Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Producenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van premieregeling voor niet in handel brengen of omschakeling - Toekenning van specifieke referentiehoeveelheid - Aftrek van krachtens artikel 4, lid 1, sub c of b, van verordening nr. 857/84 toegekende extra referentiehoeveelheden
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, art. 3 bis, lid 2, tweede alinea, en art. 4, lid 1, sub b en c)
2. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Producenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van premieregeling voor niet in handel brengen of omschakeling - Personenvennootschap die hoedanigheid van producent heeft - Toekenning van specifieke referentiehoeveelheid aan sommige vennoten - Aftrek van aan vennootschap toegekende extra referentiehoeveelheid
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, art. 3 bis, lid 2, tweede alinea, art. 4, lid 1, sub c, en art. 12, sub c)
Samenvatting
1. Voor de vaststelling van de specifieke referentiehoeveelheden die krachtens artikel 3 bis van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, moeten worden toegekend aan bepaalde melkproducenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van de premieregeling voor het niet in de handel brengen of voor omschakeling, moet lid 2, tweede alinea, van dat artikel, volgens welke de specifieke referentiehoeveelheid onder meer wordt verminderd met eventueel krachtens artikel 4, lid 1, sub b en c, van die verordening toegewezen extra referentiehoeveelheden, aldus worden uitgelegd, dat het zowel betrekking heeft op producenten die een referentiehoeveelheid krachtens artikel 4, lid 1, sub b, hebben verkregen, als op degenen die een referentiehoeveelheid hebben verkregen krachtens artikel 4, lid 1, sub c. Wanneer een producent een extra referentiehoeveelheid heeft verworven krachtens een nationale regeling waarbij uitvoering wordt gegeven aan artikel 4, lid 1, sub c, van die verordening, doch niet aan artikel 4, lid 1, sub b, moet deze hoeveelheid dan ook in mindering worden gebracht op een krachtens genoemd artikel 3 bis verworven specifieke referentiehoeveelheid.
Deze uitlegging ligt voor de hand, gelet op het doel van de bij artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, gestelde anti-cumulatieregel, namelijk de ongerechtvaardigde verrijking van producenten te voorkomen die zou resulteren uit de toekenning van twee referentiehoeveelheden voor dezelfde produktie. Dat doel zou immers niet worden bereikt, indien de aftrek van extra referentiehoeveelheden beperkt zou blijven tot het geval dat de producent een dergelijke hoeveelheid zowel krachtens artikel 4, lid 1, sub b, als krachtens artikel 4, lid 1, sub c, heeft verkregen.
2. Het stelsel van de extra heffing op melk berust op het beginsel, dat referentiehoeveelheden worden toegewezen aan producenten, dat wil zeggen - gelet op de definities in artikel 12, sub c en d, van verordening nr. 857/84 - aan de persoon of groepering van personen die op een bepaald moment een bedrijf exploiteert. Dit beginsel impliceert, dat de anti-cumulatieregeling van artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, van die verordening, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, van toepassing is op alle gevallen waarin de producent die het bedrijf exploiteert op het tijdstip dat krachtens artikel 3 bis een specifieke referentiehoeveelheid wordt toegewezen, tevens over een eerder krachtens artikel 4, lid 1, sub c, aan het bedrijf toegewezen referentiehoeveelheid beschikt.
Mitsdien moet artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, aldus worden uitgelegd, dat wanneer krachtens artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 857/84 een specifieke referentiehoeveelheid is toegewezen aan een uit meerdere personen bestaande maatschap en bovendien voor hetzelfde bedrijf een specifieke referentiehoeveelheid krachtens artikel 3 bis is toegewezen aan slechts enkele leden van die maatschap, die de hoedanigheid van producent heeft, de eerstbedoelde referentiehoeveelheid volledig in mindering moet worden gebracht op de laatstbedoelde.
Partijen
In zaak C-84/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, te Londen, in het aldaar aanhangig geding tussen
Regina
en
Ministry of Agriculture, Fisheries and Food
ex parte: John J. Dent en Mary A. Dent,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3 bis, lid 2, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 (PB 1989, L 84, blz. 2),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: F. Grévisse, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- J. J. Dent en M. A. Dent, vertegenwoordigd door R. Gordon, Barrister te Londen, geïnstrueerd door Messrs Cartmell Shepherd, Solicitors te Carlisle;
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R. Caudwell van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door S. Richards, Barrister te Londen;
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen,vertegenwoordigd door P. Oliver, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde;
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. Collins, als gemachtigde, J. J. Dent en M. A. Dent en de Commissie ter terechtzitting van 22 oktober 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 november 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 21 februari 1990, ingekomen bij het Hof op 22 maart daaraanvolgend, heeft de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 3 bis, lid 2, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 (PB 1989, L 84, blz. 2).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de melkveehouders John J. Dent en Mary A. Dent en het Ministry of Agriculture, Fisheries and Food, betreffende een referentiehoeveelheid overeenkomstig het stelsel van de extra heffing op melk.
3 Op 31 januari 1980 dienden de echtelieden Dent, die op dat tijdstip als maatschap hun landbouwbedrijf exploiteerden, een aanvraag in om toelating tot de omschakelingsregeling, ingesteld bij verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB 1977, L 131, blz. 1). Nadat hun aanvraag was ingewilligd, verbonden zij zich ertoe, de levering van melk van hun bedrijf stop te zetten gedurende een periode van vier jaar, eindigend op 30 april 1984. Op 6 april 1980 trad hun zoon, Michael J. Dent, toe tot de gezinsmaatschap.
4 Aan het einde van de omschakelingsperiode werd aan de maatschap, bestaande uit de echtelieden Dent en hun zoon, wegens "buitengewone tegenslag" een melkquotum van 873 600 liter toegewezen krachtens de nationale regeling ter uitvoering van artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 857/84. Volgens deze bepaling kunnen de Lid-Staten "aan producenten die de landbouw als hoofdberoep beoefenen, een extra referentiehoeveelheid toekennen (...)".
5 Na de inwerkingtreding van wijzigingsverordening nr. 764/89 en op een door John J. Dent namens de gezinsmaatschap ingediende aanvraag, werd aan de echtelieden Dent krachtens artikel 3 bis van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd, ook een specifieke referentiehoeveelheid van 965 693 liter toegewezen. Overeenkomstig artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, werd deze hoeveelheid echter verminderd met het tegenslagquotum, zodat de daadwerkelijk toegewezen extra referentiehoeveelheid 92 093 liter bedroeg. Artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, bepaalt: "Indien de producent een referentiehoeveelheid heeft verkregen krachtens artikel 3, punten 1 en 2, en/of artikel 4, lid 1 onder b en c, wordt de in de eerste alinea van het onderhavige lid bedoelde specifieke referentiehoeveelheid verminderd met deze hoeveelheid."
6 De echtelieden Dent betwisten het besluit waarbij hun een specifieke referentiehoeveelheid is toegewezen, voor zover die hoeveelheid met het tegenslagquotum is verminderd.
7 Onder deze omstandigheden heeft de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, waarbij de zaak was aangebracht, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Moet artikel 3 bis, lid 2 , tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 [toegevoegd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van 20 maart 1989] aldus worden uitgelegd, dat de specifieke referentiehoeveelheid bedoeld in de eerste alinea van dat lid, moet worden verminderd met een referentiehoeveelheid die de producent heeft verworven ingevolge een nationale regeling (in casu paragraaf 17 van bijlage 2 bij de Dairy Produce Quotas Regulations 1984) die enkel uitvoering geeft aan artikel 4, lid 1, sub c, en niet aan artikel 4, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 857/84?
2) Moet artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 857/84 [toegevoegd bij verordening (EEG) nr. 764/89], gelet op de definitie van producent in artikel 12, sub c, van verordening (EEG) nr. 857/84, aldus worden uitgelegd, dat wanneer een specifieke referentiehoeveelheid wordt toegewezen aan twee personen (in casu een echtpaar) die hun bedrijf bewerken in een maatschap met een derde persoon (in casu hun zoon), die speciale referentiehoeveelheid moet worden verminderd met een voor hetzelfde bedrijf toegekende referentiehoeveelheid (of een gedeelte daarvan) toegekend voor hetzelfde bedrijf, die overigens onder genoemde alinea valt, maar verworven werd door die drie personen als maatschap?"
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de toepasselijke gemeenschapsregeling, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste vraag
9 Met de eerste vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer een producent een referentiehoeveelheid heeft verkregen krachtens een nationale regeling waarbij uitvoering wordt gegeven aan artikel 4, lid 1, sub c, van de verordening, maar niet aan artikel 4, lid 1, sub b, deze referentiehoeveelheid in mindering moet worden gebracht op een krachtens artikel 3 bis verkregen specifieke referentiehoeveelheid.
10 Verzoekers in het hoofdgeding stellen in dit verband, dat het woord "en" in "artikel 4, lid 1, onder b, en c" in artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd, een cumulatieve betekenis heeft, en geen alternatieve. Daaruit zou volgen, dat bedoelde vermindering enkel kan plaatshebben wanneer de betrokken referentiehoeveelheid zowel krachtens artikel 4, lid 1, sub b, als krachtens artikel 4, lid 1, sub c, is toegewezen.
11 Dit standpunt kan niet worden aanvaard. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, beoogt de anti-cumulatieregeling van artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, ongerechtvaardigde verrijking te voorkomen van producenten aan wie anders voor dezelfde produktie twee referentiehoeveelheden zouden kunnen worden toegewezen. Dit doel zou niet ten volle worden bereikt indien de anti-cumulatieregeling in een zaak als die welke bij de nationale rechter aanhangig is, niet kon worden toegepast. Een producent zou dan een referentiehoeveelheid krachtens artikel 4, lid 1, sub b, of artikel 4, lid 1, sub c, en tevens, zonder enige aftrek, een specifieke referentiehoeveelheid krachtens artikel 3 bis kunnen verkrijgen en daarmee een ongerechtvaardigd voordeel in strijd met het doel van de regeling.
12 Om volle werking te kunnen hebben, moet artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, bijgevolg aldus worden uitgelegd, dat het zowel betrekking heeft op producenten die een referentiehoeveelheid krachtens artikel 4, lid 1, sub b, hebben verkregen, als op degenen die een referentiehoeveelheid hebben verkregen krachtens artikel 4, lid 1, sub c. Deze conclusie ligt te meer voor de hand, omdat de tenuitvoerlegging van artikel 4, lid 1, sub b en c, ter vrije keuze van de Lid-Staten staat en de door verzoekers in het hoofdgeding verdedigde uitlegging ertoe zou leiden, dat de anti-cumulatieregeling niet van toepassing is in een Lid-Staat die, zoals het Verenigd Koninkrijk, slechts aan één van genoemde mogelijkheden (in casu die van artikel 4, lid 1, sub c) uitvoering heeft gegeven.
13 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer een producent een referentiehoeveelheid heeft verworven krachtens een nationale regeling waarbij uitvoering wordt gegeven aan artikel 4, lid 1, sub c, van die verordening, doch niet aan artikel 4, lid 1, sub b, deze referentiehoeveelheid in mindering moet worden gebracht op een krachtens genoemd artikel 3 bis verworven specifieke referentiehoeveelheid.
De tweede vraag
14 Gelet op het antwoord op de eerste vraag strekt de tweede vraag er in wezen toe te vernemen, of artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer krachtens artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 857/84 een referentiehoeveelheid is toegewezen aan een uit meerdere personen bestaande maatschap, en voor hetzelfde bedrijf een specifieke referentiehoeveelheid krachtens genoemd artikel 3 bis is toegewezen aan slechts enkele leden van die maatschap, die de hoedanigheid heeft van producent in de zin van artikel 12, sub c, van verordening nr. 857/84, eerstbedoelde referentiehoeveelheid volledig in mindering moet worden gebracht op laatstbedoelde referentiehoeveelheid.
15 Verzoekers in het hoofdgeding betogen, dat aangezien de betrokken specifieke referentiehoeveelheid aan hen alleen, dat wil zeggen aan twee personen, is toegewezen en het tegenslagquotum aan de uit drie personen bestaande maatschap, deze twee hoeveelheden aan verschillende producenten zijn toegewezen. Het tegenslagquotum zou dan ook niet van de specifieke referentiehoeveelheid mogen worden afgetrokken. Subsidiair stellen zij, dat slechts tweederde van het tegenslagquotum mag worden afgetrokken, daar slechts dat deel van het quotum kan worden toegerekend aan degenen die de specifieke referentiehoeveelheid hebben verworven.
16 Hiertegenover betoogt het Verenigd Koninkrijk, dat hoewel de specifieke referentiehoeveelheid formeel enkel aan verzoekers in het hoofdgeding is toegewezen, zij rechtens moet worden geacht toe te behoren aan de uit drie personen bestaande maatschap die op het tijdstip van de toewijzing het bedrijf exploiteerde. Doch zelfs indien de twee betrokken hoeveelheden aan verschillende producenten waren toegewezen, zou het tegenslaquotum volledig van de specifieke referentiehoeveelheid moeten worden afgetrokken, aangezien het betrokken bedrijf op het tijdstip van toewijzing van beide hoeveelheden door dezelfde groep personen werd geëxploiteerd.
17 De opvatting van het Verenigd Koninkrijk moet in essentie worden aanvaard. Het stelsel van de extra heffing berust op het beginsel, dat referentiehoeveelheden worden toegewezen aan producenten, dat wil zeggen - gelet op de definities in artikel 12, sub c en d, van verordening nr. 857/84 - aan de persoon of groepering van personen die op een bepaald moment een bedrijf exploiteert.
18 Dit beginsel, dat onder meer tot uitdrukking komt in de regel van artikel 7 van verordening nr. 857/84, volgens welke bij wijziging van de producent de referentiehoeveelheid van het bedrijf wordt overgedragen aan de persoon of groepering van personen die het bedrijf overneemt, impliceert dat de anti-cumulatieregeling van artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, van toepassing is op alle gevallen waarin de producent die het bedrijf exploiteert op het tijdstip dat krachtens artikel 3 bis een specifieke referentiehoeveelheid wordt toegewezen, tevens over een eerder krachtens artikel 4, lid 1, sub c, aan het bedrijf toegewezen referentiehoeveelheid beschikt.
19 Die anti-cumulatieregeling is derhalve met name van toepassing in het geval dat de samenstelling van een maatschap is gewijzigd en het betrokken bedrijf zowel op het tijdstip van toewijzing van de referentiehoeveelheid krachtens artikel 4, lid 1, sub c, als op dat van toewijzing van de specifieke referentiehoeveelheid krachtens artikel 3 bis wordt geëxploiteerd door die maatschap, die producent is in de zin van artikel 12, sub c, van verordening nr. 857/84.
20 De toepasselijkheid van de anti-cumulatieregeling van artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, wordt dus zeker niet beïnvloed door het feit, dat een specifieke referentiehoeveelheid bij vergissing is toegewezen aan slechts enkele leden van een maatschap die producent is in de zin van artikel 12, sub c, van verordening nr. 857/84, terwijl die hoeveelheid overeenkomstig de bovenvermelde criteria aan de maatschap als zodanig had moeten worden toegewezen.
21 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer krachtens artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 857/84 een specifieke referentiehoeveelheid is toegewezen aan een uit meerdere personen bestaande maatschap en bovendien voor hetzelfde bedrijf een specifieke referentiehoeveelheid krachtens genoemd artikel 3 bis is toegewezen aan slechts enkele leden van die maatschap, die de hoedanigheid heeft van producent in de zin van artikel 12, sub c, van verordening nr. 857/84, eerstbedoelde referentiehoeveelheid volledig in mindering moet worden gebracht op laatstbedoelde referentiehoeveelheid.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, bij beschikking van 21 februari 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een producent een referentiehoeveelheid heeft verworven krachtens een nationale regeling waarbij uitvoering wordt gegeven aan artikel 4, lid 1, sub c, van deze verordening, doch niet aan artikel 4, lid 1, sub b, deze referentiehoeveelheid in mindering moet worden gebracht op een krachtens genoemd artikel 3 bis verworven specifieke referentiehoeveelheid.
2) Artikel 3 bis, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer krachtens artikel 4, lid 1, sub c, van verordening (EEG) nr. 857/84 een specifieke referentiehoeveelheid is toegewezen aan een uit meerdere personen bestaande maatschap en bovendien voor hetzelfde bedrijf een specifieke referentiehoeveelheid krachtens genoemd artikel 3 bis is toegewezen aan slechts enkele leden van die maatschap, die de hoedanigheid heeft van producent in de zin van artikel 12, sub c, van verordening (EEG) nr. 857/84, eerstbedoelde referentiehoeveelheid volledig in mindering moet worden gebracht op laatstbedoelde referentiehoeveelheid
Full & Egal Universal Law Academy