Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vervoer - Wegvervoer - Sociale bepalingen - Controles - Overlegging van registratiebladen van tachograaf
(Verordening nr. 3821/85 van de Raad, art. 15, lid 7)
Samenvatting
Artikel 15, lid 7, van verordening (EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, dat bepaalt dat de bestuurder die verplicht is een tachograaf te gebruiken, het registratieblad van "de laatste dag van de voorafgaande week waarin hij heeft gereden" moet kunnen tonen, doelt op de laatste rijdag van de laatste aan de lopende week voorafgaande week waarin de betrokken chauffeur een voertuig heeft bestuurd waarop verordening nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, van toepassing is.
Partijen
In zaak C-158/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Politierechtbank te Hasselt (België), in de aldaar dienende strafzaak tegen
M. Nijs
en
Transport Vanschoonbeek-Matterne NV,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 15, lid 7, van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB 1985, L 370, blz. 8),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: Sir Gordon Slynn, kamerpresident, R. Joliet en G. C. Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door H. Kaya van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Commissie ter terechtzitting van 30 april 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van dezelfde datum,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 16 mei 1990, ingekomen bij het Hof op 22 mei daaraanvolgend, heeft de Politierechtbank te Hasselt (België) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 15, lid 7, van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB 1985, L 370, blz. 8).
2 Deze vragen zijn gerezen in een strafzaak tegen M. Nijs, die als chauffeur in dienst is van Transport Vanschoonbeek-Matterne NV. Nijs wordt onder meer vervolgd ter zake van het feit dat hij als chauffeur van een voertuig waarop de regeling betreffende het controleapparaat van toepassing is, bij controle door een daartoe bevoegd ambtenaar niet alle registratiebladen van de lopende week kon tonen, noch het registratieblad van de laatste dag van de voorafgaande week waarin hij had gereden, zoals artikel 15, lid 7, van verordening nr. 3821/85 en artikel 2 van de Belgische wet van 18 februari 1969 voorschrijven.
3 Artikel 15, lid 7, van verordening nr. 3821/85 bepaalt: "De bestuurder moet op verzoek van de met de controle belaste ambtenaren de registratiebladen kunnen tonen voor de lopende week, en in elk geval het blad van de laatste dag van de voorafgaande week waarin hij heeft gereden."
4 In artikel 1, sub 4, van verordening (EEG) nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB 1985, L 370, blz. 1), waarnaar artikel 2 van verordening nr. 3821/85 verwijst voor de definitie van de in laatstgenoemde verordening gebezigde termen, wordt "week" gedefinieerd als "het tijdvak tussen maandag 0.00 uur en zondag 24.00 uur".
5 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat Nijs van donderdag 27 juli tot en met zondag 6 augustus 1989 met verlof was geweest, dat hij zijn werk had hervat op maandag 7 augustus en dat hij op donderdag 10 augustus, de dag waarop hij werd gecontroleerd, zijn naam niet op het lopende registratieblad had aangebracht en geen enkel registratieblad betreffende eerdere rijperiodes bij zich had.
6 Van oordeel dat de zinsnede "de laatste dag van de voorafgaande week waarin hij heeft gereden" in artikel 15, lid 7, van verordening nr. 3821/85 op verschillende manieren kon worden uitgelegd en dat er een verschil bestond tussen de Nederlandse en de Franse tekst van die bepaling ("le dernier jour de la semaine précédente au cours duquel il a conduit"), heeft de Politierechtbank te Hasselt de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:
"A) Wat wordt in artikel 15, lid 7, van verordening nr. 3821/85 bedoeld met de woorden 'de laatste dag van de voorafgaande week waarin hij heeft gereden' ? Is dit de laatste kalenderdag, de laatste werkdag of de laatste rijdag van die week?
7 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen, de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8 Blijkens de verwijzingsbeschikking is de verwijzende rechter van mening, dat uit de Franse versie van artikel 15, lid 7, onmiskenbaar volgt, dat de in aanmerking te nemen dag de laatste dag is tijdens welke de chauffeur heeft gereden. De Nederlandse versie daarentegen zou ook andere interpretaties toelaten, zoals de laatste kalenderdag van de laatste week tijdens welke de chauffeur heeft gereden, of de laatste werkdag van die week, of nog de laatste kalenderdag of de laatste werkdag van de week onmiddellijk voorafgaand aan de controle.
9 Opgemerkt zij, dat volgens andere taalversies, bij voorbeeld de Italiaanse en de Spaanse, de in aanmerking te nemen dag de laatste dag is van de voorafgaande week waarin de chauffeur heeft gereden, terwijl de Engelse versie van de laatste rijdag spreekt, en niet van de laatste dag van een week waarin hij heeft gereden.
10 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet, wanneer er tussen de diverse taalversies van een gemeenschapstekst verschillen bestaan, de betrokken bepaling worden uitgelegd in overeenstemming met de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie onder meer het arrest van 27 oktober 1977, zaak 30/77, Bouchereau, Jurispr. 1977, blz. 1999).
11 Met het oog op de verbetering van de werkomstandigheden en de verkeersveiligheid in de sector wegvervoer bevat verordening nr. 3820/85 nauwkeurige voorschriften met betrekking tot onder meer de rust- en rijtijden. Ten einde een doeltreffende controle op de naleving van die voorschriften mogelijk te maken, moet krachtens verordening nr. 3821/85 - afgezien van bepaalde uitzonderingen - in alle in verordening nr. 3820/85 bedoelde voertuigen een goedgekeurd controleapparaat - "tachograaf" of "tachometer" genoemd - geïnstalleerd en gebruikt worden, dat is ontworpen om automatisch of halfautomatisch op goedgekeurde registratiebladen gegevens te registreren, met name betreffende de rijtijden en andere werktijden, de tijd tijdens welke de chauffeurs ter beschikking staan en de dagelijkse en wekelijkse rusttijd.
12 Krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 3821/85 moeten de bestuurders voor iedere dag dat zij rijden, registratiebladen gebruiken vanaf het tijdstip waarop zij het voertuig overnemen. De betrokken regeling schrijft dus niet voor, dat een registratieblad moet worden gebruikt voor een dag waarop niet wordt gereden.
13 Uit de context van de betrokken bepaling en het doel van de regeling waartoe zij behoort, volgt dus, dat het voor een doeltreffende controle vereist is, dat de chauffeur een registratieblad kan overleggen voor de laatste rijdag van de laatste aan de controle voorafgaande week waarin hij heeft gereden, met name om te kunnen nagaan, of de verplichte wekelijkse rusttijd in acht is genomen. Indien de chauffeur niet heeft gereden tijdens de week voorafgaand aan de week waarin de controle plaatsvindt, of tijdens de laatste kalenderdag of de laatste werkdag van de laatste week waarin hij heeft gereden, is het naar het doel van de betrokken regeling niet vereist, dat hij voor die verschillende tijdvakken een registratieblad kan overleggen.
14 Uit het voorgaande volgt, dat op de vragen van de verwijzende rechter moet worden geantwoord, dat de zinsnede "de laatste dag van de voorafgaande week waarin hij heeft gereden" in artikel 15, lid 7, van verordening nr. 3821/85 van de Raad betrekking heeft op de laatste rijdag van de laatste aan de lopende week voorafgaande week waarin de betrokken chauffeur een voertuig heeft bestuurd waarop verordening nr. 3820/85 van de Raad van toepassing is.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
15 De kosten door de Britse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen voor het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door de Politierechtbank te Hasselt bij beschikking van 16 mei 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De zinsnede "de laatste dag van de voorafgaande week waarin hij heeft gereden" in artikel 15, lid 7, van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, heeft betrekking op de laatste rijdag van de laatste aan de lopende week voorafgaande week waarin de betrokken chauffeur een voertuig heeft bestuurd waarop verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, van toepassing is.
Full & Egal Universal Law Academy