Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Regels betreffende overgang van referentiehoeveelheden na overdracht van gedeelte van bedrijf - Ontbreken van door betrokken Lid-Staat opgestelde criteria - Verdeling tussen betrokken producenten enkel naar verhouding van voor melkproduktie gebruikte oppervlakten
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 7, lid 4; verordening nr. 1546/88 van de Commissie, art. 7, eerste alinea, sub 2)
2. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Regels betreffende overgang van referentiehoeveelheden na overdracht van gedeelte van bedrijf - Mogelijkheid voor Lid-Staten tot vaststelling van objectieve verdelingscriteria - "Objectieve criteria" - Begrip
(Verordening nr. 1546/88 van de Commissie, art. 7, eerste alinea, sub 2)
Samenvatting
1. Artikel 7, eerste alinea, sub 2, van verordening nr. 1546/88, betreffende, in het kader van het stelsel van de heffing op melk, de overgang van referentiehoeveelheden die bij overdracht van het bedrijf van de heffing zijn vrijgesteld, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een Lid-Staat geen andere objectieve criteria in de zin van deze bepaling heeft vastgesteld noch toepassing heeft gegeven aan artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85, bij overdracht van een gedeelte van het bedrijf de aan dit bedrijf toegewezen referentiehoeveelheid enkel naar verhouding van de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten tussen de betrokken producenten moet worden verdeeld, zonder dat rekening kan worden gehouden met andere elementen, zoals de gebouwen die tot het bedrijf behoren.
2. Het begrip "objectieve criteria", die de Lid-Staten kunnen vaststellen voor de verdeling van referentiehoeveelheden die bij overdracht van een gedeelte van het bedrijf in de zin van artikel 7, eerste alinea, sub 2, van verordening nr. 1546/88 zijn vrijgesteld van de heffing, doelt op objectieve verifieerbare criteria, die vooraf zijn vastgesteld en een algemene strekking hebben, niet afhankelijk zijn van de wil van de betrokken producenten en zijn afgestemd op de kenmerken van een veehoudersbedrijf en de aldaar verrichte werkzaamheden.
Een nationale wetgeving die het in eerste instantie aan de belanghebbenden overlaat om de wijze van overgang van de referentiehoeveelheid in onderlinge overeenstemming te regelen, en pas in tweede instantie, bij gebreke van overeenstemming, voorziet in een verdeling van de referentiehoeveelheid door de rechter naar verhouding van de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten, kan niet worden geacht dergelijke criteria vast te stellen.
Partijen
In zaak C-121/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Kantongerecht te Beetsterzwaag, in het aldaar aanhangig geding tussen
J. L. Posthumus
en
R. Oosterwoud en A. Oosterwoud,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 7, eerste alinea, sub 2, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1988, L 139, blz. 12),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: F. Grévisse, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door B. R. Bot, secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Britse regering, vertegenwoordigd door J. E. Collins van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. C. Fischer als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de opmerkingen van de Britse regering, vertegenwoordigd door S. Richards, Barrister, als gemachtigde, en van de Commissie ter terechtzitting van 5 juni 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 juli 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 24 april 1990, ingekomen bij het Hof op 26 april daaraanvolgend, heeft het Kantongerecht te Beetsterzwaag (Nederland) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 7, eerste alinea, sub 2, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1988, L 139, blz. 2).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen J. L. Posthumus en R. en A. Oosterwoud. Laatstgenoemden exploiteren als pachters een veehoudersbedrijf, waarvoor zij ingevolge de regeling inzake de extra heffing op melk beschikken over een referentiehoeveelheid melk van 145 430 kg. Op 25 maart 1982 kocht Posthumus een perceel van omstreeks 2,4 ha, dat deel uitmaakte van de tot de hoeve behorende landerijen. De pachtovereenkomst met R. en A. Oosterwoud werd vervolgens beëindigd, waarna Posthumus het perceel zelf in gebruik nam.
3 Voor het Kantongerecht te Beetsterzwaag vordert Posthumus, kort samengevat, veroordeling van R. en A. Oosterwoud tot overdracht aan hem van de met het betrokken perceel overeenkomende referentiehoeveelheid of, bij gebreke daarvan, tot betaling van schadevergoeding.
4 Van oordeel dat de beslissing in deze zaak afhangt van de uitlegging van artikel 7, eerste alinea, sub 2, van verordening nr. 1546/88, heeft het Kantongerecht te Beetsterzwaag de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Moet artikel 7, lid 1, onder 2, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie, waarin onder meer wordt bepaald, dat bij verhuur - waaronder tevens te verstaan het beëindigen van de huur - van één of meer gedeelten van het bedrijf, de betrokken referentiehoeveelheid wordt verdeeld op basis van de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakte, zo uitgelegd worden, dat, indien de Lid-Staat geen ander objectief criterium heeft vastgesteld en evenmin toepassing heeft gegeven aan hetgeen in artikel 7, lid 4, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad is bepaald, de veehouder die zijn bedrijf voortzet, maar tengevolge van de beëindiging van de pacht het gebruik van enkele percelen land verliest, eventueel tegen een vergoeding, een deel van de referentiehoeveelheid moet afstaan, zoals de af te stane oppervlakte grond zich verhoudt tot de totale oppervlakte grond die tot het bedrijf behoort, zonder dat rekening moet worden gehouden met de bedrijfsgebouwen (stallen) die hij in eigendom heeft dan wel van een derde pacht?
2) Moeten onder de door de Lid-Staten vast te stellen objectieve criteria worden verstaan: criteria, die gebaseerd zijn op verifieerbare feitelijke omstandigheden zoals eventueel aanwezige gebouwen, land, arbeidskrachten en machines of dergelijke?"
5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in het hoofdgeding, de betrokken gemeenschapsregeling, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste vraag
6 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 7, eerste alinea, sub 2, van verordening nr. 1546/88 aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer een Lid-Staat geen andere objectieve criteria in de zin van deze bepaling heeft vastgesteld noch toepassing heeft gegeven aan artikel 7, lid 4, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 (PB 1985, L 68, blz. 1), bij overdracht van een gedeelte van het bedrijf de aan dit bedrijf toegewezen referentiehoeveelheid enkel op basis van de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten tussen de betrokken producenten moet worden verdeeld, dan wel of tevens rekening kan worden gehouden met andere elementen, zoals de gebouwen die tot het bedrijf behoren.
7 Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85, bepaalt: "In geval van verkoop, verhuur of overdracht door vererving van een bedrijf wordt de overeenkomstige referentiehoeveelheid volgens nader vast te stellen bepalingen geheel of gedeeltelijk aan de koper, de huurder of de erfgenaam overgedragen." Volgens lid 4 van hetzelfde artikel kunnen de Lid-Staten echter "Ingeval de pacht verstrijkt (...) indien de pachter geen recht heeft op verlenging van de pacht onder soortgelijke voorwaarden, bepalen dat de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf waarop de pacht betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk ter beschikking wordt gesteld van de vertrekkende pachter, indien hij voornemens is de melkproduktie voort te zetten."
8 De wijze van toepassing van genoemde bepalingen is met name geregeld in artikel 7 van verordening nr. 1546/88, dat in de eerste alinea, sub 2, bepaalt: "in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van een of meer gedeelten van het bedrijf wordt de betrokken referentiehoeveelheid over de producenten die het bedrijf overnemen, verdeeld op basis van de respectieve, voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten of van andere, door de Lid-Staten vastgestelde objectieve criteria".
9 Vergelijkt men de verschillende taalversies van artikel 7, eerste alinea, sub 2, van verordening nr. 1546/88, dan blijkt, dat het de Lid-Staten weliswaar vrijstaat om voor de verdeling van referentiehoeveelheden van bedrijven waarvan enkel een gedeelte is overgedragen, andere criteria vast te stellen, mits deze objectief zijn, maar dat, wanneer zij geen gebruik van die mogelijkheid hebben gemaakt noch toepassing hebben gegeven aan artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84, die verdeling strikt moet geschieden volgens de verhouding van de omvang van de respectieve oppervlakten van het betrokken bedrijf die voor de melkproduktie worden gebruikt, daaronder begrepen de bebouwde oppervlakten, zonder dat rekening kan worden gehouden met de mate waarin de verschillende oppervlakten aan de totale melkproduktie van het bedrijf hebben bijgedragen.
10 Deze uitlegging vindt steun in de tekst van de betrokken regeling en is in overeenstemming met het doel ervan. Artikel 7, eerste alinea, sub 2, van verordening nr. 1546/88 wil immers verzekeren dat, ter waarborging van de rechtszekerheid en de doeltreffendheid van de regeling, en behoudens door de Lid-Staten uitdrukkelijk te bepalen uitzonderingen, duidelijke en nauwkeurige regels worden gesteld, bij de toepassing waarvan de nationale autoriteiten geen eigen beoordelingsvrijheid hebben.
11 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 7, eerste alinea, sub 2, van verordening nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 ingestelde extra heffing, aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer een Lid-Staat geen andere objectieve criteria in de zin van deze bepaling heeft vastgesteld noch toepassing heeft gegeven aan artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985, bij overdracht van een gedeelte van het bedrijf de aan dit bedrijf toegewezen referentiehoeveelheid enkel naar verhouding van de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten tussen de betrokken producenten moet worden verdeeld, zonder dat rekening kan worden gehouden met andere elementen, zoals de gebouwen die tot het bedrijf behoren.
De tweede vraag
12 Met zijn tweede vraag wenst de nationale rechter de draagwijdte vastgesteld te zien van het begrip "objectieve criteria" in de zin van artikel 7, eerste alinea, sub 2, van verordening nr. 1546/88.
13 Met "objectieve criteria" kunnen, gelet op de gewone betekenis van deze woorden en op hun context, slechts objectief verifieerbare criteria zijn bedoeld, die vooraf zijn vastgesteld en een algemene strekking hebben en niet afhankelijk zijn van de wil van de betrokken producenten. Zoals de Britse regering terecht heeft opgemerkt, moeten dergelijke criteria zijn afgestemd op de kenmerken van een veehoudersbedrijf en de aldaar verrichte werkzaamheden. Hieruit volgt, dat een nationale wetgeving als de thans in geding zijnde Nederlandse, die het in eerste instantie aan partijen overlaat om in geval van overdracht van het bedrijf de wijze van overdracht van de referentiehoeveelheid in onderlinge overeenstemming te regelen, en pas in tweede instantie, bij gebreke van overeenstemming, voorziet in een verdeling van de referentiehoeveelheid door de rechter naar verhouding van de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten, niet kan worden geacht "objectieve criteria" vast te stellen.
14 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat het begrip "objectieve criteria" in de zin van artikel 7, eerste alinea, sub 2, van verordening nr. 1546/88 doelt op objectief verifieerbare criteria, die vooraf zijn vastgesteld en een algemene strekking hebben, niet afhankelijk zijn van de wil van de betrokken producenten en zijn afgestemd op de kenmerken van een veehoudersbedrijf en de aldaar verrichte werkzaamheden.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
15 De kosten door de Nederlandse en de Britse regering alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Kantongerecht te Beetsterzwaag bij vonnis van 24 april 1990 gestelde vragen verklaart voor recht:
1) Artikel 7, eerste alinea, sub 2, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een Lid-Staat geen andere objectieve criteria in de zin van deze bepaling heeft vastgesteld noch toepassing heeft gegeven aan artikel 7, lid 4, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985, bij overdracht van een gedeelte van het bedrijf de aan dit bedrijf toegewezen referentiehoeveelheid enkel naar verhouding van de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten tussen de betrokken producenten moet worden verdeeld, zonder dat rekening kan worden gehouden met andere elementen, zoals de gebouwen die tot het bedrijf behoren.
2) Het begrip "objectieve criteria" in de zin van artikel 7, eerste alinea, sub 2, van verordening (EEG) nr. 1546/88 doelt op objectief verifieerbare criteria, die vooraf zijn vastgesteld en een algemene strekking hebben, niet afhankelijk zijn van de wil van de betrokken producenten en zijn afgestemd op de kenmerken van een veehoudersbedrijf en de aldaar verrichte werkzaamheden.
Full & Egal Universal Law Academy