Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen - Tenuitvoerlegging - Rechtsmiddelen - Beroep in cassatie - Voor beroep vatbare beslissingen - Beslissing tot aanhouding van uitspraak of tot gelasten van zekerheidstelling, genomen door gerecht dat oordeelt over verzet tegen verlof tot tenuitvoerlegging - Daarvan uitgesloten
(Executieverdrag, art. 37, tweede alinea, en 38)
2. Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen - Tenuitvoerlegging - Verzet tegen verlof tot tenuitvoerlegging - Mogelijkheid voor gerecht waarvoor dit verzet is gebracht, zijn uitspraak aan te houden - Uitoefening - Uitsluitend inaanmerkingneming van stellingen die verzoeker voor gerecht van staat van herkomst niet heeft aangevoerd of die hem onbekend waren
(Executieverdrag, art. 31, 34, derde alinea, en 38, eerste alinea)
Samenvatting
1. Artikel 37, tweede alinea, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd, dat een krachtens artikel 38 Executieverdrag gegeven beslissing waarbij het gerecht dat over het verzet tegen het verlof tot tenuitvoerlegging van een in een andere verdragsluitende staat gegeven rechterlijke beslissing oordeelt, heeft geweigerd zijn uitspraak aan te houden en zekerheidstelling heeft gelast door de partij die het verlof tot tenuitvoerlegging heeft verkregen, geen "op het verzet gegeven beslissing" in de zin van artikel 37, tweede alinea, Executieverdrag is, waartegen cassatieberoep of een soortgelijk rechtsmiddel openstaat. Dit wordt niet anders, wanneer de krachtens artikel 38 Executieverdrag gegeven beslissing en de "op het verzet gegeven beslissing" in de zin van artikel 37, tweede alinea, in hetzelfde vonnis voorkomen.
2. Artikel 38, eerste alinea, Executieverdrag moet strikt worden uitgelegd, daar anders afbreuk wordt gedaan aan het nuttig effect zowel van artikel 31, dat uitgaat van het beginsel dat de in verdragsluitende staat gegeven beslissingen die aldaar uitvoerbaar zijn, ten uitvoer kunnen worden gelegd in een andere verdragsluitende staat, ook indien zij geen kracht van gewijsde hebben, als van artikel 34, derde alinea, volgens hetwelk de in de staat van herkomst gegeven beslissing in geen geval door de gerechten van de aangezochte staat op haar juistheid mag worden getoetst.
Artikel 38, eerste alinea, Executieverdrag moet derhalve aldus worden uitgelegd, dat het gerecht dat over het verzet tegen het verlof tot tenuitvoerlegging van een in een andere verdragsluitende staat gegeven rechterlijke beslissing oordeelt, in zijn beslissing over een krachtens deze bepaling gedaan verzoek tot aanhouding van die uitspraak slechts rekening mag houden met stellingen die de verzet doende partij voor de rechter van de staat van herkomst niet heeft kunnen aanvoeren.
Partijen
In zaak C-183/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), van de Hoge Raad der Nederlanden, in het aldaar aanhangig geding tussen
B. J. van Dalfsen,
J. Timmermann,
H. van Dalfsen,
J. Harmke,
G. van Dalfsen
en
B. van Loon,
T. Berendsen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 37 en 38 van het Verdrag van 27 september 1968,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, T. F. O' Higgins, C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen van:
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door Chr. Boehmer, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Justitie,
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door B. R. Bot, secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse zaken,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. J. Drijber, lid van de juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Commissie ter terechtzitting van 18 juni 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juli 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 1 juni 1990, ingekomen bij het Hof op 11 juni daaraanvolgend, heeft de Hoge Raad der Nederlanden krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: "Executieverdrag") drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 37, tweede alinea, en 38, eerste alinea, Executieverdrag.
2 Deze vragen zijn gerezen in een voor deze rechterlijke instantie aanhangig geding tussen enerzijds B. J. van Dalfsen, J. Timmerman, H. van Dalfsen, J. Harmke en G. van Dalfsen (hierna: "Van Dalfsen c.s."), allen wonende in Nederland, en anderzijds B. van Loon en T. Berendsen (hierna: "Van Loon c.s."), beiden wonende in België.
3 Blijkens het aan het Hof toegezonden dossier heeft de vrederechter van het kanton Herentals bij vonnis van 21 oktober 1986 de primaire vordering van Van Dalfsen c.s. tegen Van Loon c.s., tot vernietiging van een tussen partijen in het hoofdgeding aangegane huurovereenkomst, afgewezen, hun subsidiaire vordering, tot terugbetaling door Van Loon c.s. van de kosten van door hen verrichte duurzame investeringen in het gehuurde onroerend goed, in beginsel toegewezen en een deskundigenbericht gelast ter vaststelling van de hoogte van die vergoeding. Met betrekking tot de reconventionele vordering van Van Loon c.s. ter zake van achterstallige huurtermijnen veroordeelde de vrederechter Van Dalfsen c.s. tot betaling aan Van Loon c.s. van 2 700 000 BFR, vermeerderd met rente. De vrederechter verklaarde zijn vonnis "uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande alle rechtsmiddelen en zonder borgstelling."
4 Op 17 december 1986 stelden Van Dalfsen c.s. tegen dit vonnis, voor zover in reconventie gewezen, hoger beroep in bij de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout (België).
5 Van hun kant verzochten Van Loon c.s. de president van de Arrondissementsrechtbank te Zwolle overeenkomstig artikel 31 Executieverdrag om verlof tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de Belgische vrederechter in Nederland. De president van de Arrondissementsrechtbank verleende dit verlof bij beschikking van 23 januari 1987.
6 Tegen deze beschikking hebben Van Dalfsen c.s. krachtens artikel 36 Executieverdrag verzet gedaan bij de Arrondissementsrechtbank te Zwolle. Zij beperkten zich daarbij tot een verzoek om aanhouding van de uitspraak op het verzet als bedoeld in artikel 38, eerste alinea, Executieverdrag, waartoe zij aanvoerden, dat zij tegen het vonnis van de vrederechter te Herentals hoger beroep hadden ingesteld en een bankgarantie hadden gesteld als zekerheid voor het bedrag dat zij volgens dit vonnis aan Van Loon c.s. moesten betalen; bovendien wezen zij erop, dat hun subsidiaire vordering in beginsel was toegewezen en in een voorlopig deskundigenrapport werd begroot op 477 954 BFR.
7 Bij vonnis van 13 april 1988 heeft de Arrondissementsrechtbank te Zwolle het verzoek tot aanhouding afgewezen, op grond dat Van Dalfsen c.s. voor hun verzoek geen andere gronden aanvoerden dan de rechter in den vreemde in zijn beslissing had kunnen betrekken. Bij hetzelfde vonnis heeft de Arrondissementsrechtbank het verzet ongegrond verklaard en de tenuitvoerlegging in Nederland van het vonnis van de Belgische vrederechter toegestaan, waaraan zij evenwel overeenkomstig artikel 38, laatste alinea, Executieverdrag ambtshalve de voorwaarde verbond, dat Van Loon c.s. een bankgarantie ten bedrage van 478 000 BFR zouden stellen totdat definitief over de subsidiaire vordering van Van Dalfsen c.s. was beslist.
8 Tegen dit vonnis hebben Van Dalfsen c.s. overeenkomstig artikel 37, tweede alinea, Executieverdrag cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. In het enig voorgestelde middel betogen zij, dat de Arrondissementsrechtbank is uitgegaan van een onjuiste opvatting van de omvang van de bevoegdheden die artikel 38 Executieverdrag toekent aan het "gerecht dat over het verzet oordeelt". Volgens Van Dalfsen c.s. dient de rechter die krachtens deze bepaling uitspraak doet, rekening te houden met alle omstandigheden die de buitenlandse rechter reeds in zijn beslissing heeft kunnen betrekken en dient hij in het bijzonder de kans van slagen van het in een andere verdragsluitende staat ingestelde of nog in te stellen gewone rechtsmiddel af te wegen.
9 De Hoge Raad heeft zich vooraf afgevraagd, of het bestreden vonnis is te beschouwen als een "op het verzet gegeven beslissing" in de zin van artikel 37, tweede alinea, Executieverdrag. Bij een ontkennend antwoord zou het cassatieberoep van Van Dalfsen c.s. niet-ontvankelijk zijn. Wordt deze vraag echter bevestigend beantwoord, moet de gegrondheid van het beroep worden onderzocht en rijst de vraag naar de omvang van de bevoegdheden die artikel 38 Executieverdrag aan "het gerecht dat over het verzet oordeelt" toekent.
10 Van oordeel dat het geschil derhalve uitleggingsvragen betreffende het Executieverdrag opwierp, heeft de Hoge Raad bij arrest van 1 juni 1990 krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Executieverdrag, de behandeling van de zaak geschorst totdat het Hof uitspraak zou hebben gedaan op de volgende prejudiciële vragen:
"1) Kunnen beslissingen van 'het gerecht dat over het verzet oordeelt' om al dan niet, onderscheidenlijk op een bepaalde wijze gebruik te maken van de hem in artikel 38 Executieverdrag toegekende bevoegdheden worden aangemerkt als een 'op het verzet gegeven beslissing' waartegen, ingevolge het tweede lid van artikel 37 Executieverdrag, in Nederland beroep in cassatie openstaat?
a) ook dan gebruik maken indien de partij die het verzet heeft gedaan, geen andere gronden aanvoert voor haar verzoek om de uitspraak aan te houden dan wel om aan het verlof tot tenuitvoerlegging de voorwaarde te verbinden dat zekerheid wordt gesteld dan die welke de rechter in den vreemde in zijn beslissing heeft kunnen betrekken?
b) enkel gebruik maken indien aan bedoeld verzoek mede of uitsluitend stellingen ten grondslag worden gelegd die in het geding voor de vreemde rechter niet zijn aangevoerd, of
c) enkel gebruik maken indien aan het verzoek mede of uitsluitend stellingen ten grondslag worden gelegd die in het geding voor de vreemde rechter niet aangevoerd konden worden omdat de feiten die daaraan ten grondslag liggen toen aan de partij die het verzet heeft gedaan, nog onbekend waren?"
11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hieronder slechts herhaald voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
12 Vooraf zij eraan herinnerd, dat de artikelen 37, tweede alinea, en 38, eerste alinea, Executieverdrag deel uitmaken van titel III, afdeling 2, van dit Verdrag, betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen die uitvoerbaar zijn in de verdragsluitende staat waar zij zijn gewezen.
13 Ingevolge artikel 31 Executieverdrag kunnen dergelijke beslissingen in een andere verdragsluitende staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar op verzoek van een belanghebbende partij uitvoerbaar zijn verklaard door de krachtens artikel 32 Executieverdrag bevoegde rechterlijke instantie en overeenkomstig de regels van de artikelen 33 tot 35 en 42 tot 45 Executieverdrag. Van bijzonder belang is, dat ingevolge artikel 34 Executieverdrag de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, in deze stand van de procedure niet kan worden gehoord, dat het verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging slechts op de in de artikelen 27 en 28 Executieverdrag vermelde gronden kan worden afgewezen en dat de buitenlandse beslissing in geen geval op haar juistheid mag worden getoetst.
14 Wordt de tenuitvoerlegging toegestaan, dan kan de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd, op grond van artikel 36 Executieverdrag tegen deze beslissing in verzet komen bij een van de in artikel 37, eerste alinea, Executieverdrag genoemde rechterlijke instanties. Artikel 39 Executieverdrag bepaalt, dat gedurende de termijn van verzet en tot het tijdstip dat daarover uitspraak is gedaan, slechts bewarende maatregelen kunnen worden genomen ten aanzien van de goederen van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd.
15 Indien tegen de buitenlandse beslissing waarvan de tenuitvoerlegging is gevraagd, in de staat van herkomst een gewoon rechtsmiddel is aangewend of indien de termijn daarvoor nog niet is verstreken, kan volgens artikel 38 Executieverdrag het gerecht van de aangezochte staat dat over het verzet oordeelt, op verzoek van de partij die conform artikel 36 het verzet heeft gedaan, zijn uitspraak hierover aanhouden. Op grond van artikel 38, laatste alinea, Executieverdrag kan dit gerecht echter ook de tenuitvoerlegging slechts toestaan tegen het stellen van zekerheid door de partij waaraan het verlof is verleend.
16 Krachtens artikel 37, tweede alinea, Executieverdrag kan tegen de op het verzet gegeven beslissing slechts een beroep in cassatie of een soortgelijk rechtsmiddel worden ingesteld.
De eerste en de tweede vraag
17 Met de eerste twee prejudiciële vragen, die te zamen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in feite te vernemen, of artikel 37, tweede alinea, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat een krachtens artikel 38 Executieverdrag gegeven beslissing waarbij het gerecht dat oordeelt over het verzet tegen het verlof tot tenuitvoerlegging van een in een andere verdragsluitende staat gegeven rechterlijke beslissing, heeft geweigerd om zijn uitspraak aan te houden en zekerheidstelling heeft gelast door de partij die het verlof tot tenuitvoerlegging heeft verkregen, is aan te merken als een "op het verzet gegeven beslissing" in de zin van artikel 37, tweede alinea, Executieverdrag waartegen derhalve beroep in cassatie of een soortgelijk rechtsmiddel kan worden ingesteld. Voorts wil de verwijzende rechter weten, of het antwoord op deze vraag verschilt naar gelang de krachtens artikel 38 Executieverdrag gegeven beslissing en de "op het verzet gegeven beslissing" in de zin van artikel 37, tweede alinea, Executieverdrag al dan niet in hetzelfde vonnis zijn neergelegd.
18 In de eerste plaats moet worden vastgesteld, dat het Executieverdrag geen definitie bevat van wat onder "op het verzet gegeven beslissing" in de zin van artikel 37, tweede alinea, is te verstaan.
19 In de tweede plaats heeft het Hof zich in het arrest van 27 november 1984 (zaak 258/83, Brennero, Jurispr. 1984, blz. 3971, r.o. 15) uitgesproken voor een enge uitlegging van het begrip "op het verzet gegeven beslissing" en beslist, dat gezien de algemene opzet van het Executieverdrag en gelet op een der belangrijkste doelstellingen ervan, te weten de vereenvoudiging van de procedures in de aangezochte staat, deze bepaling niet aldus kan worden uitgebreid, dat de voorziening ook mogelijk zou zijn tegen een andere dan de op het verzet gegeven beslissing, bij voorbeeld tegen een praeparatoire of interlocutoire beslissing waarbij maatregelen van instructie worden gelast.
20 Het deskundigenrapport dat is opgesteld naar aanleiding van de totstandkoming van het Executieverdrag (PB 1979, C 59, blz. 1), bepleit eveneens de noodzaak van een strikte uitlegging van artikel 37, tweede alinea, waar het zegt dat "ten slotte een veelvoud van rechtsmiddelen een belemmering (zou) vormen voor het door het Verdrag nagestreefde vrije verkeer van vonnissen, omdat de verliezende partij van deze middelen uitsluitend gebruik zou kunnen maken om de zaak te rekken."
21 Uit het voorgaande volgt dat, waar het Executieverdrag het vrije verkeer van vonnissen wil vergemakkelijken door invoering van een eenvoudige en snelle procedure in de verdragsluitende staat waar de tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing wordt gevraagd, de uitdrukking "op het verzet gegeven beslissing" in artikel 37, tweede alinea, Executieverdrag aldus moet worden begrepen, dat daarmee enkel zijn bedoeld de beslissingen die de gegrondheid van het verzet tegen de beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging van een in een andere verdragsluitende staat gegeven rechterlijke beslissing betreffen, met uitsluiting van de beslissingen krachtens artikel 38 Executieverdrag.
22 Hieraan moet worden toegevoegd, dat ook wanneer de beslissing waarbij aanhouding wordt geweigerd of die waarbij zekerheidstelling wordt gelast, in hetzelfde vonnis voorkomt als de beslissing over de gegrondheid van het verzet tegen het verlof tot tenuitvoerlegging, de procedures voorzien in de artikelen 36 en 38 Executieverdrag niettemin elk een ander voorwerp hebben.
23 De verzetprocedure van artikel 36 betreft de rechtsvraag, of het verlof tot tenuitvoerlegging beoordeeld naar de in de artikelen 27 en 28 Executieverdrag limitatief opgesomde gronden terecht is verleend, terwijl de op artikel 38 gebaseerde beslissingen tot aanhouding of tot het gelasten van zekerheidstelling accessoire maatregelen zijn die het verdere verloop van de procedure regelen, hetgeen een afweging van de belangen van crediteur en debiteur impliceert.
24 Een beslissing krachtens artikel 38 Executieverdrag kan derhalve niet op een lijn worden gesteld met de beslissing waarbij het verzet tegen het exequatur wordt toe- of afgewezen, ondanks dat zij formeel deel uitmaakt van hetzelfde vonnis als laatstbedoelde beslissing.
25 Hieruit volgt, dat ook indien een krachtens artikel 38 gegeven beslissing is neergelegd in hetzelfde vonnis als de beslissing over de gegrondheid van het verzet tegen het verlof tot tenuitvoerlegging, een dergelijke beslissing niet is te beschouwen als een "op het verzet gegeven beslissing" in de zin van artikel 37, tweede alinea, Executieverdrag, waartegen beroep in cassatie openstaat.
26 Mitsdien moet op de eerste en de tweede vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat artikel 37, tweede alinea, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat een krachtens artikel 38 Executieverdrag gegeven beslissing waarbij het gerecht dat over het verzet tegen het verlof tot tenuitvoerlegging van een in een andere verdragsluitende staat gegeven rechterlijke beslissing oordeelt, heeft geweigerd zijn uitspraak aan te houden en zekerheidstelling heeft gelast door de partij die het verlof tot tenuitvoerlegging heeft verkregen, geen "op het verzet gegeven beslissing" in de zin van artikel 37, tweede alinea, Executieverdrag is, waartegen cassatieberoep of een soortgelijk rechtsmiddel openstaat. Dit wordt niet anders, wanneer de krachtens artikel 38 Executieverdrag gegeven beslissing en de "op het verzet gegeven beslissing" in de zin van artikel 37, tweede alinea, Executieverdrag in hetzelfde vonnis voorkomen.
De derde vraag
27 Met de derde prejudiciële vraag wil de verwijzende rechter vernemen, of artikel 38, eerste alinea, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het gerecht dat over het verzet tegen het verlof tot tenuitvoerlegging van een in een andere verdragsluitende staat gegeven rechterlijke beslissing oordeelt, in zijn beslissing op een krachtens deze bepaling ingediend verzoek tot aanhouding enkel rekening mag houden met de stellingen die de partij die het verzet heeft gedaan, voor het gerecht van de staat van herkomst niet heeft kunnen aanvoeren, dan wel of dit gerecht in een dergelijke beslissing eveneens rekening mag houden met stellingen die reeds voor de buitenlandse rechter zijn aangevoerd, en met argumenten die deze rechter, toen hij zijn beslissing gaf, onbekend waren omdat de partij die het verzet heeft gedaan, had nagelaten ze aan te voeren.
28 Artikel 31, eerste alinea, Executieverdrag gaat uit van het beginsel, dat de in een verdragsluitende staat gegeven beslissingen die aldaar uitvoerbaar zijn, ten uitvoer kunnen worden gelegd in een andere verdragsluitende staat, ook indien zij nog geen kracht van gewijsde hebben.
29 De bevoegdheid tot aanhouding, die artikel 38, eerste alinea, Executieverdrag toekent aan het gerecht waarbij verzet is gedaan tegen het verlof tot tenuitvoerlegging van een in een andere verdragsluitende staat gegeven beslissing, vormt een uitzondering op dit beginsel. Blijkens het naar aanleiding van de totstandkoming van het Executieverdrag opgestelde deskundigenrapport is deze uitzondering bedoeld om de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd, te beschermen tegen schade die zou kunnen voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van nog niet in kracht van gewijsde gegane beslissingen die later zouden worden gewijzigd, en dient aldus als tegenwicht tegen het eenzijdige karakter van de exequaturprocedure als geregeld in de artikelen 31 e.v. Executieverdrag.
30 Hieruit volgt, dat artikel 38, eerste alinea, Executieverdrag als uitzonderingsbepaling strikt moet worden uitgelegd, daar anders afbreuk wordt gedaan aan het nuttig effect van artikel 31 Executieverdrag en aan het doel van dit Verdrag, te weten verzekering van het vrije verkeer van vonnissen door de tenuitvoerlegging in een verdragsluitende staat van uitvoerbare beslissingen gegeven in een andere verdragsluitende staat mogelijk te maken.
31 Voorts moet worden herinnerd aan het grondbeginsel van artikel 34, derde alinea, Executieverdrag, dat de in de staat van herkomst gegeven beslissing in geen geval door de gerechten van de aangezochte staat op haar juistheid mag worden getoetst.
32 Indien nu het over het verzet oordelende gerecht bij zijn beslissing over een verzoek tot aanhouding krachtens artikel 38, eerste alinea, Executieverdrag, stellingen zou kunnen betrekken die reeds voor de buitenlandse rechter zijn aangevoerd, dan is het risico reëel, dat dit gerecht direct of indirect de juistheid van de buitenlandse beslissing gaat controleren, wat het Executieverdrag uitdrukkelijk verbiedt. Dit risico bestaat eveneens, indien dit gerecht de kans op succes van een in de staat van herkomst ingesteld of in te stellen gewoon rechtsmiddel zou mogen beoordelen.
33 Bijgevolg dient artikel 38, eerste alinea, Executieverdrag niet aldus te worden uitgelegd, dat het over het verzet oordelende gerecht in zijn beslissing over een verzoek tot aanhouding rekening mag houden met stellingen die reeds voor de buitenlandse rechter zijn aangevoerd.
34 Wat de vraag betreft, of het over het verzet oordelende gerecht in een beslissing over een krachtens artikel 38, eerste alinea, Executieverdrag gedaan verzoek tot aanhouding rekening mag houden met stellingen die de buitenlandse rechter ten tijde van zijn beslissing onbekend waren omdat de verzet doende partij had nagelaten ze voor die rechter aan te voeren, heeft het Hof in het arrest van 4 februari 1988 (zaak 145/86, Hoffmann, Jurispr. 1988, blz. 645) in verband met artikel 36 Executieverdrag beslist, dat het verzuim van een partij om verzet te doen, haar de mogelijkheid ontneemt om zich in een later stadium van de procedure te beroepen op een geldige grond die zij in haar verzet had kunnen aanvoeren.
35 Dit beginsel dient op dezelfde wijze toepassing te vinden in verband met artikel 38, eerste alinea, Executieverdrag. Het systeem van het Verdrag en in het bijzonder het beginsel van het vrije verkeer van vonnissen, een essentiële doelstelling van het Verdrag, verzetten zich ertegen, dat een partij zich voor het gerecht dat moet beslissen over een krachtens artikel 38, eerste alinea, gedaan verzoek tot aanhouding van de uitspraak op het verzet tegen het verlof tot tenuitvoerlegging, nog kan beroepen op stellingen die zij voor de buitenlandse rechter had kunnen aanvoeren.
36 Bijgevolg dient artikel 38, eerste alinea, Executieverdrag evenmin aldus te worden uitgelegd, dat het gerecht dat over het verzet oordeelt, in een beslissing over een krachtens deze bepaling gedaan verzoek tot aanhouding van die uitspraak rekening mag houden met stellingen die de buitenlandse rechter, toen hij zijn beslissing nam, onbekend waren omdat de verzet doende partij had nagelaten ze voor die rechter aan te voeren.
37 Gelet op het vorenstaande moet op de derde vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat artikel 38, eerste alinea, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het gerecht dat over het verzet tegen het verlof tot tenuitvoerlegging van een in een andere verdragsluitende staat gegeven rechterlijke beslissing oordeelt, in zijn beslissing over een krachtens deze bepaling gedaan verzoek tot aanhouding van die uitspraak slechts rekening mag houden met stellingen die de verzet doende partij voor de rechter van de staat van herkomst niet heeft kunnen aanvoeren.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
38 De kosten door de regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland en van het Koninkrijk der Nederlanden en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 1 juni 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 37, tweede alinea, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd, dat een krachtens artikel 38 Executieverdrag gegeven beslissing waarbij het gerecht dat over het verzet tegen het verlof tot tenuitvoerlegging van een in een andere verdragsluitende staat gegeven rechterlijke beslissing oordeelt, heeft geweigerd zijn uitspraak aan te houden en zekerheidstelling heeft gelast door de partij die het verlof tot tenuitvoerlegging heeft verkregen, geen "op het verzet gegeven beslissing" in de zin van artikel 37, tweede alinea, Executieverdrag is, waartegen cassatieberoep of een soortgelijk rechtsmiddel openstaat. Dit wordt niet anders, wanneer de krachtens artikel 38 Executieverdrag gegeven beslissing en de "op het verzet gegeven beslissing" in de zin van artikel 37, tweede alinea, Executieverdrag in hetzelfde vonnis voorkomen.
2) Artikel 38, eerste alinea, Executieverdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het gerecht dat over het verzet tegen het verlof tot tenuitvoerlegging van een in een andere verdragsluitende staat gegeven rechterlijke beslissing oordeelt, in zijn beslissing over een krachtens deze bepaling gedaan verzoek tot aanhouding van die uitspraak slechts rekening mag houden met stellingen die de verzet doende partij voor de rechter van de staat van herkomst niet heeft kunnen aanvoeren.
Full & Egal Universal Law Academy