. Aan het vereiste van rechtszekerheid kan niet zijn voldaan door de verwijzing naar het EEG-Verdrag in zijn geheel noch door de verwijzing naar voornoemde verordening nr. 170/83.
12 Vervolgens stelt zij, dat de bestreden verordening is vastgesteld in strijd met artikel 190 EEG-Verdrag, daar zij niet de redenen, feitelijk en rechtens, noemt op grond waarvan de Raad de beschikbare vangsten over bepaalde Lid-Staten heeft verdeeld, en andere Lid-Staten, zoals verzoekers, die toch van hun belangstelling daarvoor blijk hadden gegeven, van die verdeling heeft uitgesloten.
13 Ten slotte verklaart zij, dat de bestreden verordening is vastgesteld vóór de, al was het slechts voorlopige, inwerkingtreding van voornoemd protocol betreffende de vangstmogelijkheden in de wateren van Groenland. Dit protocol is namens de Gemeenschap pas formeel goedgekeurd op grond van verordening (EEG) nr. 2647/90 van de Raad van 16 juli 1990 betreffende de sluiting van voornoemd Tweede Protocol (PB 1990 L 252, blz. 1). De overeenkomstsluitende partijen hebben in de vorm van een briefwisseling van 21 december 1989 in gemeenschappelijk overleg tot de voorlopige toepassing van dit protocol besloten.
14 Aangaande de rechtsgrondslag van de bestreden verordening moet worden opgemerkt, dat zij is gebaseerd op artikel 11 van verordening nr. 170/83, dat met een verwijzing naar in het bijzonder artikel 4, lid 1, van die verordening de Raad machtigt, op voorstel van de Commissie en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de verdeling van het voor de Gemeenschap beschikbare gedeelte over de Lid-Staten vast te stellen. Daar verordening nr. 170/83 zelf berust op artikel 43 EEG-Verdrag, is artikel 11 een juiste en toereikende rechtsgrondslag voor de vaststelling van de bestreden verordening. Gelijk het Hof in het arrest van 16 juni 1987 (zaak 46/86, Romkes, Jurispr. 1987, blz. 2681, r.o. 16) heeft verklaard, behoeven de verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet in al hun onderdelen door de Raad volgens de procedure van artikel 43 EEG-Verdrag te worden vastgesteld; daarentegen is aan dit voorschrift voldaan, zodra de hoofdzaken van de te regelen materie overeenkomstig de aldaar voorziene procedure zijn vastgesteld; voorschriften ter uitvoering van basisverordeningen kunnen immers door de Raad volgens een andere procedure worden vastgesteld, zoals in artikel 11 is voorzien.
15 Mitsdien moet dit middel worden afgewezen.
16 Wat betreft de bewering dat in de motivering van de bestreden verordening iedere precisering ontbreekt omtrent de redenen, feitelijk en rechtens, op grond waarvan de Raad een aantal Lid-Staten voor de verdeling in aanmerking heeft laten komen en andere Lid-Staten, met name verzoekers ervan uit te sluiten, zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de door artikel 190 EEG-Verdrag vereiste motivering aan de aard van de betrokken handeling moet beantwoorden. De redenering van de communautaire instantie die de handeling heeft vastgesteld, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Uit deze rechtspraak blijkt bovendien, dat bij een handeling geen specifieke motivering kan worden verlangd van de verschillende onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen, zodra deze handeling binnen de systematiek van het geheel valt waarvan zij een onderdeel vormt (zie onder meer arrest van 22 januari 1986, zaak 250/84, Eridania, Jurispr. 1986, blz. 117, r.o. 37 en 38).
17 In de vijfde overweging van de bestreden verordening wordt uitdrukkelijk verwezen naar het voornaamste criterium voor elke verdeling van vangstmogelijkheden, namelijk dat elke Lid-Staat een relatieve stabiliteit van de betrokken visserijactiviteiten, als bedoeld in artikel 4 van verordening nr. 170/83 wordt gewaarborgd. Ook moet in aanmerking worden genomen,dat de bestreden verordening deel uitmaakt van een hele reeks verordeningen die hetzelfde basiscriterium toepassen en waarvan er enkele van ná de toetreding dateren. Derhalve moet de verordening worden geacht, aan bovenvermelde motiveringsvereisten van artikel 190 EEG-Verdrag te voldoen.
18 Dit tweede middel moet dus worden afgewezen.
19 Ten slotte moet ook het middel worden afgewezen, dat de bestreden verordening vóór de, al was het slechts voorlopige, inwerkingtreding van het tweede protocol inzake de vangstmogelijkheden in de wateren van Groenland is vastgesteld. De vaststelling volstaat, dat die verordening in elk geval ingevolge artikel 3 op 1 januari 1990 in werking is getreden, dat wil zeggen op dezelfde dag waarop dit protocol in werking is getreden op grond van besluit 89/650/EEG van de Raad van 19 december 1989 betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling over de voorlopige toepassing ervan (PB 1989, L 389, blz. 80).
20 Blijkens voorgaande overwegingen moeten de middelen inzake de schending van wezenlijke vormvoorschriften in hun geheel worden afgewezen.
Het middel: schending van het beginsel van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten
21 Verzoekers stellen dat de Raad met de vaststelling van de bestreden verordening, die hen van de verdeling uitsluit, het in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 170/83 neergelegde beginsel van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten te strikt en dus onjuist heeft toegepast, voor zover hij geen rekening heeft gehouden met hun gerechtvaardigde aanspraken op buiten de Gemeenschap beschikbare vangstmogelijkheden die aan de Gemeenschap in haar geheel zijn toegewezen.
22 Tot staving van hun stelling voeren verzoekers in hoofdzaak drie argumenten aan.
23 Ten eerste betogen zij, dat in het tweede protocol bij de overeenkomst met Groenland de Gemeenschap aanmerkelijk meer vangstmogelijkheden zijn aangeboden, dan in het eerste protocol, waaronder in het bijzonder 7 500 ton extra voor kabeljauw. Naar aanleiding van deze verhoging had de Raad verzoekers in de verdeling moeten betrekken, waarbij hij overigens de belangen van de Lid-Staten moest beschermen, die daarvoor reeds in aanmerking kwamen.
24 In de tweede plaats zijn verzoekers van mening, dat de herzieningsclausule in artikel 4, lid 2, van verordening nr. 170/83 niet de enige manier is om de in 1983 vastgestelde verdeelsleutel aan nieuwe omstandigheden aan te passen. De Raad zelf heeft in een bij de vaststelling van verordening nr. 170/83 in de notulen opgenomen verklaring erkend, dat zelfs vóór de formele herziening van de verdelingsregeling bij de beoordeling van de relatieve stabiliteit van de aan de Lid-Staten toe te wijzen quota de verschillende omstandigheden in aanmerking moesten worden genomen die een wezenlijke invloed konden hebben op de algemene situatie die de aanvankelijke verdeling heeft bepaald. De toetreding van twee nieuwe Lid-Staten is aan te merken als een wezenlijke wijziging van die situatie, daar de aanvankelijke verdeelsleutel was ontworpen voor tien Lid-Staten, hetgeen niet meer beantwoordt aan de huidige samenstelling van de Gemeenschap. Overigens betekent het stilzwijgen van de Toetredingsakte ter zake, dat bij de toepassing van het beginsel van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten rekening moet worden gehouden met de samenstelling van de Gemeenschap.
25 Volgens het Koninkrijk Spanje ten slotte zijn de in het protocol van 1985 vastgestelde vangstmogelijkheden door de Lid-Staten systematisch niet ten volle benut. Zelfs zonder aanvullende quota zou derhalve het beginsel van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten niet zijn geschonden, indien aan andere Lid-Staten vangstmogelijkheden waren toegekend, omdat de Lid-Staten, die als enige van dat beginsel profiteerden, nooit hun quota volledig hebben gebruikt.
26 Alvorens deze verschillende argumenten te onderzoeken, zij eraan herinnerd dat het Hof in voornoemd arrest van 16 juni 1987 (Romkes) reeds een uitspraak heeft gedaan over de verenigbaarheid van de verdelingen van de quota na de aanvankelijke verdeling van 1983 met het in verordening nr. 170/83 neergelegde vereiste van relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten. In rechtsoverweging 17 van dit arrest heeft het Hof toen verklaard, dat dit vereiste van relatieve stabiliteit inhoudt, dat elke Lid-Staat bij deze verdeling steeds een vast percentage krijgt. Het Hof heeft dienaangaande gepreciseerd, dat uit artikel 4, lid 2, waarin wordt bepaald dat de Raad volgens de procedure van artikel 43 EEG-Verdrag de aanpassingen vaststelt welke nodig zouden kunnen blijken in de verdeling van de bestanden over de Lid-Staten, blijkt, dat de aanvankelijke verdeelsleutel die op grond van artikel 4, lid 1, en op basis van artikel 11 is vastgesteld, blijft gelden zolang niet volgens de voor verordening nr. 170/83 gevolgde procedure een wijzigingsverordening is vastgesteld.
27 Verzoekers betogen evenwel, dat deze rechtspraak uitgaat van een beperking van de visserijactiviteiten ten opzichte van de op een gegeven ogenblik beschikbare vangsten en dat daarop geen beroep kan worden gedaan wanneer, zoals in het onderhavige geval, de vangstmogelijkheden zijn uitgebreid.
28 In verband hiermee zij opgemerkt, dat volgens artikel 2, lid 2, van verordening nr. 170/83 de maatregelen tot beperking van de vangsten betrekking hebben op soorten of groepen soorten; verder moet volgens artikel 4, lid 1, van deze verordening elke Lid-Staat een relatieve stabiliteit worden gewaarborgd "met betrekking tot elk van de betrokken bestanden", dat wil zeggen voor de vissen van een bepaalde soort die zich in een gegeven geografische zone bevinden. Het staat buiten kijf, dat het onmogelijk is om de omvang van die bestanden, die voornamelijk ten gevolge van de biologische ontwikkeling van de soorten van het ene jaar tot het andere kunnen toenemen of dalen, nauwkeurig te berekenen. Daarom heeft het Hof in voornoemd arrest Romkes gepreciseerd, dat de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten inhoudt, dat elke Lid-Staat bij deze verdeling steeds een vast percentage krijgt en dus niet dat een vaste hoeveelheid vis wordt gewaarborgd.
29 In die omstandigheden kan het beginsel van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten niet aldus worden uitgelegd, dat het de Raad telkens tot een nieuwe verdeling verplicht, wanneer wordt vastgesteld dat een bepaald bestand is toegenomen en dat bestand reeds in de aanvankelijke verdeling was meegerekend. Overigens bevat de visserijovereenkomst met Groenland, zoals de advocaat-generaal terecht heeft opgemerkt, een aantal bepalingen die slechts gerechtvaardigd zijn uit hoofde van het onzekere karakter van de kwantitatieve voorzieningen met betrekking tot een bepaald bestand.
30 Het eerste argument moet bijgevolg worden afgewezen.
31 Met betrekking tot het argument, ontleend aan de toetreding van de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschap op 1 januari 1986, moet worden bedacht, dat het enkele feit van de toetreding van een Lid-Staat als zodanig geen rechtsgevolgen teweeg kan brengen, aangezien de toetredingsvoorwaarden in de desbetreffende Akte worden geregeld.
32 In casu bepaalt artikel 2 van de Toetredingsakte, dat onmiddellijk bij de toetreding de oorspronkelijke Verdragen en de door de instellingen van de Gemeenschappen vóór de toetreding genomen besluiten verbindend zijn voor de nieuwe Lid-Staten en in deze staten toepasselijk zijn onder de voorwaarden die in deze Verdragen en in de Toetredingsakte zelf zijn voorzien.
33 De Toetredingsakte (artikel 167 betreffende Spanje en artikel 354 betreffende Portugal) regelt ten aanzien van de visserij en in het bijzonder de externe visbestanden de integratie slechts in dier voege, dat het beheer van de voordien door de nieuwe Lid-Staten met derde landen gesloten visserijovereenkomsten door de Gemeenschap wordt overgenomen en de uit die overeenkomsten voortvloeiende rechten en verplichtingen voorlopig worden gehandhaafd totdat de Raad de passende besluiten vaststelt voor het handhaven van de uit die overeenkomsten voortvloeiende visserijactiviteiten.
34 Zo gezien moet overeenkomstig artikel 2 van de Toetredingsakte het acquis communautaire, in het bijzonder het beginsel van de relatieve stabiliteit, zoals dat is vastgesteld bij verordening nr. 170/83 en uitgelegd door het Hof, worden toegepast. Deze verordening is overigens niet gewijzigd, behoudens de technische aanpassing van het aantal stemmen in de procedure van artikel 14, lid 2 (bijlage I, punt XV, van de Toetredingsakte).
35 Derhalve dient dit tweede argument te worden afgewezen.
36 Al raakt de Toetredingsakte niet aan de bestaande situatie op het gebied van de verdeling van de externe visbestanden, terwijl dat wel mogelijk was geweest, dat doet niet af aan het feit, dat de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje sinds de toetreding in dezelfde situatie verkeren als de Lid-Staten die niet in de aanvankelijke verdeling hebben meegedeeld.
37 Hieruit volgt, dat deze twee Lid-Staten mogen meedelen in de verdeling van nieuwe vangstmogelijkheden die eventueel beschikbaar zijn op grond van na de toetreding met derde landen gesloten overeenkomsten betreffende visbestanden die nog moeten worden verdeeld; verder kunnen bij de eventuele herziening van het stelsel ingevolge artikel 4, lid 2, van verordening nr. 170/83 die staten op dezelfde wijze als de overige Lid-Staten hun aanspraken doen gelden.
38 Met betrekking ten slotte tot het door het Koninkrijk Spanje aangevoerde argument, dat de quota niet volledig zouden worden gebruikt, zij opgemerkt dat, zoals de Raad overigens naar voren heeft gebracht, zonder dat het tegendeel overtuigend is aangetoond, de op grond van een overeenkomst met een derde land aan de Gemeenschap toegekende vangstmogelijkheden berusten op prognoses van de staat en de ontwikkeling van de bestanden, die onjuist kunnen blijken en niet de hoeveelheden weergeven die inderdaad kunnen worden gevangen. In die omstandigheden kan de enkele vaststelling dat minder vis is gevangen dan werd verwacht, geen verplichting scheppen om voor het daaropvolgend jaar een nieuwe verdeling vast te stellen. Hier komt nog bij, dat het Koninkrijk Spanje niet heeft bewezen, dat de rechthebbende Lid-Staten de hun op grond van de bestreden verordening toegekende vangstquota vrijwillig niet volledig hebben gebruikt.
39 Daar dit derde argument bijgevolg niet kan worden aanvaard, moet het middel betreffende de schending van het beginsel van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten in zijn geheel worden afgewezen.
Het middel: schending van algemene beginselen van het gemeenschapsrecht
40 Verzoekers stellen dat de Raad, door de bestreden verordening vast te stellen zonder hen in de verdeelsleutel te betrekken, het non-discriminatiebeginsel, neergelegd in artikel 7 EEG-Verdrag, heeft geschonden. Volgens de Portugese regering heeft de Raad eveneens de beginselen van evenredigheid, billijkheid en communautaire solidariteit geschonden.
41 De schending van het non-discriminatiebeginsel vloeit volgens de Portugese regering voornamelijk voort uit het feit dat de Portugese vloot van 1973-1977, dat wil zeggen ongeveer gedurende het referentietijdvak op basis waarvan de verdeelsleutel voor de Lid-Staten in 1983 is vastgesteld, in de wateren van Groenland gemiddeld dezelfde hoeveelheid kabeljauw heeft gevangen als de Bondsrepubliek Duitsland en bijna dertien maal zoveel als het Verenigd Koninkrijk.
42 De Spaanse regering betoogt ter zake, dat de nieuwe Lid-Staten, ofschoon zij na de toetreding de bevoegdheid om met derde landen visserijovereenkomsten te sluiten aan de Gemeenschap zijn kwijtgeraakt, uitgesloten blijven van de vangstmogelijkheden die de Gemeenschap verkrijgt door zelf die overeenkomsten met derde landen te sluiten; voorts hebben de andere Lid-Staten voordeel getrokken uit de visserijovereenkomsten die Spanje vóór de toetreding met derde landen had gesloten, terwijl Spanje uitgesloten blijft van de quota die de Gemeenschap verkrijgt op grond van overeenkomsten die zij in dezelfde periode heeft gesloten.
43 Ter zake zij opgemerkt, dat de situatie van verzoekers niet vergelijkbaar is met die van de andere Lid-Staten die bij de verdelingen in aanmerking zijn genomen, indien rekening wordt gehouden met hetgeen in de Toetredingsakte, zoals hiervoor beschreven, met betrekking tot de integratie van de nieuwe Lid-Staten in het gemeenschappelijk visserijbeleid, en meer in het bijzonder met betrekking tot de reeds bij de toetreding beschikbare en verdeelde externe visbestanden, is bepaald.
44 Voor zover de Toetredingsakte de bestaande situatie op het gebied van de verdeling van de externe visbestanden niet heeft gewijzigd, blijft het acquis communautaire van toepassing. Bijgevolg kunnen de nieuwe Lid-Staten zich niet beroepen op omstandigheden vóór de toetreding, waaronder met name hun visserijactiviteiten gedurende het referentietijdvak, om de toepassing van de betrokken bepalingen uit te sluiten. Sinds hun toetreding verkeren zij in dezelfde situatie als de Lid-Staten die van de verdelingen zijn uitgesloten op grond van het beginsel van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten, die ten aanzien van de vóór de toetreding gesloten overeenkomsten vaste vorm heeft gekregen in de verdeling van 1983. Hieraan wordt niet afgedaan door het feit, dat de nieuwe Lid-Staten door de toetreding de bevoegdheid verliezen om autonome overeenkomsten te sluiten, waardoor zij in dezelfde situatie verkeren als alle andere Lid-Staten, of door het feit dat zij geen tegenprestatie hebben ontvangen voor de externe bestanden die zij in de Gemeenschap hebben ingebracht.
45 Het middel betreffende de schending van het non-discriminatiebeginsel kan derhalve niet slagen.
46 Volgens de Portugese regering staat de weigering, vangstquota toe te kennen aan nieuwe Lid-Staten met oude en stevig verankerde visserijtradities in de wateren van Groenland, niet in verhouding tot het gestelde doel, namelijk de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten, op grond dat de belangen van de Portugese vloot in dat gebied aldus volledig worden opgeofferd.
47 Dit middel kan niet worden aanvaard. In tegenstelling tot hetgeen verzoeker verklaart, is de vóór de toetreding vastgestelde verdeelsleutel door de Toetredingsakte zelf niet gewijzigd, omdat die sleutel noodzakelijk en geschikt is om de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten van de rechthebbende Lid -Staten met betrekking tot de ten tijde van de toetreding reeds verdeelde bestanden te waarborgen. Elke uitbreiding van de verdeelsleutel zou die stabiliteit namelijk aantasten, zelfs bij positief uitvallende fluctuaties van de vangstmogelijkheden, daar deze op middellange termijn slechts negatieve fluctuaties compenseren, die beide aan de hand van de biologische ontwikkeling van de soorten kunnen worden vastgesteld.
48 De Portugese regering stelt ook schending van het billijkheidsbeginsel dat, ofschoon het niet precies samenvalt met het non-discriminatiebeginsel en het evenredigheidsbeginsel, een juiste afweging van de betrokken belangen verlangt. Dit beginsel komt niet in de plaats van het toepasselijke communautaire voorschrift, doch wettigt een tamelijk soepele uitlegging ervan. De gemeenschapsrechter dient het algemene billijkheidsvereiste tot uitdrukking te laten komen, door een soepele uitlegging van de nagestreefde stabiliteit.
49 Te dezen zij eraan herinnerd dat het Hof in voormeld arrest van 16 juni 1987 (Romkes) het vereiste van relatieve stabiliteit reeds heeft uitgelegd, en wel in die zin, dat het inhoudt, dat elke Lid-Staat bij deze verdeling steeds een vast percentage krijgt. De Portugese regering voert haar toetreding tot de Gemeenschap aan als rechtvaardiging voor de mogelijkheid en zelfs de noodzaak, om die uitlegging in het licht van deze gebeurtenis te wijzigen. Ook zij opgemerkt, dat de toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Gemeenschap geschiedt bij aktes die de rang van primair recht hebben en die op elk gebied van het gemeenschapsrecht de bestaande situaties kunnen wijzigen, daar het acquis communautaire de algemene regel is. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, heeft in het onderhavige geval de Toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek de materie van de externe visbestanden in dier voege geregeld, dat de betrokken verdeling ongemoeid is gelaten. In die omstandigheden kan de toetreding van verzoekers geen feit of omstandigheid opleveren die aanleiding kan zijn, voornoemde rechtspraak te wijzigen.
50 Bijgevolg moet dit middel worden afgewezen.
51 De Portugese regering betoogt ten slotte, dat de Raad inbreuk heeft gemaakt op het beginsel van de "communautaire solidariteit", dat uit artikel 5, lid 2, EEG-Verdrag moet worden afgeleid, in het bijzonder met betrekking tot de houding van de Lid-Staten in de Raad bij de vaststelling van de bestreden verordening.
52 Dit middel moet worden afgewezen. Bij artikel 5 EEG-Verdrag wordt namelijk een beginsel van loyale samenwerking vastgesteld in de betrekkingen tussen de Lid-Staten en de instellingen der Gemeenschap. Dit beginsel verplicht niet enkel de Lid-Staten alle dienstige maatregelen te nemen om de draagwijdte en de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht te waarborgen, maar het verlangt ook, dat de gemeenschapsinstellingen en de Lid-Staten over en weer loyaal samenwerken (zie beschikking van 13 juli 1990, zaak C-2/88 Imm., Zwartveld, Jurispr. 1990, blz. I-3365, r.o. 17).
53 De vaststelling van een wetgevende handeling door de Raad kan geen schending opleveren van de aan de Lid-Staten opgelegde verplichting, de draagwijdte en de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht te waarborgen, daar de verdediging van zijn belangen door elke Lid-Staat binnen de Raad kennelijk niet onder deze verplichting valt, noch een schending van de verplichting tot loyale samenwerking die op de Raad als instelling rust.
54 Mitsdien moet ook dit laatste middel worden afgewezen.
55 Uit voorgaande overwegingen volgt, dat de beroepen in hun geheel moeten worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
56 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij hoofdelijk in de kosten worden verwezen. Ingevolge artikel 69, lid 4, zullen de Commissie en de interveniërende Lid-Staten hun eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Verwerpt de beroepen.
2) Verwijst de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje in de kosten; verstaat dat de Commissie, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk hun eigen kosten zullen dragen.
Full & Egal Universal Law Academy