Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Fiscale bepalingen - Harmonisatie van wetgevingen - Indirecte belastingen op bijeenbrengen van kapitaal - Kapitaalrecht, geheven van kapitaalvennootschappen - Verplichte verlaging van tarief in geval van inbreng door vennootschap van één van haar takken van bedrijvigheid - Inbreng van pakket aandelen in andere vennootschap - Verrichting die niet is te beschouwen als inbreng van tak van bedrijvigheid
(Richtlijn 69/335 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijnen 73/79 en 73/80, art. 7, lid 1, sub b en sub b bis)
Samenvatting
Artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 69/335 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 73/79 en 73/80, dat de Lid-Staten verplicht het tarief van het kapitaalrecht te verlagen wanneer een vennootschap haar gehele vermogen of een of meer takken van bedrijvigheid in een andere vennootschap inbrengt, moet aldus worden uitgelegd, dat de inbreng van een pakket aandelen dat een vennootschap in een andere vennootschap houdt, niet is te beschouwen als een dergelijke inbreng van een tak van bedrijvigheid, ook al vertegenwoordigt dat pakket aandelen 100 % van het kapitaal van laatstgenoemde vennootschap. Verrichtingen die in inbreng van aandelen bestaan, zijn immers het onderwerp van de speciale bepaling, artikel 7, lid 1, sub b bis, van de richtlijn, dat de Lid-Staten eenvoudig de bevoegdheid geeft het tarief te verlagen.
Partijen
In zaak C-164/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Hoge Raad der Nederlanden, in het aldaar aanhangig geding tussen
Muwi Bouwgroep BV
en
Staatssecretaris van Financiën,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 69/335/EEG van de Raad betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: Sir Gordon Slynn, kamerpresident, R. Joliet en G. C. Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: D. Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. J. Heinemann, plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en vervolgens door B. R. Bot, secretaris-generaal van dit ministerie, als gemachtigden,
- de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Molde, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Calleja en B. J. Drijber, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Commissie ter terechtzitting van 24 september 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 oktober 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 23 mei 1990, ingekomen ten Hove op 31 mei daaraanvolgend, heeft de Hoge Raad der Nederlanden krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 69/335/EEG van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB 1969, L 249, blz. 25; hierna: "de richtlijn"), zoals gewijzigd bij 's Raads richtlijnen 73/79/EEG van 9 april 1973 (PB 1973, L 103, blz. 13), 73/80/EEG van 9 april 1973 (PB 1973, L 103, blz. 15) en 74/553/EEG van 7 november 1974 (PB 1974, L 303, blz. 9).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Muwi Bouwgroep BV (hierna: "Muwi Bouwgroep") en de Staatssecretaris van Financiën met betrekking tot de belasting over de verrichting waarmee het kapitaal van deze vennootschap is gevormd.
3 Naar uit het verwijzingsarrest blijkt, was de bouwmaatschappij Van der Vorm Beheer BV (hierna: "Van der Vorm") met Nederhorst Beheer BV (hierna: "Nederhorst") overeengekomen, dat zij de dochtermaatschappijen van Nederhorst zou overnemen of zou laten overnemen door door Van der Vorm op te richten vennootschappen.
4 Ter uitvoering van deze overeenkomst richtte Van der Vorm vier vennootschappen op: Bouw- en Aannemingsbedrijf Nedu BV (hierna: "Nedu"), Architectenbureau Multi ontwerp BV (hierna: "Multi ontwerp"), Muijs' & De Winter' s Bouw- en Aannemingsbedrijf BV (hierna: "Muwi Rotterdam") en Muijs' & De Winter' s Betonbouw BV (hierna: "Muwi Geleen"). Het geplaatste aandelenkapitaal van deze vennootschappen bedroeg respectievelijk 50 000 HFL, 100 000 HFL, 3 200 000 HFL en 6 500 000 HFL.
5 Bij de eerste drie vennootschappen, Nedu, Multi ontwerp en Muwi Rotterdam, werd het aandelenkapitaal volgestort in contanten. Bij de vierde, Muwi Geleen, stortte Van der Vorm het kapitaal vol door inbreng van alle door haar gehouden aandelen in Nedu en door betaling van de rest in contanten. De wegens het bijeenbrengen van kapitaal in deze vennootschappen verschuldigde kapitaalbelasting werd voldaan.
6 Om de te verwerven ondernemingen onder te brengen in een afgescheiden organisatorische eenheid, richtte de moedermaatschappij Van der Vorm vervolgens een tussenholding op, Muwi Bouwgroep, belanghebbende in het hoofdgeding. Het geplaatste aandelenkapitaal van deze vennootschap, dat 10 000 000 HFL bedroeg, werd op 30 oktober 1979 volgestort door inbreng van alle door de moedermaatschappij Van der Vorm in de drie dochtermaatschappijen Multi ontwerp, Muwi Geleen en Muwi Rotterdam gehouden aandelen - die een waarde van 9 800 000 HFL vertegenwoordigden - en voor de rest - 200 000 HFL - in contanten.
7 Over de verrichting waarmee het kapitaal van Muwi Bouwgroep werd gevormd, werd door de Nederlandse belastingdienst kapitaalbelasting geheven tot een bedrag van 88 867,01 HFL. De belastingdienst kwam tot dit bedrag door zich te baseren op artikel 12, lid 1, sub a, van het Uitvoeringsbesluit van de Wet belastingen op rechtsverkeer; daarbij koos hij voor de tweede in artikel 35, lid 4, van de Wet bedoelde berekeningsmethode en paste hij het in artikel 36 van de Wet bepaalde tarief toe.
8 Artikel 35, lid 4, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer luidt:
"In geval van fusie of interne reorganisatie wordt, onder door Ons bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden, de belasting berekend over de nominale waarde van de toegekende aandelen in het overnemende lichaam, verminderd met de nominale waarde van de ingebrachte aandelen in het overgenomen lichaam dan wel, bij inbreng van ander vermogen dan zodanige aandelen, een met dat vermogen evenredig gedeelte van de nominale waarde van het in aandelen verdeelde kapitaal van het overdragende lichaam."
9 Artikel 12, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit luidt aldus:
"1. De in artikel 35, vierde lid, van de wet aangegeven wijze van berekening van de belasting is in geval van interne reorganisatie slechts van toepassing:
a) indien een lichaam met een in aandelen verdeeld kapitaal een ander zodanig lichaam opricht en daarin uitsluitend zijn gehele onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan inbrengt tegen verwerving van alle of nagenoeg alle aandelen in laatstbedoeld lichaam;
b) indien de tot een concern behorende lichamen uitsluitend hun bedrijfsmiddelen van gelijke aard inbrengen in een en hetzelfde lichaam van dat concern;
c) indien een tot een concern behorend lichaam met een in aandelen verdeeld kapitaal uitsluitend zijn gehele onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan inbrengt in een ander lichaam van dat concern."
10 Volgens artikel 36 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer bedraagt de belasting 1 percent. In een verlaagd tarief is niet voorzien.
11 Muwi Bouwgroep heeft tegen de aanslag bij de Nederlandse rechterlijke instanties beroep ingesteld. Voor het Gerechtshof wijzigde de Nederlandse belastingdienst zijn standpunt. Hij stelde dat de verrichting viel onder een andere wetsbepaling, te weten artikel 35, lid 1, en dat derhalve een kapitaalbelasting van 98 000 HFL moest worden geheven.
12 Voornoemd artikel 35, lid 1, bepaalt, dat de belasting wordt berekend over de waarde van hetgeen is ingebracht na aftrek van de door het lichaam op zich genomen verplichtingen, dan wel over de nominale waarde van de aandelen, indien deze hoger is.
13 Nadat het Gerechtshof de belastingdienst in het gelijk had gesteld, stelde Muwi Bouwgroep beroep tot cassatie in bij de Hoge Raad. In zijn verwijzingsarrest oordeelde de Hoge Raad, dat overeenkomstig artikel 12, lid 1, sub a, van het Uitvoeringsbesluit de tweede in artikel 35, lid 4, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer bedoelde berekeningsmethode op de betrokken verrichting moest worden toegepast. Bijgevolg verminderde hij de belastingaanslag tot 84 849,84 HFL.
14 Voor de Hoge Raad betoogde Muwi Bouwgroep, dat de betrokken verrichting onder artikel 7, lid 1, sub b, van de richtlijn viel en dat derhalve niet meer dan 50 000 HFL aan belasting kon worden geheven. In meer algemene zin stelde zij, dat de gehele Nederlandse wettelijke regeling in strijd was met de richtlijn, doordat het tarief en de heffingsgrondslag die in die regeling waren vastgesteld, afweken van wat daaromtrent in het gemeenschapsrecht was bepaald.
15 Artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn, zoals gewijzigd, stelt in beginsel het tarief van het kapitaalrecht vast op 1 percent. Artikel 7, lid 1, sub b, verplicht de Lid-Staten echter het kapitaalrecht te verminderen tot een tussen 0 en 0,5 % gelegen tarief, "wanneer een of meer kapitaalvennootschappen hun gehele vermogen of een of meer takken van bedrijvigheid inbrengen in een of meer kapitaalvennootschappen die in oprichting zijn of reeds bestonden". Deze verlaging is onderworpen aan de voorwaarde, dat "de inbreng uitsluitend wordt vergoed door toekenning van aandelen, waarbij de Lid-Staten de bevoegdheid hebben de verlaging ook toe te kennen in die gevallen waarin de inbreng wordt vergoed door toekenning van aandelen, plus een storting in contanten van maximaal 10 % van hun nominale waarde".
16 Artikel 5, lid 1, sub a, van de richtlijn, dat betrekking heeft op de bepaling van de heffingsgrondslag van het kapitaalrecht, bepaalt dat in dit geval het kapitaalrecht wordt geheven "over de werkelijke waarde van de zaken, van welke aard ook, die door de vennoten zijn ingebracht of tot inbreng waarvan zij gehouden zijn, na aftrek van de lasten en verbintenissen die in verband met elke inbreng voor rekening van de vennootschap komen". Ingevolge artikel 5, lid 2, van de richtlijn mag de Lid-Staat voorts als grondslag voor het kapitaalrecht nemen de werkelijke waarde van de aan elke vennoot toegekende of toebehorende aandelen, behalve wanneer uitsluitend gereed geld wordt ingebracht. Het bedrag waarover het recht wordt geheven, mag echter in geen geval lager liggen dan het nominale bedrag van deze aandelen.
17 Op grond van een en ander heeft de Hoge Raad besloten de behandeling van de zaak te schorsen, totdat het Hof heeft geantwoord op de navolgende prejudiciële vragen:
"1) Indien tot het vermogen van een kapitaalvennootschap een pakket aandelen behoort, dat een 100 % deelneming vormt in een andere kapitaalvennootschap, kan dan dat pakket aandelen worden aangemerkt als een 'tak van bedrijvigheid' van de houdstermaatschappij in de zin van artikel 7, lid 1, onder b, van de richtlijn van 7 juli 1969, nummer 69/335/EEG, ook als het vermogen van de dochtermaatschappij voorshands slechts uit liquide middelen bestaat?
18 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste vraag
19 Met zijn eerste vraag wenst de Hoge Raad te vernemen of de inbreng van een pakket aandelen dat een vennootschap in een andere vennootschap houdt en dat 100 % van het kapitaal van laatstgenoemde vennootschap vertegenwoordigt, is te beschouwen als de inbreng van een tak van bedrijvigheid van eerstgenoemde vennootschap in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van de richtlijn.
20 Ter beantwoording van deze vraag moet de betrokken bepaling in haar geheel worden bezien.
21 Terwijl artikel 7, lid 1, sub b, de Lid-Staten verplicht het kapitaalrecht te verminderen wanneer een vennootschap haar gehele vermogen of een of meer takken van bedrijvigheid in een andere vennootschap inbrengt, biedt artikel 7, lid 1, sub b bis, de Lid-Staten de mogelijkheid dit recht te verminderen "wanneer een in oprichting zijnde of reeds bestaande kapitaalvennootschap aandelen verwerft die ten minste 75 % van het voordien uitgegeven vennootschappelijk kapitaal van een andere kapitaalvennootschap vertegenwoordigen".
22 Uit de bewoordingen van artikel 7, lid 1, sub b, en in het bijzonder uit de verwijzing naar het begrip vermogen blijkt duidelijk, dat dit artikel ziet op het geval van een vennootschap die in een andere vennootschap diverse elementen inbrengt, die, ongeacht of zij haar gehele vermogen dan wel een gedeelte daarvan vertegenwoordigen, één geheel vormen dat op eigen kracht kan functioneren.
23 Volgens de considerans van de wijzigingsrichtlijn 73/79 is artikel 7, lid 1, sub b bis, ingevoegd om de Lid-Staten in staat te stellen, de toepassing van het verlaagde tarief uit te breiden tot hergroeperingen van vennootschappen die in economisch opzicht gelijksoortige gevolgen hebben als de in artikel 7, lid 1, sub b, bedoelde hergroeperingen, maar juridisch op andere wijze tot stand komen. Het gaat om gevallen waarin een vennootschap "in ruil voor de aandelen die zij uitgeeft, een zodanig deel van de aandelen van een andere vennootschap verkrijgt, dat zij in het algemeen over de volledige zeggenschap in laatstbedoelde vennootschap beschikt".
24 Nu verrichtingen die in inbreng van aandelen bestaan, het onderwerp zijn van een speciale bepaling, kunnen zij niet tevens worden beheerst door artikel 7, lid 1, sub b, van de richtlijn. Daarbij is niet van belang, of de inbreng van aandelen 100 % van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigt. Artikel 7, lid 1, sub b bis, maakt dienaangaande immers geen onderscheid.
25 Mitsdien moet de gestelde vraag aldus worden beantwoord, dat de inbreng van een pakket aandelen dat een vennootschap in een andere vennootschap houdt en dat 100 % van het kapitaal van laatstgenoemde vennootschap vertegenwoordigt, niet is te beschouwen als de inbreng van een tak van bedrijvigheid van eerstgenoemde vennootschap in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, zoals gewijzigd bij 's Raads richtlijnen 73/79/EEG en 73/80/EEG van 9 april 1973.
De tweede vraag
26 Gelet op het op de eerste vraag gegeven antwoord, behoeft de tweede prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
27 De kosten door de Nederlandse regering, de Deense regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 23 mei 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De inbreng van een pakket aandelen dat een vennootschap in een andere vennootschap houdt en dat 100 % van het kapitaal van laatstgenoemde vennootschap vertegenwoordigt, is niet te beschouwen als de inbreng van een tak van bedrijvigheid van eerstgenoemde vennootschap in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, zoals gewijzigd bij 's Raads richtlijnen 73/79/EEG en 73/80/EEG van 9 april 1973.
Full & Egal Universal Law Academy