Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Oliën en Vetten - Olijfolie - Indeling - Onderzoek van organoleptische kenmerken - Ontbreken van communautaire procedure - Toepassing van nationale procedures - Doel - Uitvoering van communautaire indeling
(Verordening nr. 3472/85 van de Commissie, art. 3, lid 2)
2. Landbouw - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Financiering door EOGFL - Beginselen - Regelmatigheid van uitgaven voor interventie- Indeling van ter interventie aangeboden produkten - Controlebevoegdheid van Commissie - Draagwijdte
(Verordening nr. 729/70 van de Raad, art. 9)
Samenvatting
1. Artikel 3, lid 2, van verordening nr. 3472/85 betreffende de aankoop en opslag van olijfolie door de interventiebureaus moet aldus worden uitgelegd, dat zolang geen gemeenschapsregeling is vastgesteld, het onderzoek van de organoleptische kenmerken van bij eerste persing verkregen spijsolie wordt verricht volgens de nationale procedures die enkel tot doel mogen hebben, vast te stellen of de olie die kenmerken bezit die door de gemeenschapsbepalingen voor indeling onder de daarin genoemde benamingen worden geëist.
2. In het kader van de door het EOGFL gefinancierde uitgaven van een Lid-Staat ter zake van interventie, heeft de Commissie ingevolge het gemeenschapsrecht het recht, de regelmatigheid van de interventieverrichtingen volgens strenge betrouwbaarheidsnormen te onderzoeken door middel van een controle die niet gewoon een herhaling is van de analyses die zijn verricht op het ogenblik dat de olie ter interventie werd aangeboden.
Partijen
In de gevoegde zaken C-161/90 en C-162/90,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Pretura di Lecce, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
C. Petruzzi
en
Associazione Italiana Produttori Olivicoli (AIPO),
Associazione Salentina Olivicoltori (ASO),
Azienda di Stato per gli interventi nel Mercato Agricolo (AIMA),
en tussen
A. Longo
en
Associazione Italiana Produttori Olivicoli (AIPO),
Associazione Salentina Olivicoltori (ASO),
Azienda di Stato per gli interventi nel Mercato Agricolo (AIMA),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3472/85 van de Commissie van 10 december 1985 betreffende de aankoop en opslag van olijfolie door de interventiebureaus (PB 1985, L 333, blz. 5), alsmede over de geldigheid van de door de Commissie na een onderzoek van de kwaliteit van de ter interventie aangeboden olijfolie gegeven beschikking volgens welke de uitgaven voor de aankoop en het beheer van de partijen olijfolie, vermeld in de brieven nrs. 4387 en 1120 van AIMA van 29 maart respectievelijk 3 augustus 1989, niet voor financiering in aanmerking komen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, rechter, waarnemend voor de kamerpresident, M. Díez de Velasco en C. N. Kakouris, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: V. Di Bucci, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- C. Petruzzi en A. Longo, vertegenwoordigd door E. Cappelli, advocaat te Rome,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door O. Fiumara, avvocato dello Stato,
- de Griekse regering, vertegenwoordigd door E.-M. Mamouna, juriste bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, afdeling communautaire geschillen, en M. Tsotsanis, jurist bij het Ministerie van Landbouw, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Campogrande, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van C. Petruzzi en A. Longo, vertegenwoordigd door P. de Caterini, advocaat te Rome, de Italiaanse regering, de Griekse regering, en de Commissie, vertegenwoordigd door E. de March, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, ter terechtzitting van 30 april 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 juni 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikkingen van 28 maart 1990, ingekomen bij het Hof op 25 mei daaraanvolgend, heeft de Pretura di Lecce (Italië) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3472/85 van de Commissie van 10 december 1985 betreffende de aankoop en opslag van olijfolie door de interventiebureaus (PB 1985, L 333, blz. 5), alsmede over de geldigheid van de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en van enig ander besluit van deze instelling, inhoudende dat de uitgaven voor de aankoop en het beheer van de partijen olijfolie, vermeld in de brieven nrs. 4387 en 1120 van de Azienda di Stato per gli interventi nel Mercato Agricola (hierna: "AIMA") van 29 maart 1989 respectievelijk 3 augustus 1989 (in de stukken van het dossier van verzoekster), niet voor financiering in aanmerking komen.
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van twee procedures die mevrouw C. Petruzzi (zaak C-161/90) en mevrouw A. Longo (zaak C-162/90) hebben ingesteld tegen Associazione Italiana Produttori Olivicoli (hierna: "AIPO"), Assozziazione Salentina Olivicoltori (hierna: "ASO") en AIMA, en waarin zij eisen, dat elke vordering tot terugbetaling van de bedragen die als interventieprijs voor olijfolie en overeenkomstig de artikelen 4 en volgende van verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1966, nr. 172, blz. 3025) waren uitbetaald, ongegrond en onwettig wordt verklaard.
3 Uit de stukken blijkt, dat Petruzzi en Longo, beiden olijvenkwekers te Vernole (Lecce), respectievelijk 12,38 en 8,57 kwintaal olijfolie verkregen bij de eerste persing, die zij gedurende het seizoen 1987 hadden geproduceerd, van hun bedrijf hadden laten afhalen door de ASO.
4 Na een voor rekening van de communautaire autoriteiten door bepaalde laboratoria verrichte controle, stelden deze vast dat de ter interventie aangeboden olie moest worden ingedeeld als andere olijfolie dan olijfolie verkregen bij de eerste persing (fijn). Wegens de omvang van de vastgestelde onregelmatigheden bepaalde de Commissie bij voormelde beschikking, dat de door Italië gedurende de periode van 1 oktober 1988 toten met 30 september 1989 gedane interventie-uitgaven voor olijfolie niet voor financiering in aanmerking kwamen.
5 Gezien de resultaten van deze analyses en de door de Commissie naar aanleiding daarvan getrokken consequenties, vorderde AIMA (het Italiaanse interventiebureau) van de opslagbedrijven de bedragen terug die zij hun voor de interventieaankopen had betaald, welke bedragen de opslagbedrijven op hun beurt terugvorderden van de producenten die hun de betrokken olie hadden geleverd.
6 Het is in deze context dat Petruzzi en Longo ASO, te Lecce, AIPO, te Rome, en AIMA voor de verwijzende rechter hebben gedaagd en vorderen, dat elke vordering tot terugbetaling van de bedragen ad 4 438 895 en 3 072 800 LIT, die hun als interventieprijs waren uitbetaald, ongegrond en onwettig wordt verklaard.
7 Van oordeel dat deze vorderingen aanleiding gaven tot verschillende gemeenschapsrechtelijke problemen, heeft de verwijzende rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof uitspraak zou hebben gedaan over de volgende prejudiciële vragen:
"A) 1) Moet artikel 3, lid 2, van verordening EEG nr. 3472/85 van de Commissie van 10 december 1985 aldus worden uitgelegd, dat het onderzoek van de organoleptische kenmerken van bij eerste persing verkregen spijsolie, andere dan olie voor verlichting, uitsluitend moet plaatsvinden volgens de nationale procedures, zolang er geen communautaire procedure is vastgesteld?
2) Zo ja, kunnen de resultaten en de authenticiteit van de bij de aanbieding van de olie aan het interventiebureau en tijdens de bewaring in de opslagplaatsen van het interventiebureau overeenkomstig de nationale procedures verrichte onderzoeken en analyses worden ontkracht door de resultaten van onderzoeken die volgens andere procedures en methodes dan de nationale procedures zijn verricht?
B) Zijn de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en alle andere besluiten van deze instelling, erop neerkomende dat de uitgaven voor aankoop en beheer van de partijen olie, bedoeld in de brieven van AIMA van 29 maart 1989, nr. 4387, en 3 augustus 1989, nr. 1120 (in de stukken van het dossier van verzoekster) niet voor vergoeding in aanmerking komen, geldig? Zo nodig dient overlegging van de beschikking van de Commissie en van ieder ander besluit van deze instelling te worden bevolen."
8 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke regelingen, de feiten van het geschil, het procesverloop, alsmede de argumenten en middelen van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste vraag
9 Allereerst zij eraan herinnerd dat artikel 35 van verordening nr. 136/66 bepaalt:
"onverminderd de harmonisatie van de wetgevingen betreffende olijfoliën bestemd voor menselijke voeding, voeren de Lid-Staten voor het intracommunautair handelsverkeer en het handelsverkeer met derde landen, de uitvoer naar derde landen uitgezonderd, de benamingen en definities van olijfoliën in, die zijn opgenomen in de bijlage bij deze verordening".
10 Overeenkomstig deze bepaling zijn in deze bijlage de volgende vier categorieën olijfolie verkregen bij de eerste persing gedefinieerd:
"a) extra: olijfolie met een volkomen onberispelijke smaak, waarvan het gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, ten hoogste 1 gram per 100 gram bedraagt;
b) fijn: olijfolie, die voldoet aan de eisen van extra olijfolie, doch waarvan het gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, ten hoogste 1,5 gram per 100 gram bedraagt;
c) courant (de uitdrukking 'halffijn' kan eveneens worden gebruikt): olijfolie met een goede smaak, waarvan het gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, ten hoogste 3,3 gram per 100 gram bedraagt;
d) voor verlichting: olijfolie met een onaangename smaak, of waarvan het gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, meer bedraagt dan 3,3 gram per 100 gram."
11 Artikel 3, lid 2, derde en vierde alinea, van verordening nr. 3472/85 bepaalt:
"Voor spijsolie verkregen bij de eerste persing vindt het onderzoek van de organoleptische kenmerken plaats volgens een communautaire procedure.
In afwachting van de vaststelling van deze procedure voeren de Lid-Staten dit onderzoek uit overeenkomstig nationale procedures."
12 Uit het normatieve karakter van deze bepalingen volgt, dat de daar genoemde criteria met betrekking tot het recht van benaming prevaleren boven elke nationale regeling ter zake, zodat de in artikel 3, lid 2, van de betrokken verordening bedoelde nationale procedures geen andere doelstelling mogen hebben dan de uitvoering van deze criteria.
13 Bijgevolg moet de nationale rechter worden geantwoord, dat artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3472/85 van de Commissie van 10 december 1985 aldus moet worden uitgelegd, dat zolang geen gemeenschapsregeling is vastgesteld, het onderzoek van de organoleptische kenmerken van bij eerste persing verkregen spijsolie wordt verricht volgens de nationale procedures die enkel tot doel mogen hebben, vast te stellen of die olie de kenmerken bezit die door de gemeenschapsbepalingen voor indeling onder de daarin genoemde benamingen worden geëist.
De tweede vraag
14 De vraag, of andere methodes dan die voorzien op nationaal niveau mogen worden gebruikt bij de controle achteraf van de indeling van de olie zoals die aanvankelijk heeft plaatsgevonden op het moment dat de olie ter interventie werd aangeboden, impliceert dat vooraf de wettigheid moet worden onderzocht van een dergelijke controle achteraf.
15 Artikel 8, lid 1, van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 1970, L 94, blz. 13) bepaalt:
"De Lid-Staten treffen, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om:
- zich ervan te vergewissen dat de door het Fonds gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd;
- onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen;
- de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.
De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de daartoe getroffen maatregelen en met name van de stand van de administratieve en gerechtelijke procedures."
Evenzo verplicht artikel 9, lid 1, de Lid-Staten om:
"(...) maatregelen te nemen die kunnen dienen ter vergemakkelijking van de controles - verificaties ter plaatse daaronder begrepen - die de Commissie doelmatig acht in het kader van het beheer van de communautaire
financiering".
16 Uit deze bepalingen, die tot doel hebben de betrokken autoriteiten de nodige bevoegdheden te geven om te voorkomen dat het EOGFL uitgaven financiert ter zake van interventieverrichtingen die niet in overeenstemming met het gemeenschapsrecht zijn, volgt, dat de Commissie de bevoegdheid heeft om achteraf de oorspronkelijke indeling van olie te controleren.
17 Hieraan moet worden toegevoegd, dat de effectiviteit van de controle achteraf van de oorspronkelijke indeling van de olie meebrengt, dat de Commissie de bevoegdheid moet hebben om elke analysemethode toe te passen waardoor met zekerheid kan worden vastgesteld, of bij de indeling van de olie op het moment dat deze ter interventie werd aangeboden, de in de geldende communautaire regeling opgenomen criteria voor de benaming in acht zijn genomen.
18 Aan de nationale rechter moet derhalve worden geantwoord, dat ingevolge het gemeenschapsrecht de Commissie het recht heeft, de regelmatigheid van de interventieverrichtingen volgens strenge betrouwbaarheidsnormen te onderzoeken door middel van een controle die niet gewoon een herhaling is van de analyses die zijn verricht op het ogenblik dat de olie ter interventie werd aangeboden.
De derde vraag
19 Gelet op de opbouw van de vragen van de verwijzende rechter moet worden vastgesteld, dat de derde vraag zonder voorwerp is geraakt, aangezien uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens volgt dat de antwoorden op de zojuist besproken vragen hem reeds in staat stellen het geschil te beslechten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 De kosten door de Griekse en de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Pretura di Lecce bij beschikkingen van 28 maart 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3472/85 van de Commissie van 10 december 1985 moet aldus worden uitgelegd, dat zolang geen gemeenschapsregeling is vastgesteld, het onderzoek van de organoleptische kenmerken van bij eerste persing verkregen spijsolie wordt verricht volgens de nationale procedures die enkel tot doel mogen hebben, vast te stellen of die olie de kenmerken bezit die door de gemeenschapsbepalingen voor indeling onder de daarin genoemde benamingen worden geëist.
2) Ingevolge het gemeenschapsrecht heeft de Commissie het recht, de regelmatigheid van de interventieverrichtingen volgens strenge betrouwbaarheidsnormen te onderzoeken door middel van een controle die niet gewoon een herhaling is van de analyses die zijn verricht op het ogenblik dat de olie ter interventie werd aangeboden.
Full & Egal Universal Law Academy