Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Bij voorrang in aanmerking te nemen factor - Prijs in kader van normale handelstransacties - Gebruik van andere factoren - Voorwaarden - Geen verkopen in kader van normale handelstransacties of die bruikbare vergelijking mogelijk maken op binnenlandse markt - Normale handelstransacties - Verkopen die bruikbare vergelijking mogelijk maken - Begrip - Representativiteitsdrempel voor verkopen op binnenlandse markt
(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 2, lid 3, sub a en b)
2. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Prijs in kader van normale handelstransacties - Beëindiging van produktie van op binnenlandse markt verkochte modellen - Geen invloed op berekening van normale waarde
(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 2, lid 3, sub a en b)
3. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Wijze van vaststelling van aangenomen waarde - Overeenstemming van bepalingen van anti-dumpingbasisverordening met anti-dumpingcode van GATT
(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 2, lid 3, sub b-ii; overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, de "anti-dumpingcode van 1979", art. 2, lid 4)
4. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Gebruik van aangenomen waarde - Rangorde van verschillende berekeningsmethoden - Berekening winstmarge - Berekening in eerste instantie op basis van winst van producent of exporteur op winstgevende verkopen van soortgelijke produkten op binnenlandse markt - Rechtvaardiging - Inaanmerkingneming van specifieke kenmerken van betrokken onderneming
(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 2, lid 3, sub b-ii)
5. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Gebruik van aangenomen waarde - Winstmarge - Exportverkopen aan Original Equipment Manufacturers (OEM' s) - Geen vergelijkbare verkopen op binnenlandse markt - Vaststelling op redelijke grondslag - Berekening op basis van percentage van door onderneming op binnenlandse verkopen van merkprodukten behaalde winst - Wettigheid
(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 2, lid 3, sub b-ii)
Samenvatting
1. Volgens de bewoordingen en de opbouw van artikel 2, lid 3, sub a, van anti-dumpingbasisverordening nr. 2423/88 moet bij de vaststelling van de normale waarde in de eerste plaats rekening worden gehouden met de prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald. Blijkens artikel 2, lid 3, sub b, van de basisverordening mag immers van dit beginsel slechts worden afgeweken, wanneer geen verkopen van soortgelijke produkten in het kader van normale handelstransacties plaatsvinden, of indien deze verkopen geen bruikbare vergelijking mogelijk maken.
Het in voormeld artikel bedoelde begrip normale handelstransacties heeft betrekking op de aard van de verkopen als zodanig. Het moet dienen om bij de vaststelling van de normale waarde die situaties buiten beschouwing te laten, waarin de verkopen op de binnenlandse markt niet tot stand komen in het kader van normale handelstransacties, met name wanneer een produkt wordt verkocht tegen prijzen beneden de produktiekosten of wanneer transacties plaatsvinden tussen partijen die geassocieerd zijn of een compensatieregeling toepassen.
Het vereiste dat de verkopen op de binnenlandse markt een bruikbare vergelijking mogelijk moeten maken, betreft de vraag, of die verkopen voldoende representatief zijn om als basis voor de vaststelling van de normale waarde te dienen. Daartoe moeten de transacties op de binnenlandse markt het normale gedrag van de kopers weerspiegelen en voortspruiten uit een normale prijsvorming.
De Raad en de Commissie gaan er in de regel van uit, dat aan dit vereiste is voldaan wanneer de betrokken producent op de binnenlandse markt meer dan 5 % van de exporten naar de Gemeenschap afzet. Die praktijk verschaft de betrokken producenten een zekere mate van rechtszekerheid ten aanzien van de wijze waarop de gemeenschapsinstellingen de representativiteit van de verkopen op de binnenlandse markt beoordelen. Met het oog daarop dient het 5 %-criterium te worden gehandhaafd en mag er enkel in uitzonderlijke omstandigheden van worden afgeweken.
Dergelijke omstandigheden kunnen zich voordoen, wanneer de totale omvang van de verkopen op de binnenlandse markt niet groot genoeg is om ervoor te zorgen, dat de verkoopprijzen tot stand komen door de wet van vraag en aanbod.
Daarentegen volstaat een in absolute termen gering verkoopvolume op zichzelf niet als rechtvaardiging voor een afwijking van de 5 %-regel. Door een afwijking van de 5 %-regel op grond van de bijzonderheden van ieder afzonderlijk toe te staan, zou men de rechtszekerheid in gevaar brengen die deze regel juist beoogt te waarborgen.
2. De stopzetting van de produktie van de op de binnenlandse markt verkochte modellen is in beginsel niet van invloed op de berekening van de normale waarde, daar artikel 2, lid 3, sub b, van anti-dumpingbasisverordening nr. 2423/88 alleen aan de verkopen refereert.
3. Artikel 2, lid 3, sub b-ii, van anti-dumpingbasisverordening nr. 2423/88 is in overeenstemming met artikel 2, lid 4, van de anti-dumpingcode van de GATT, aangezien die bepaling niet meer doet dan - zonder tegen de geest van laatstgenoemde bepaling in te gaan - voor de verschillende situaties die zich in de praktijk kunnen voordoen, de redelijke methoden aan te geven voor de berekening van de aangenomen normale waarde van het produkt waarvan wordt gezegd dat het tegen dumpingprijzen naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd.
Het in algemene bewoordingen gestelde artikel 2, lid 4, van de anti-dumpingcode preciseert immers niet, of de winst die gewoonlijk wordt behaald bij verkopen van produkten van dezelfde algemene soort op de binnenlandse markt van het land van oorsprong, betrekking heeft op de door de betrokken exporteur behaalde winst dan wel op de gemiddelde winst van alle producenten op de binnenlandse markt.
4. De drie in artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening neergelegde methodes voor de berekening van de aangenomen normale waarde moeten worden toegepast in de volgorde waarin zij in anti-dumpingbasisverordening nr. 2423/88 voorkomen.
De winstmarge moet dus bij voorrang worden berekend aan de hand van de door de producent bij de winstgevende verkopen van soortgelijke produkten op de binnenlandse markt geboekte winst. Enkel indien de gegevens ontbreken, onbetrouwbaar of onbruikbaar zijn, moet de winstmarge op basis van de door andere producenten op de verkopen van een soortgelijk produkt behaalde winst worden berekend.
Door aldus voorrang toe te kennen aan het gebruik van de gegevens betreffende de betrokken individuele producent, beoogt voormeld artikel 2, lid 3, sub b-ii, te waarborgen dat de aangenomen normale waarde zo nauw mogelijk aansluit bij de situatie die zou hebben bestaan indien de producent het betrokken produkt inderdaad in voldoende hoeveelheden op de binnenlandse markt had verkocht. Deze bepaling garandeert dus, dat elke onderneming op basis van haar eigen specifieke kenmerken wordt beoordeeld.
Tot die kenmerken behoort het prijsbeleid van de betrokken producent op de binnenlandse markt. De gegevens betreffende de met een dergelijk beleid behaalde winsten mogen niet worden genegeerd op de enkele grond dat de winstmarge bijzonder hoog is in vergelijking met de winst van andere producenten op die markt.
5. Wanneer geen enkele vreemde producent of exporteur zijn produkten op de binnenlandse markt aan Original Equipment Manufacturers (OEM' s) verkoopt, wordt de winstmarge voor in de Gemeenschap aan OEM-kopers verkochte produkten op redelijke wijze in de zin van artikel 2, lid 3, sub b-ii, laatste zin, van anti-dumpingverordening nr. 2423/88 vastgesteld door ze te bepalen op basis van een percentage van de winst die de betrokken onderneming op de verkoop van merkprodukten op de binnenlandse markt behaalt, en niet op basis van een verwijzing naar een eenvormige gemiddelde waarde, berekend uitgaande van de winstmarges van alle betrokken producenten op hun verkopen van merkprodukten.
De OEM-verkopen en de traditionele verkopen van merkprodukten zijn immers twee mogelijkheden voor de afzet van de produktie van een zelfde fabrikant. De keuze van de ene of de andere mogelijkheid wordt gemaakt aan de hand van identieke rentabiliteitscriteria die specifiek zijn voor de betrokken onderneming.
Er bestaat dus noodzakelijkerwijs een verband tussen de OEM-verkopen en de verkopen van merkprodukten, zodat de winstmarge voor de OEM-verkopen redelijkerwijs op basis van de winstmarge voor de verkopen van merkprodukten mag worden vastgesteld.
Aangezien de aangenomen normale waarde dient om te kunnen vaststellen wat de verkoopprijs van een produkt zou zijn geweest indien dit produkt op de binnenlandse markt werd verkocht, is het gebruik van de gegevens betreffende de betrokken individuele producent daartoe de meest geschikte manier, in het bijzonder wanneer deze gegevens aanzienlijk verschillen van die betreffende de andere producenten.
Wanneer de winstmarges op de verkopen van merkprodukten aanzienlijk uiteenlopen, is de toepassing van een uniforme marge voor alle betrokken producenten, die gelijk is aan het gemiddelde van alle winstmarges door alle producenten op die produkten behaald, in strijd met die doelstelling. Immers, op de producent die een kleine marge heeft behaald, zou een hogere gemiddelde marge worden toegepast, terwijl de producent met een hoge reële marge zou profiteren van een lagere gemiddelde marge.
Partijen
In zaak C-105/90,
Goldstar Co. Ltd, te Seoul (Zuid-Korea), vertegenwoordigd door M. Byrne, Solicitor, bijgestaan door S. O. Spinks, van het kantoor Coudert Frères, Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het kantoor Arendt & Medernach, advocaten aldaar, Avenue Marie-Thérèse 4,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H.-J. Lambers, directeur van de juridische dienst, en E. H. Stein, juridisch adviseur, als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Rabe, van het kantoor Schoen en Pflueger, te Hamburg en te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J. Kaeser, directeur van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100, Kirchberg,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. White, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, vertegenwoordiger van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënte,
en door
Committee of Mechoptronics Producers and Connected Technologies, vereniging naar Nederlands recht, gevestigd te Eindhoven (Nederland), vertegenwoordigd door D. Ehle en V. Schiller, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Loesch en Wolter, advocaten aldaar, Rue Zithe 8,
interveniënt,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 112/90 van de Raad van 16 januari 1990 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde compact-discspelers van oorsprong uit Japan en de Republiek Korea en tot definitieve inning van het voorlopige recht (PB 1990, L 13, blz. 21),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn en G. F. Mancini, rechters,
advocaat-generaal: W. van Gerven
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 25 september 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 november 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 17 april 1990, heeft Goldstar Co. Ltd, gevestigd te Seoul, krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 112/90 van de Raad van 16 januari 1990 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde compact-discspelers van oorsprong uit Japan en de Republiek Korea en tot definitieve inning van het voorlopige recht (PB 1990, L 13, blz. 21), voor zover deze verordening verzoekster raakt.
2 Goldstar behoort tot de Zuidkoreaanse groep Lucky Goldstar en fabriceert elektrische en elektronische produkten, die zij zowel op de Koreaanse markt als op vreemde markten verkoopt. In juni 1987 diende een vereniging van Europese producenten van compact-discspelers, het Committee of Mechoptronics Producers and Connected Technologies (hierna "Compact"), bij de Commissie een klacht in tegen Goldstar, waarin zij deze onderneming ervan beschuldigde, haar produkten in de Gemeenschap tegen dumpingprijzen te verkopen.
3 De door de Commissie op basis van verordening (EEG) nr. 2423/88 van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1988, L 209, blz. 1, hierna "de basisverordening") ingeleide anti-dumpingprocedure leidde aanvankelijk tot de oplegging aan Goldstar van een voorlopig anti-dumpingrecht van 32,5 % van de nettoprijs franco grens Gemeenschap vóór betaling van douanerechten. Vervolgens stelde de Raad op voorstel van de Commissie bij verordening nr. 112/90 een definitief anti-dumpingrecht vast van 26,1 %, waartegen Goldstar het onderhavige beroep heeft ingesteld.
4 Het onderzoek naar de dumpingpraktijken had betrekking op de periode 1 juni 1986 tot 31 mei 1987 (hierna "de referentieperiode"), tijdens welke Goldstar in Korea en in de Gemeenschap vijf modellen compact-discspelers verkocht. Het ging om de modellen GCD 613 en GCD 616, die Goldstar in Korea onder haar eigen merknaam verdeelde en die zij in de Gemeenschap zowel onder haar eigen merknaam als aan Original Equipment Manufacturers (hierna "OEM' s") verkocht, alsmede om de modellen GCD 603, GCD 605 en GCD 606, waarvan de produktie in 1985 werd stopgezet. Alle spelers van deze modellen die tijdens de referentieperiode in de Gemeenschap werden verkocht, waren vóór 1 juni 1986 naar de Gemeenschap uitgevoerd.
5 De Commissie en de Raad gebruikten drie methodes om de normale waarde van de vijf modellen vast te stellen. Volgens de eerste methode werd de normale waarde vastgesteld op basis van het gewogen gemiddelde van de binnenlandse prijzen voor alle verkopen aan onafhankelijke afnemers. Deze methode werd gevolgd voor de modellen GCD 603, GCD 605, GCD 606, GCD 616, waarvan de verkopen op de Koreaanse markt meer dan 5 % van de exporten van die modellen naar de Gemeenschap bedroegen.
6 De tweede methode werd gebruikt voor het model GCD 613, waarvan de verkopen op de Koreaanse markt minder dan 5 % van de exporten naar de Gemeenschap bedroegen. Volgens deze methode werd de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening. Voor de vaststelling van de aangenomen waarde werd uitgegaan van de gewogen gemiddelden van de door Goldstar in verband met de verkoop op de Koreaanse markt van de modellen GCD 603, GCD 605, GCD 606 en GCD 616 gemaakte kosten en behaalde winst.
7 De derde methode werd toegepast voor de modellen GCD 613 en GCD 616 die Goldstar in de Gemeenschap aan OEM' s had verkocht. Hier werd gewerkt met een aangenomen normale waarde, daar verkopen op de Koreaanse markt niet hadden plaatsgevonden. Deze aangenomen waarde werd berekend op basis van dezelfde cijfers als die gebruikt in de tweede methode, met uitzondering van de winstcijfers. Voor de verkopen aan OEM' s werden de winsten geraamd op 30 % van de winsten op verkopen onder het merk Goldstar.
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
9 Tot staving van haar beroep voert Goldstar drie middelen aan, die respectievelijk betrekking hebben op de drie door de Raad ter vaststelling van de normale waarde gevolgde methoden.
Het middel betreffende de verkopen die plaatsvonden in het kader van normale handelstransacties of die een bruikbare vergelijking mogelijk maken
10 Goldstar betoogt, dat de Raad artikel 2, lid 3, sub b, van de basisverordening heeft geschonden, door ervan uit te gaan, dat de modellen GCD 603, GCD 605, GCD 606 en GCD 616 in Korea in het kader van normale handelstransacties werden verkocht en dat die verkopen een bruikbare vergelijking mogelijk maakten. Haars inziens had de normale waarde van die modellen op een aangenomen waarde moeten zijn gebaseerd, en niet op de prijzen op die markt. Tot staving van deze stelling voert zij in wezen twee argumenten aan.
11 Om te beginnen stelt Goldstar, dat de begrippen normale handelstransacties en bruikbare vergelijking een voldoende verkoopvolume in absolute termen op een representatieve binnenlandse markt veronderstellen. De Raad heeft dit vereiste in twee opzichten miskend. Enerzijds heeft hij het verkoopvolume enkel in relatieve termen beoordeeld, door de zogenoemde "5 %-regel" toe te passen, waarbij het verkoopvolume op de binnenlandse markt in een percentage van de exporten naar de Gemeenschap wordt uitgedrukt. Anderzijds heeft hij geen rekening gehouden met de kenmerken en de omvang van de Koreaanse markt voor compact-discspelers, waarop tijdens de referentieperiode slechts 5 000 exemplaren werden verkocht.
12 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat volgens de bewoordingen en de opbouw van artikel 2, lid 3, sub a, van de basisverordening bij de vaststelling van de normale waarde in de eerste plaats rekening moet worden gehouden met de prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald (zie het arrest van 5 oktober 1988, gevoegde zaken 277/85 en 300/85, Canon, Jurispr. 1988, blz. 5731, r.o. 11). Blijkens artikel 2, lid 3, sub b, van de basisverordening mag van dit beginsel slechts worden afgeweken, wanneer geen verkoop van een soortgelijk produkt in het kader van normale handelstransacties plaatsvindt, of indien dergelijke verkopen geen bruikbare vergelijking mogelijk maken.
13 Het begrip normale handelstransacties heeft betrekking op de aard van de verkopen als zodanig. Het moet dienen om bij de vaststelling van de normale waarde die situaties buiten beschouwing te laten, waarin de verkopen op de binnenlandse markt niet tot stand komen in het kader van normale handelstransacties, met name wanneer een produkt wordt verkocht tegen prijzen beneden de produktiekosten of wanneer transacties plaatsvinden tussen partijen die geassocieerd zijn of een compensatieregeling toepassen.
14 Goldstar heeft nooit gesteld, dat zij gedurende de referentieperiode op de binnenlandse markt compact-discspelers heeft verkocht tegen voorwaarden die niet pasten in het kader van normale handelstransacties.
15 Bijgevolg moet worden nagegaan, of de verkopen op de binnenlandse markt een bruikbare vergelijking mogelijk maakten. Daarbij gaat het om de vraag, of die verkopen voldoende representatief waren om als basis voor de vaststelling van de normale waarde te dienen. Daartoe moeten de transacties op de binnenlandse markt het normale gedrag van de kopers weerspiegelen en voortspruiten uit een normale prijsvorming.
16 De Raad en de Commissie gaan er in de regel van uit, dat aan dit vereiste is voldaan wanneer de betrokken producent op de binnenlandse markt meer dan 5 % van de exporten naar de Gemeenschap afzet. In het onderhavige geval was de Raad van oordeel, dat de verkopen op de binnenlandse markt inderdaad meer dan 5 % van de exporten naar de Gemeenschap bedroegen en dat er dus geen reden was om van de dienaangaande gevolgde praktijk af te wijken.
17 Met betrekking tot die praktijk moet worden vastgesteld, dat zij de betrokken producenten een zekere mate van rechtszekerheid verschaft ten aanzien van de wijze waarop de gemeenschapsinstellingen de representativiteit van de verkopen op de binnenlandse markt beoordelen. Met het oog daarop dient het criterium van de 5 % te worden gehandhaafd en mag er enkel in uitzonderlijke omstandigheden worden van afgeweken.
18 Dergelijke omstandigheden kunnen zich voordoen, wanneer de totale omvang van de verkopen op de binnenlandse markt niet groot genoeg is om ervoor te zorgen dat de verkoopprijzen worden gevormd door de wet van vraag en aanbod. Dienaangaande betoogt Goldstar, dat gedurende de referentieperiode in totaal slechts 5 000 compact-discspelers werden verkocht en dat dit verkoopvolume niet groot genoeg is.
19 Bij de beoordeling van die stelling moet er rekening mee worden gehouden, dat de markten voor elektrische en elektronische apparatuur zich in het algemeen ontwikkelen in verscheidene stadia, waarin de omvang van de verkopen geleidelijk toeneemt met een parallelle dalende tendens van de prijzen. In elk stadium leidt het spel van vraag en aanbod tot een verschillend prijsniveau. Zo gaan betrekkelijke geringe verkopen in het beginstadium in de regel gepaard met een betrekkelijk hoog prijsniveau.
20 Gedurende de referentieperiode werd de Koreaanse markt gekenmerkt door een betrekkelijk klein verkoopvolume en een betrekkelijk stabiel prijsniveau.
21 Gelet op het voorafgaande mocht de Raad aannemen, dat een totaal van 5 000 verkochte exemplaren volstond om van een normale prijsvorming op de Koreaanse markt te kunnen spreken en dat het niet nodig was van de 5 %-regel af te wijken. Voorts vertegenwoordigt het cijfer van 5 000 exemplaren een aanzienlijk percentage van de exporten van Koreaanse compact-discspelers naar de Gemeenschap tijdens de referentieperiode, namelijk 14 %.
22 Een andere uitzonderlijke factor die Goldstar ter rechtvaardiging van een afwijking van de 5 %-regel aanvoert is de zeer geringe omvang van de verkopen op de Koreaanse markt in absolute termen. Met betrekking tot dit argument moet worden opgemerkt, dat het verkoopvolume in absolute termen van de ene economische sector tot de andere kan verschillen. Daardoor is het onmogelijk, een algemeen geldende absolute minimumdrempel vast te stellen waaronder de verkopen op de binnenlandse markt geen bruikbare vergelijking meer mogelijk zouden maken. Het verkoopvolume in absolute termen kan dus alleen worden beoordeeld aan de hand van de bijzonderheden van ieder afzonderlijk geval.
23 Door een afwijking van de 5 %-regel op grond van de bijzonderheden van ieder afzonderlijk toe te staan, zou men echter de rechtszekerheid in gevaar brengen die deze regel juist beoogt te waarborgen ten aanzien van de beoordeling van de vraag, of de verkopen van een exporteur op zijn binnenlandse markt representatief zijn. Een in absolute termen gering verkoopvolume volstaat op zichzelf dus niet als rechtvaardiging voor een afwijking van de 5 %-regel.
24 Bovendien was het marktaandeel dat Goldstar tijdens de referentieperiode op de Koreaanse markt voor compact-discspelers bezat, zeker niet onaanzienlijk. Het bedroeg meer dan 5 % van alle verkopen op die markt.
25 De Raad heeft derhalve terecht geoordeeld, dat het aantal door Goldstar op de Koreaanse markt verkochte compact-discspelers en de totale omvang van die markt geen afwijking van de 5 %-regel rechtvaardigen.
26 In de tweede plaats betoogt Goldstar, dat zij de produktie van de modellen GCD 603, GCD 605 en GCD 606 in 1985, dus vóór de referentieperiode, heeft stopgezet. De prijs waartegen deze verouderde modellen tijdens de referentieperiode op de binnenlandse markt werden verkocht, maakte dus geen bruikbare vergelijking mogelijk.
27 Dienaangaande kan worden volstaan met de opmerking, dat artikel 2, lid 3, sub b, van de basisverordening alleen aan de verkopen refereert. De produktiedatum van de verkochte modellen is in beginsel irrelevant voor de berekening van de normale waarde.
28 Goldstar heeft niet aangetoond, dat de produktiedatum invloed heeft gehad op de prijs waartegen de verouderde modellen op de Koreaanse markt werden verkocht.
29 Uit het voorgaande volgt, dat het eerste middel moet worden afgewezen.
Het middel betreffende de vaststelling van de winstmarge voor de aangenomen waarde
30 Goldstar beoogt, dat de Raad artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening heeft geschonden, door de aangenomen waarde van het model GCD 613 te berekenen op basis van de winstmarges op de verkopen van de modellen GCD 603, GCD 605, GCD 606 en GCD 616 op de Koreaanse markt, daar die winsten niet overeenstemden met die welke normaal op die markt worden behaald. De Raad had zich moeten baseren op de winsten van andere Koreaanse producenten en voormelde bepaling moeten uitleggen in het licht van artikel 2, lid 4, van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (PB 1980, L 71, blz. 90, hierna "de anti-dumpingcode van 1979").
31 Artikel 2, lid 4, van de anti-dumpingcode van 1979 luidt als volgt:
"Indien op de binnenlandse markt van het uitvoerende land geen verkoop van het soortgelijke produkt in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden of indien dergelijke verkopen als gevolg van de bijzondere marktsituatie geen bruikbare vergelijking mogelijk maken, dient de marge van dumping te worden bepaald door vergelijking met een vergelijkbare prijs van het soortgelijke produkt wanneer dit naar een derde land wordt uitgevoerd, waarbij deze prijs de hoogste prijs bij uitvoer mag zijn, maar wel representatief moet zijn, dan wel met de produktiekosten in het land van oorsprong, verhoogd met een redelijk bedrag voor administratie-, verkoop- en andere kosten en voor de winst. Als regel mag de opslag voor winst niet hoger zijn dan de winst die gewoonlijk wordt behaald bij verkoop van produkten van dezelfde algemene soort op de binnenlandse markt van het land van oorsprong."
32 Deze in algemene bewoordingen opgestelde bepaling preciseert niet, of de winst die gewoonlijk wordt behaald bij verkopen van produkten van dezelfde algemene soort op de binnenlandse markt van het land van oorsprong betrekking heeft op de door de betrokken exporteur behaalde winst, dan wel op de gemiddelde winst van alle producenten op de binnenlandse markt.
33 In het arrest van 7 mei 1991 (zaak C-69/89, Nakajima, Jurispr. 1991, blz. I-2069, r.o. 37), overwoog het Hof, dat artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening in overeenstemming is met artikel 2, lid 4, van de anti-dumpingcode, aangezien die bepaling niet meer doet dan - zonder tegen de geest van laatstgenoemde bepaling in te gaan - voor de verschillende situaties die zich in de praktijk kunnen voordoen, de redelijke methoden voor de berekening van de aangenomen normale waarde aan te geven.
34 Artikel 2, lid 3, sub-ii, bepaalt:
"(...) de aangenomen waarde, bepaald door bij de produktiekosten een redelijk bedrag voor winst te voegen. De produktiekosten worden berekend aan de hand van alle kosten, zowel vaste als variabele, in het kader van normale handelstransacties, in het land van oorsprong, voor materialen en fabricage, vermeerderd met een redelijk bedrag voor uitgaven in verband met verkoop en administratie en andere algemene uitgaven. Het bedrag voor uitgaven in verband met verkoop en administratie en andere algemene uitgaven en winst, wordt berekend door deze te relateren aan de door de producent of exporteur bij de winstgevende verkopen van soortgelijke produkten op de binnenlandse markt gemaakte uitgaven en geboekte winst. Indien dergelijke gegevens niet beschikbaar, onbetrouwbaar of niet bruikbaar zijn, worden de uitgaven berekend door deze te relateren aan de door andere producenten of exporteurs in het land van oorsprong of van uitvoer bij winstgevende verkopen van het soortgelijk produkt verrichte uitgaven en geboekte winst. Indien geen van deze twee methoden kan worden toegepast, worden de verrichte uitgaven en geboekte winst berekend door deze te relateren aan de door de exporteur of andere producenten of exporteurs in dezelfde tak van handel in het land van oorsprong of uitvoer verrichte verkopen, of op elke andere redelijke grondslag".
35 In het arrest van 7 mei 1991 in zaak C-69/89, reeds aangehaald, oordeelde het Hof, dat de drie in artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening neergelegde methodes voor de berekening van de aangenomen normale waarde moeten worden toegepast in de volgorde waarin zij in de basisverordening voorkomen.
36 De winstmarge moet dus bij voorrang worden berekend aan de hand van de door de producent bij de winstgevende verkopen van soortgelijke produkten op de binnenlandse markt geboekte winst. Enkel indien de gegevens ontbreken, onbetrouwbaar of onbruikbaar zijn, moet de winstmarge op basis van de door andere producenten op de verkopen van een soortgelijk produkt behaalde winst worden berekend.
37 Door aldus voorrang toe te kennen aan het gebruik van de gegevens betreffende de betrokken individuele producent, beoogt artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening te waarborgen dat de aangenomen normale waarde zo nauw mogelijk aansluit bij de situatie die zou hebben bestaan indien de producent het betrokken produkt inderdaad in voldoende hoeveelheden op de binnenlandse markt had verkocht. Deze bepaling garandeert dus, dat elke onderneming op basis van haar eigen specifieke kenmerken wordt beoordeeld.
38 Tot die kenmerken behoort het prijsbeleid van de betrokken producent op de binnenlandse markt. De gegevens betreffende de met een dergelijk beleid behaalde winsten mogen niet worden genegeerd op de enkele grond dat de winstmarge bijzonder hoog is in vergelijking met de winst van andere producenten op die markt.
39 Hieruit volgt, dat de Raad de winstmarge voor de aangenomen normale waarde van het model GCD 613 moest berekenen op basis van de door Goldstar met de verkopen van andere modellen op de Koreaanse markt behaalde winsten.
40 Bijgevolg moet het tweede middel worden verworpen.
Het middel betreffende de berekening van de winstmarge met het oog op de vaststelling van de aangenomen normale waarde van de in de Gemeenschap aan OEM' s verkochte modellen
41 Goldstar betoogt, dat de Raad artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening heeft geschonden, door bij de vaststelling van de aangenomen normale waarde van de in de Gemeenschap aan OEM' s verkochte modellen GCD 613 en GCD 616 de toepasselijke winstmarge te bepalen op 30 % van de winstmarge op de verkopen in Korea onder het merk Goldstar. Haars inziens is daarbij uit het oog verloren, dat er geen verband bestaat tussen OEM-verkopen en verkopen onder het merk Goldstar. Dit is niet alleen willekeurig, maar ook in strijd met de praktijk van de gemeenschapsinstellingen in andere gevallen, waarin zij van een forfaitair percentage van 5 % voor alle betrokken ondernemingen zijn uitgegaan. Ten slotte heeft de Raad het gelijkheidsbeginsel geschonden, door op de betrokken Koreaanse producenten verschillende winstcijfers toe te passen, ofschoon al deze producenten zich in dezelfde situatie bevonden doordat zij op de Koreaanse markt niet aan OEM' s hadden verkocht.
42 Alvorens de relevantie van deze grieven te beoordelen, moet worden vastgesteld, dat geen enkele Koreaanse producent tijdens de referentieperiode zijn produkten op de Koreaanse markt aan OEM' s had verkocht en dat de gemeenschapsinstellingen dus over geen enkele informatie betreffende dergelijke verkopen op die markt beschikten. De instellingen hebben bijgevolg de normale waarde vastgesteld op basis van de gegevens betreffende de verkopen van merkprodukten. Om evenwel rekening te houden met de verschillen tussen die prijzen en die van de OEM-verkoop, hebben zij met betrekking tot Goldstar een winstmarge toegepast die overeenkwam met 30 % van de winst op de verkopen van merkprodukten.
43 Bijgevolg moet worden onderzocht, of gelet op Goldstars grieven, dat cijfer van 30 % een redelijk bedrag is in de zin van artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening.
44 Dienaangaande moet om te beginnen worden nagegaan, of de Raad naar behoren rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de OEM-verkopen en de verkopen van merkprodukten, door de marge voor de OEM-verkoop op basis van de op de verkopen van merkprodukten behaalde winst te bepalen.
45 Het wezenlijke verschil tussen beide soorten verkopen ligt op het vlak van de verhandeling. Beide soorten verkopen zijn gericht op verschillende clientèle, die in de regel in verschillende verhandelingsstadia opereren, maar het produkt dat door een OEM aan de eindverbruiker wordt verkocht is hetzelfde als het produkt dat onder de merknaam wordt verkocht. De produktiekosten zijn dus voor beide soorten verkopen vergelijkbaar.
46 Bijgevolg zijn de OEM-verkopen en de traditionele verkopen twee mogelijkheden voor de afzet van de produktie van een zelfde fabrikant. De keuze van de ene of de andere mogelijkheid wordt gemaakt aan de hand van identieke rentabiliteitscriteria, die specifiek zijn voor de betrokken onderneming.
47 Er bestaat dus noodzakelijkerwijs een verband tussen de OEM-verkopen en de verkopen van merkprodukten, zodat de Raad de winstmarge voor de OEM-verkopen redelijkerwijs op basis van de winstmarge voor de verkopen van merkprodukten mocht vaststellen.
48 Voorts moet worden nagegaan, of de Raad een onjuiste beoordeling heeft gemaakt door een individuele winstmarge voor de verkopen van Goldstar aan OEM' s vast te stellen, terwijl hij in vorige zaken voor alle producenten een identieke gemiddelde winstmarge had toegepast.
49 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de aangenomen normale waarde dient om te kunnen vaststellen wat de verkoopprijs van een produkt zou zijn geweest, indien dit produkt op de binnenlandse markt werd verkocht, en dat het gebruik van de gegevens betreffende de betrokken individuele producent daartoe de geschiktste manier is, in het bijzonder wanneer deze gegevens aanzienlijk verschillen van die betreffende de andere producenten.
50 Aangaande de vaststelling van een winstmarge voor de OEM-verkopen moet derhalve worden vastgesteld, dat de toepassing van een uniforme marge voor alle betrokken producenten in strijd is met die doelstelling, wanneer de winstmarges op de verkopen van merkprodukten, die als berekeningsgrondslag voor de uniforme marge hebben gediend, aanzienlijk uiteenlopen. Immers, op de producent die een kleine marge heeft behaald, zou een hogere gemiddelde marge worden toegepast, terwijl de producent met een hoge reële marge zou profiteren van een lagere gemiddelde marge.
51 In het onderhavige geval heeft Goldstar een bijzonder hoge reële winstmarge behaald met haar verkopen van merkprodukten op de Koreaanse markt. In de door haar geciteerde gevallen daarentegen, die in punt 26 van de conclusie van de advocaat-generaal zijn vermeld, hadden de betrokken ondernemingen reële marges behaald die zeer dicht bij elkaar lagen.
52 Onder die omstandigheden moet worden geconcludeerd, dat de Raad correct heeft gehandeld door voor Goldstar een individuele winstmarge toe te passen voor de modellen GCD 613 en GCD 616 die zij in de Gemeenschap aan OEM' s heeft verkocht.
53 Ten slotte moet worden nagegaan, of de Raad willekeurig heeft gehandeld door deze individuele winstmarge vast te stellen op 30 % van de marge van Goldstar op de verkopen van merkprodukten, in aanmerking genomen dat hij in eerdere dumpingzaken een forfaitaire marge van 5 % heeft gehanteerd.
54 Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt, dat de door de Raad in een van die eerdere zaken toegepaste forfaitaire marge van 5 % overeenstemde met ongeveer een derde van de gemiddelde winstmarge van de betrokken producenten op hun verkopen op de binnenlandse markt; in de twee andere zaken stemde de forfaitaire marge van 5 % overeen met meer dan een derde van die gemiddelde winstmarge.
55 Bovendien heeft Goldstar de gemeenschapsinstellingen in de loop van de administratieve procedure zelf het cijfer van 30 % voorgesteld, met dien verstande evenwel dat dit percentage moest worden berekend op basis van de gemiddelde winsten van alle producenten.
56 Bijgevolg kan de Raad niet worden verweten, dat hij de betrokken winstmarge op willekeurige wijze heeft vastgesteld.
57 Uit het voorgaande volgt, dat de Raad artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening niet heeft geschonden door voor de aangenomen waarde van de in de Gemeenschap aan OEM' s verkochte modellen GCD 613 en GCD 616 de winstmarge te bepalen op 30 % van de winstmarge op de verkopen van merkprodukten.
58 Het derde middel moet derhalve eveneens ongegrond worden verklaard, zodat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
59 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in haar eigen kosten alsmede in die van verweerder te worden verwezen. De Commissie en Compact, die ter ondersteuning van de conclusies van verweerder hebben geïntervenieerd, dienen overeenkomstig artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering hun eigen kosten te dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten, met uitzondering van die van interveniënten.
Full & Egal Universal Law Academy