Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Bevordering - Beoordelingsbevoegdheid van de administratie - Rechterlijk toezicht - Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
2. Ambtenaren - Beroep - Middelen - Misbruik van bevoegdheid - Begrip
Samenvatting
1. Het tot aanstelling bevoegd gezag beschikt inzake het onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, onderling worden vergeleken, over een bepaalde beoordelingsbevoegdheid. Het toezicht van de rechter dient zich daarom te beperken tot de vraag of de administratie bij de uitoefening van haar bevoegdheid niet kennelijk heeft gedwaald, met dien verstande dat wanneer een besluit tot bevordering volgt op een kennisgeving van vacature, dit toezicht ook betrekking moet hebben op de vraag of het gezag zijn beoordelingsvrijheid heeft gebruikt in het kader dat het zichzelf met deze kennisgeving heeft gesteld.
2. Misbruik van bevoegdheid wordt slechts geacht aanwezig te zijn, indien rechtens genoegzaam bewezen is dat het tot aanstelling bevoegd gezag met het bestreden besluit een ander dan het wettelijke doel heeft nagestreefd.
Partijen
In zaak C-107/90 P,
I. Hochbaum, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van SARL Fiduciaire Myson, Rue Origer 6-8,
requirant,
ondersteund door Union syndicale - Brussel, vertegenwoordigd door V. Leclerq, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van SARL Fiduciaire Myson, Rue Origer 6-8,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest op 14 februari 1990 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen gewezen in zaak T-38/89 tussen Hochbaum en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, en strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S. van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg, die heeft geconcludeerd tot algehele afwijzing van de hogere voorziening,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: Sir Gordon Slynn, kamerpresident, R. Joliet en G. C. Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: D. Louterman, hoofdadministrateur
gezien het verzoekschrift in hogere voorziening en de memories van antwoord,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 24 september 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 oktober 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 17 april 1990, heeft I. Hochbaum, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige artikelen van de Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van 14 februari 1990 door het Gerecht van eerste aanleg, houdende verwerping van zijn beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot annulering van kennisgeving van vacature COM/902/84 voor het ambt van hoofd van de afdeling Openbare bedrijven en staatsmonopolies, met gelijktijdige vaststelling van kennisgeving van vacature COM/83/87.
2 Tot staving van zijn verzoek tot hogere voorziening, strekkende tot vernietiging van het arrest van het Gerecht, voert requirant twee middelen aan, beide betrekking hebbende op het derde voor het Gerecht ingeroepen middel, ontleend aan misbruik van bevoegdheid. Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 45 Ambtenarenstatuut en het tweede aan miskenning van de verplichting tot controle in geval van misbruik van bevoegdheid.
3 Volgens requirant heeft het Gerecht ten onrechte zijn argumenten verworpen inhoudende dat de Commissie de aanwervingsprocedure COM/902/84 had gesloten en een nieuwe aanwervingsprocedure had geopend met als doel, een schijn van wettigheid te verlenen aan het reeds vaststaande besluit een van de kandidaten, Waterschoot, aan te stellen. Tot staving van die stelling stelt requirant, dat Waterschoot ten tijde van de eerste procedure, die heeft geleid tot diens benoeming op de in geding zijnde post, niet beschikte over de in kennisgeving van vacature COM/902/84 vereiste kwalificaties. Die benoeming is nietig verklaard bij het arrest van het Hof van 9 juli 1987 (gevoegde zaken 44/85, 77/85, 294/85 en 295/85, Hochbaum en Rawes, Jurispr. 1987, blz. 3259), wegens een procedurefout, maar volgens requirant heeft de op die post verworven ervaring Waterschoot in staat gesteld de leemte in zijn kwalificaties aan te vullen, hetgeen voor de Commissie de reden is geweest om procedure COM/83/87 te openen, die wederom is uitgelopen op de aanstelling van Waterschoot.
4 Bij beschikking van 10 oktober 1990 heeft het Hof de Union syndicale - Brussel toegelaten tot interventie aan de zijde van requirant.
5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
Het eerste middel
6 Luidens artikel 45 Ambtenarenstatuut geschiedt bevordering "uitsluitend bij keuze uit die ambtenaren welke reeds een minimumdiensttijd in hun rang hebben, na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken".
7 Met het eerste onderdeel van zijn middel verwijt requirant het Gerecht, zich bij zijn toezicht op de toepassing van die bepaling te hebben beperkt tot een onderzoek naar het bestaan van een kennelijke dwaling van het tot aanstelling bevoegd gezag bij de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid waarover het ter zake beschikt.
8 Volgens vaste rechtspraak beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag met betrekking tot bevorderingen over een bepaalde beoordelingsvrijheid en dient het toezicht van de rechter zich daarom te beperken tot de vraag, of de administratie bij de uitoefening van haar bevoegdheid niet kennelijk heeft gedwaald (zie arrest van 25 februari 1987, zaak 52/86, Banner, Jurispr. 1987, blz. 979, r.o. 9). De opvatting van het Gerecht was derhalve in overeenstemming met de draagwijdte van zijn toezicht ter zake.
9 Bij zijn controle dient de rechter zich er stellig ook van te vergewissen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn beoordelingsvrijheid heeft gebruikt in het kader dat het zichzelf met de kennisgeving van vacature heeft gesteld (zie arrest van 7 februari 1990, zaak C-343/87, Culin, Jurispr. 1990, blz. I-225, r.o. 19); wat dit betreft, moet evenwel worden gewezen op de vaststelling van het Gerecht in rechtsoverweging 24 van zijn arrest, namelijk dat "geen enkel objectief element van het dossier erop wijst, dat Waterschoot, alvorens de functie van hoofd van de afdeling Openbare bedrijven en staatsmonopolies te vervullen, niet voldeed aan de voorwaarden om naar het betrokken ambt te kunnen solliciteren". Het gaat hierbij om een feitelijke beoordeling, waarover het Hof zich niet kan uitspreken.
10 Met het tweede onderdeel van zijn eerste middel stelt requirant, dat het bestreden arrest geen passend antwoord geeft op de door hem voor het Gerecht naar voren gebrachte argumenten betreffende de kwalificaties van Waterschoot.
11 Dienaangaande kan worden volstaan met te herinneren aan de zojuist aangehaalde vaststelling van het Gerecht. Deze vaststelling, hoe beknopt ook, geeft antwoord op de argumenten van requirant.
12 Het middel ontleend aan schending van artikel 45 van het Statuut moet derhalve worden afgewezen.
Het tweede middel
13 Met zijn tweede middel betoogt requirant, dat het Gerecht de aard van het aan misbruik van bevoegdheid ontleende middel heeft miskend, door niet te onderzoeken wat in casu het werkelijke doel van de besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag was.
14 Er zij aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof misbruik van bevoegdheid slechts wordt geacht aanwezig te zijn, indien rechtens genoegzaam bewezen is dat het tot aanstelling bevoegd gezag met het bestreden besluit een ander dan het wettelijke doel heeft nagestreefd (zie bij voorbeeld arrest van 8 juni 1988, zaak 135/87, Vlachou, Jurispr. 1988, blz. 2901, r.o. 27).
15 In zijn arrest heeft het Gerecht geconcludeerd, dat het feit dat het tot aanstelling bevoegd gezag de door Waterschoot na zijn eerste benoeming verworven ervaring in aanmerking heeft genomen, niet volstaat om te bewijzen dat het iets anders dan het dienstbelang op het oog heeft gehad en dus zijn bevoegdheid heeft misbruikt.
16 Mitsdien heeft het Gerecht het begrip misbruik van bevoegdheid niet onjuist toegepast. Bovendien strekt de bevoegdheid van het Hof in hogere voorziening zich ingevolge artikel 168 A EEG-Verdrag en de overeenkomstige bepalingen van het EGKS en het EGA-Verdrag niet uit tot feitelijke vragen. Bijgevolg moet het tweede middel van requirant worden afgewezen.
17 Aangezien geen van de door requirant aangevoerde middelen kan slagen, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
18 19 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Luidens artikel 70 van dit Reglement blijven de kosten door de instellingen in ambtenarenzaken gemaakt, te hunnen laste. Ingevolge artikel 122 van het Reglement is artikel 70 evenwel niet van toepassing bij hogere voorziening ingesteld door ambtenaren en andere personeelsleden van de instellingen. Aangezien requirant in het ongelijk is gesteld, moet hij in de kosten van deze instantie worden verwezen. Volgens artikel 69, lid 4, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof evenwel bepalen, dat een interveniënt de eigen kosten zal dragen. Aangezien de Union syndicale - Brussel aan de zijde van requirant is tussengekomen in het algemeen belang van haar leden, moet worden beslist dat zij haar eigen kosten zal dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst requirant in de kosten, behoudens die van interveniënte.
3) Verstaat dat de Union syndicale haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy