Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Sociale zekerheid - Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten - Invaliditeit - Verschillende regelingen - Een enkel begrip beroepsziekte
(Ambtenarenstatuut, art. 73 en 78; Regeling voor de verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten, art. 3, lid 2)
2. Ambtenaren - Sociale zekerheid - Invaliditeitspensioen - Vaststelling van invaliditeit en beroepsmatige oorsprong daarvan - Bevoegdheid van medische commissie - Rechterlijke toetsing - Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 78; bijlage II, art. 7 tot en met 9; bijlage VIII, art. 13)
Samenvatting
1. Het begrip "beroepsziekte" kan niet een andere inhoud hebben al naar gelang het gaat om toepassing van artikel 73 of artikel 78 Ambtenarenstatuut, ook al voorzien deze bepalingen ieder in een regeling met eigen kenmerken.
Voor de toepassing van artikel 78, tweede alinea, van het Statuut dient de betrokken ambtenaar derhalve, in overeenstemming met de definitie van beroepsziekte in artikel 3, lid 2, van de ter uitvoering van artikel 73 vastgestelde Regeling voor de verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten, het bestaan aan te tonen van een causaal verband tussen de ziekte of de verergering daarvan en de uitoefening van zijn werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen.
2. In het kader van de procedure van artikel 78 Ambtenarenstatuut behoort de invalideverklaring van een ambtenaar krachtens artikel 13 van bijlage VIII tot de bevoegdheid van de in de artikelen 7 tot en met 9 van bijlage II bedoelde invaliditeitscommissie.
Deze bepalingen hebben immers tot doel, de definitieve beslissing over alle vragen van medische aard, met name die betreffende de beroepsmatige oorsprong van een ziekte, bij medische deskundigen te leggen. Derhalve is noch het tot aanstelling bevoegd gezag noch de gemeenschapsrechter bevoegd het eigen oordeel in de plaats te stellen van het oordeel van de invaliditeitscommissie, dat als definitief moet worden beschouwd wanneer het regelmatig tot stand is gekomen.
Partijen
In zaak C-185/90 P,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Griesmar en S. van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, een nationaal ambtenaar gedetacheerd bij de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
requirante,
betreffende hogere voorziening tegen het op 6 april 1990 door het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) in zaak T-43/89 gewezen arrest tussen W. Gill en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
W. Gill, wonende te Long Barn, Stoke-by-Clare, Sudbury, Suffolk (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door A. May, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te diens kantore, Grand-rue 31, die concludeert tot algehele afwijzing van de hogere voorziening,
ondersteund door
Union Syndicale-Luxembourg, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
wijst
samengesteld als volgt: T. F. O' Higgins, kamerpresident, G. F. Mancini en F. A. Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: J.-G. Giraud
gezien het verzoekschrift van de Commissie en de memorie van antwoord van verweerder,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal alsmede de partijen overeenkomstig artikel 120 van het Reglement voor de procesvoering,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 september 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 juni 1990, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 6 april 1990 tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 20 mei 1988 en verwijzing van de Commissie in de kosten van het geding. Bij voormeld besluit had de Commissie geweigerd om ten aanzien van Gill artikel 78, tweede alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "het Statuut") toe te passen, en had zij zijn invaliditeitspensioen vastgesteld op basis van artikel 78, derde alinea, van het Statuut, welke bepaling minder gunstig is voor de ambtenaar.
2 In hogere voorziening voert de Commissie vier middelen aan: schending van artikel 78, tweede alinea, van het Statuut, schending van artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut, schending van het algemene beginsel, dat rechterlijke uitspraken moeten zijn gemotiveerd, en schending van artikel 73 van het Statuut alsmede van de artikelen 3 en 19 van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten (hierna: "de Regeling").
3 Voor een nadere uiteenzetting van de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport van de rechter-rapporteur. Deze elementen van het dossier worden hieronder slechts weergegeven voorzover dit voor de redenering van het Hof noodzakelijk is.
4 In haar eerste middel stelt de Commissie, dat het Gerecht in het bestreden arrest een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip "beroepsziekte" in artikel 78, tweede alinea, van het Statuut.
5 In verband met dit middel voert de Commissie aan, dat het Gerecht voor de toepassing van artikel 78, tweede alinea, van het Statuut geen rekening heeft gehouden met de definitie van het begrip "beroepsziekte" zoals die te vinden is in artikel 3 van de Regeling, welke ter uitvoering van artikel 73 van het Statuut is vastgesteld. Volgens de Commissie kan de betekenis van dit begrip niet variëren al naar gelang het gaat om toepassing van artikel 73 of artikel 78 van het Statuut. Ook is het Gerecht voorbijgegaan aan het vereiste van een causaal verband tussen de beroepsziekte in de zin van artikel 78, tweede alinea, van het Statuut, of de verergering daarvan, en de in dienst van de Gemeenschappen verrichte werkzaamheden.
6 Alvorens te beslissen omtrent de gegrondheid van dit middel, zij er eerst aan herinnerd, dat artikel 78, eerste alinea, van het Statuut de ambtenaar recht geeft op invaliditeitspensioen wanneer hij blijvend invalide wordt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt van zijn loopbaan overeenkomen. Ingevolge de derde alinea van artikel 78 bedraagt dat pensioen evenveel als het ouderdomspensioen waarop de ambtenaar recht gehad zou hebben bij zijn pensionering op 65-jarige leeftijd. Volgens artikel 78, tweede alinea, bedraagt het invaliditeitspensioen 70 % van het basissalaris van de ambtenaar, wanneer diens invaliditeit toe te schrijven is aan onder meer een beroepsziekte.
7 Het begrip "beroepsziekte", waarvan artikel 78 van het Statuut geen definitie geeft, komt eveneens voor in artikel 73 van het Statuut, volgens hetwelk de ambtenaar met ingang van de dag van zijn indiensttreding is verzekerd tegen de risico' s van onder meer beroepsziekten.
8 Artikel 3 van de krachtens artikel 73 van het Statuut vastgestelde Regeling bevat de volgende definitie van het begrip "beroepsziekte":
"1. Worden beschouwd als beroepsziekten de ziekten vermeld in de "Europese lijst van beroepsziekten" gevoegd bij de aanbeveling van de Commissie van 23 juli 1962 (PB 1962, L 80, blz. 2188) en de eventuele aanvullingen, voor zover de ambtenaar in zijn beroepswerkzaamheden bij de Europese Gemeenschappen aan het risico deze ziekten op te doen heeft blootgestaan.
2. Wordt eveneens als beroepsziekte beschouwd elke ziekte of verergering van een reeds bestaande ziekte, niet vermeld in de in lid 1 bedoelde lijst, wanneer met voldoende zekerheid komt vast te staan dat zij is ontstaan in of bij de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen."
9 Voor het Gerecht is niet betwist, dat de chronische broncho-pneumopathie waaraan Gill lijdt, niet voorkomt op de in artikel 3, lid 1, van de Regeling bedoelde Europese lijst.
10 In het bestreden arrest heeft het Gerecht de definitie van "beroepsziekte" in artikel 3, lid 2, van de Regeling niet willen overnemen voor de toepassing van artikel 78, tweede alinea, van het Statuut, daar het van oordeel was dat die definitie slechts geldt in het kader van de toepassing van artikel 73 van het Statuut.
11 Daartoe heeft het Gerecht overwogen, dat de regelingen van de artikelen 73 en 78 Ambtenarenstatuut onderling verschillend en van elkaar onafhankelijk zijn. Artikel 78, aldus het Gerecht, verleent de instellingen, in tegenstelling tot artikel 73, namelijk geen machtiging om de voorwaarden voor toekenning van de daarin bedoelde uitkeringen vast te stellen, en de toepassing van de bepalingen ervan is bijgevolg alleen onderworpen aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 13 tot en met 16 van bijlage VIII bij het Statuut, die geen definitie van beroepsziekte bevatten en evenmin verwijzen naar artikel 73 Ambtenarenstatuut of naar de Regeling houdende uitvoeringsbepalingen van dat artikel. Daarom zou het in strijd zijn met de opzet van de betrokken bepalingen om artikel 78 Ambtenarenstatuut uit te leggen in het licht van artikel 3 van de Regeling, die in onderlinge overeenstemming tussen de instellingen krachtens de uitdrukkelijke machtiging van artikel 73, lid 1, Ambtenarenstatuut tot stand is gekomen. Een en ander geldt volgens het Gerecht te meer, indien door een dergelijke uitlegging de rechten van de belanghebbenden zouden worden beperkt.
12 Het Gerecht leidde daaruit af, dat een ambtenaar, om voor het bepaalde in artikel 78, tweede alinea, in aanmerking te komen, niet behoeft aan te tonen dat de ziekte of de verergering daarvan is ontstaan in of bij de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen, als bedoeld in artikel 3, lid 2, van de Regeling.
13 Deze uitlegging van het Gerecht strookt evenwel niet met de letter van het Statuut en van de Regeling en evenmin met de opzet van de ter zake relevante bepalingen daarvan.
14 Anders dan het Gerecht in het bestreden arrest oordeelt, bestaat er geen enkele geldige reden om aan te nemen, dat het begrip "beroepsziekte" een andere inhoud zou moeten hebben naar gelang het gaat om een recht op invaliditeitspensioen wegens beroepsziekte uit hoofde van artikel 78 van het Statuut of om de verzekering tegen de risico' s van beroepsziekte in de zin van artikel 73 van het Statuut, omdat beide uitkeringen bedoeld zijn ter compensatie van de economische gevolgen van een en dezelfde invaliditeitsoorzaak, welke verband houdt met de daadwerkelijk en regelmatig in dienst van de Gemeenschappen verrichte beroepswerkzaamheden.
15 De definitie van beroepsziekte in artikel 3, lid 2, van de Regeling lijkt overigens in overeenstemming te zijn met de gangbare betekenis van de term, namelijk dat alleen een ziekte, of de verergering daarvan, ontstaan in de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen, voor de gemeenschapsregeling als van beroepsmatige aard kan worden beschouwd.
16 Daaruit volgt dat, bij gebreke van een andersluidende bepaling in het Statuut, het begrip "beroepsziekte" binnen deze regeling zelf niet een andere inhoud kan hebben al naar gelang het gaat om toepassing van artikel 73 of artikel 78, ook al voorzien deze bepalingen ieder in een regeling met eigen kenmerken.
17 In die omstandigheden heeft het Gerecht eveneens ten onrechte geoordeeld, dat voor het bewijs van het bestaan van een beroepsziekte in de zin van artikel 78, tweede alinea, van het Statuut de ambtenaar geen causaal verband tussen de ziekte, of de verergering daarvan, en de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen behoeft aan te tonen.
18 Het Gerecht is derhalve in het bestreden arrest uitgegaan van een verkeerde opvatting van het rechtsbegrip "beroepsziekte" in de zin van artikel 78, tweede alinea, van het Statuut en heeft daardoor het gemeenschapsrecht geschonden.
19 Aan deze conclusie doet niet af de overweging, dat de Commissie, toen zij Gill in dienst nam, door de uitslag van het aan de indiensttreding voorafgaand medisch onderzoek van de ambtenaar volledig op de hoogte was van de ziekte waaraan hij leed en die kon zijn ontstaan door diens vroegere beroepswerkzaamheden, waaraan betrokkene de ervaring ontleende die voor de Commissie reden was hem in dienst te nemen.
20 Deze feitelijke omstandigheid kan geen invloed hebben op de inhoud van het rechtsbegrip "beroepsziekte". Ook al zou als vaststaand moeten worden aangenomen dat de Commissie van de ziekte van Gill op de hoogte is geweest, dan kon daaruit rechtens slechts de conclusie worden getrokken, dat het tot aanstelling bevoegde gezag welbewust het risico had aanvaard dat het dienstverband met de betrokken ambtenaar vroegtijdig een einde zou nemen en hem eerder dan het normale tijdstip een pensioen zou moeten worden uitbetaald. Uit deze omstandigheid mocht het Gerecht echter niet afleiden, dat aan een ziekte die de ambtenaar had opgedaan tijdens zijn beroepswerkzaamheden vóórdat hij bij de Gemeenschappen in dienst kwam, een beroepsmatig karakter in de zin van artikel 78, tweede alinea, Ambtenarenstatuut kon worden toegekend.
21 Bijgevolg is het eerste middel van de Commissie gegrond.
22 In haar tweede middel klaagt de Commissie over schending van artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut, doordat het Gerecht heeft verklaard dat zelfs wanneer voor de toepassing van artikel 78, tweede alinea, van het Statuut de aanwezigheid van een causaal verband tussen de ziekte van Gill, of de verergering ervan, en de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen zou moeten worden aangetoond, zulk een verband in casu genoegzaam was komen vast te staan, de andersluidende bevinding van de invaliditeitscommissie ten spijt.
23 Dienaangaande zij vooropgesteld, dat ingevolge artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut junctis de artikelen 7 tot en met 9 van bijlage II bij het Statuut de invalideverklaring als bedoeld in artikel 78 van het Statuut tot de bevoegdheid van de invaliditeitscommissie behoort.
24 Volgens vaste rechtspraak (zie bij voorbeeld het arrest van 21 mei 1981, zaak 156/80, Morbelli/Commissie, Jurispr. 1981, blz. 1357) hebben de bovengenoemde bepalingen tot doel, de definitieve beslissing over alle vragen van medische aard bij medische deskundigen te leggen. Het Hof heeft daaruit afgeleid (zie bij voorbeeld de arresten van 29 november 1984, zaak 265/83, Suss/Commissie, Jurispr. 1984, blz. 4029, en van 19 januari 1988, zaak 2/87, Biedermann/Rekenkamer, Jurispr. 1988, blz. 143), dat de rechterlijke controle zich niet kan uitstrekken tot de eigenlijke medische beoordelingen, die als definitief moeten worden beschouwd wanneer zij in regelmatige omstandigheden tot stand zijn gekomen. Deze rechtspraak geldt om dezelfde redenen ook voor de bevindingen van de in het kader van de procedure van artikel 78 Ambtenarenstatuut optredende invaliditeitscommissie.
25 Nu is de vraag naar het ontstaan van een ziekte in wezen van medische aard. Daaruit volgt, dat noch het tot aanstelling bevoegde gezag noch het Gerecht bevoegd is, op dat punt zijn eigen oordeel in de plaats te stellen van het oordeel van de invaliditeitscommissie.
26 Mitsdien heeft het Gerecht door in weerwil van de bevindingen van de invaliditeitscommissie, die het bestaan van elk causaal verband tussen de ziekte van Gill en diens werkzaamheden bij de Gemeenschappen had ontkend, te oordelen dat de ziekte van betrokkene was ontstaan in de uitoefening van diens beroepswerkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen, het gemeenschapsrecht geschonden.
27 Het tweede middel van de Commissie is dus eveneens gegrond.
28 Uit de voorgaande overwegingen te zamen volgt, dat geen van de gronden waarop het Gerecht het besluit van de Commissie van 20 mei 1988 heeft nietigverklaard, steun vindt in het recht. Derhalve dient het arrest van het Gerecht van 6 april 1990 te worden vernietigd, zonder dat de andere door de Commissie in hogere voorziening aangevoerde middelen behoeven te worden onderzocht.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende:
1) Vernietigt het arrest van het Gerecht van 6 april 1990 in de zaak T-43/89, Gill/Commissie.
2) Verwijst de zaak naar het Gerecht.
3) Houdt de beslissing omtrent de kosten aan.
Full & Egal Universal Law Academy