Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Gezinsbijslagen - Bijslagen voor wezen - Bijslagen ten laste van staat van woonplaats - Bedrag van in Lid-Staat van woonplaats uitgekeerde bijslagen lager dan bedrag van bijslagen krachtens wettelijke regeling van andere Lid-Staat - Recht op toeslag op bijslagen - Berekening - Bijslagen die in aanmerking moeten worden genomen
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 78, leden 1 en 2, sub b-i)
Samenvatting
Artikel 78 van verordening nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat voor de berekening van het recht op de toeslag die verschuldigd is wanneer het in de Lid-Staat van woonplaats werkelijk ontvangen bedrag van de bijslagen lager is dan het bedrag van de bijslagen waarop de wees recht zou hebben krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat, het totaalbedrag van de voor de wees bestemde bijslagen in de betrokken Lid-Staten in aanmerking moet worden genomen, voor zover het bijslagen betreft die onder de definitie van lid 1 van dat artikel vallen.
Partijen
In zaak C-188/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bayerische Landessozialgericht, in het aldaar aanhangig geding tussen
Mario Doriguzzi-Zordanin,
Marzio Doriguzzi-Zordanin
en
Landesversicherungsanstalt Schwaben,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 78 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, G. F. Mancini en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Mario en Marzio Doriguzzi-Zordanin, vertegenwoordigd door L. Fazi, Sozialsekretaer van Patronato ACLI te Augsburg;
- de Landesversicherungsanstalt Schwaben, vertegenwoordigd door de heer Schachtner, eerste directeur, te Augsburg;
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door Ph. Busquin, minister van Sociale zaken, als gemachtigde;
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia en B. Langeheine, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden;
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Mario en Marzio Doriguzzi-Zordanin, de Landesversicherungsanstalt Schwaben, vertegenwoordigd door M. Kohnle, Regierungsdirektor, en de Commissie, ter terechtzitting van 14 november 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 januari 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 17 mei 1990, ingekomen bij het Hof op 11 juni daaraanvolgend, heeft het Bayerische Landessozialgericht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 78 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen de kinderen van een migrerend werknemer (hierna: "verzoekers") en de Landesversicherungsanstalt Schwaben (hierna: "LVA Schwaben") over de vaststelling van de hoogte van een aan verzoekers toegekende aanvullende bijslag.
3 Verzoekers zijn de minderjarige kinderen van de op 29 augustus 1983 overleden werknemer G. Doriguzzi-Zordanin, die zowel in Duitsland als in Italië verzekeringstijdvakken had vervuld. Verzoekers hebben altijd in Italië gewoond.
4 Met ingang van 1 september 1983 verstrekte het Italiaanse verzekeringsorgaan, het Istituto Nazionale della Previdenza Sociale (hierna: "INPS") verzoekers een wezenpensioen uit hoofde van de door hun overleden vader in die Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken. Het bedrag van deze bijslagen lag tussen 59 710 LIT en 73 960 LIT per kind per maand, waarbij maandelijks een vast bedrag van 19 760 LIT per kind kwam als gezinstoeslag.
5 Van oordeel dat het INPS het enige bevoegde orgaan was, heeft LVA Schwaben bij besluit van 3 september 1985 een toeslag op de door het INPS verleende bijslagen geweigerd. Op 16 juli 1986 stelden verzoekers tegen dat besluit beroep in bij het Sozialgericht Augsburg.
6 Op 7 mei 1987 kwam LVA Schwaben op haar eerdere besluit terug en besloot zij verzoekers voor de periode van 1 september 1983 tot 31 december 1985 een toeslag toe te kennen, overeenkomende met het verschil tussen het bedrag van het wezenpensioen dat het in Duitsland bevoegde orgaan theoretisch verschuldigd was op basis van de in die staat vervulde verzekeringstijdvakken, en het totaalbedrag van de in Italië door het INPS verstrekte bijslagen, met inbegrip van de gezinstoeslag.
7 Van mening dat de door het INPS toegekende gezinstoeslag geen bestanddeel vormde van het wezenpensioen, maar een autonome uitkering was, betoogden verzoekers voor het Sozialgericht Augsburg, dat de door LVA Swaben uitgekeerde toeslag moest worden berekend zonder rekening te houden met de genoemde gezinstoeslag. Bij besluit van 19 oktober 1989 verwierp het Sozialgericht Augsburg het beroep. Verzoekers stelden tegen dit besluit hoger beroep in bij het Bayerische Landessozialgericht.
8 Het is in deze context dat de verwijzende rechter heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof uitspraak heeft gedaan over de volgende twee prejudiciële vragen:
"1. Welke bijslagen van het Italiaanse verzekeringsorgaan worden in aanmerking genomen bij de berekening van de door het Duitse verzekeringsorgaan toe te kennen toeslag op het wezenpensioen?
9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en het rechtskader van het hoofdgeding, het procesverloop alsmede de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
10 Met zijn twee prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of artikel 78, lid 1, van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat voor de berekening van het recht op de toeslag die verschuldigd is wanneer het in de Lid-Staat van woonplaats werkelijk ontvangen bedrag van de bijslagen lager is dan het bedrag van de bijslagen waarop de wees recht zou hebben krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat, het totaalbedrag van de voor de wees bestemde bijslagen in de betrokken Lid-Staten in aanmerking moet worden genomen, voor zover het bijslagen betreft die onder de definitie van artikel 78, lid 1, van verordening nr. 1408/71 vallen.
11 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat de bijslagen voor wezen, die voor de berekening van de betrokken toeslag met elkaar moeten worden vergeleken, in het Italiaanse en het Duitse recht onder verschillende regelingen vallen. In feite dienen het wezenpensioen en de gezinstoeslag, die deel uitmaakt van de kinderbijslagen in de zin van artikel 78, lid 1, van verordening nr. 1408/71, welke beide krachtens de Italiaanse wettelijke regeling worden uitgekeerd, te worden vergeleken met het krachtens de Duitse wettelijke regeling uitgekeerde wezenpensioen.
12 Verzoekers merken op, dat de krachtens de Italiaanse wettelijke regeling verstrekte gezinstoeslag niet een bestanddeel vormt van het wezenpensioen, maar een autonome uitkering is die moet worden vergeleken met de Duitse kinderbijslagen die, onafhankelijk van het intreden van een feit dat recht geeft op verzekeringsuitkeringen, voor kinderen ten laste worden betaald. Deze gezinstoeslag zou derhalve niet in aanmerking moeten worden genomen door de met de betaling van het wezenpensioen belaste Duitse organen.
13 LVA Schwaben en de Commissie zijn daarentegen van mening, dat bepalend is, welke bijslagen in de zin van artikel 78 van verordening nr. 1408/71 in de nationale wettelijke regeling worden voorzien in geval van overlijden van een verzekerd werknemer. Aangezien de Italiaanse gezinstoeslag tot deze bijslagen behoort en verzoekers deze toeslag werkelijk ontvangen, zou daarmee rekening moeten worden gehouden bij de berekening van de door het bevoegde Duitse orgaan verschuldigde toeslag.
14 Ter beantwoording van de vragen van de nationale rechter zij eraan herinnerd, dat het Hof artikel 78, lid 2, sub i, van verordening nr. 1408/71 aldus heeft uitgelegd, dat wanneer het bedrag van de in de Lid-Staat van woonplaats werkelijk ontvangen bijslagen lager is dan de door de enkele wettelijke regeling van een andere Lid-Staat voorziene bijslagen, een wees ten laste van het bevoegde orgaan van laatstbedoelde staat recht heeft op een aanvullende bijslag, gelijk aan het verschil tussen de twee bedragen (zie laatstelijk het arrest van 11 juni 1991, zaak C-251/89, Athanasopoulos, Jurispr. 1991, blz. I-2797).
15 Uit deze rechtspraak blijkt, dat de wees van een migrerend werknemer niet het recht op hogere bijslagen kan worden ontnomen, dat hij heeft krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat dan de staat op wiens grondgebied hij woont. Hem kunnen echter niet meer rechten worden toegekend dan die welke hij zou hebben krachtens de wettelijke regeling van die andere Lid-Staat indien hij op diens grondgebied woonde. Dit resultaat kan slechts worden bereikt, indien het orgaan van deze laatste Lid-Staat op de door hem verschuldige bijslagen al die bijslagen in mindering kan brengen welke, ongeacht hun aard of benaming, in de Lid-Staat van woonplaats voor het onderhoud van de wees worden betaald.
16 Blijkens de door de Commissie verstrekte inlichtingen verschillen de nationale regelingen inzake bijstand aan wezen aanzienlijk. Gelet op dit verschil en ten einde willekeurige verschillen naar gelang van de toepasselijke nationale regelingen te voorkomen, moet het begrip bijslag voor wezen in artikel 78, lid 1, van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat het ziet op iedere bijslag die volgens de toepasselijke nationale regeling voor het onderhoud van wezen is bestemd, welke aard of benaming zij overigens ook hebben.
17 Het bedrag van de aanvullende toeslag voor wezen moet derhalve worden vastgesteld door alle in de Lid-Staat van woonplaats werkelijk ontvangen bijslagen ten behoeve van het onderhoud van de betrokken wees te vergelijken met alle bijslagen ten behoeve van het onderhoud van diezelfde wees, waarop hij recht zou hebben indien hij in de andere Lid-Staat woonde.
18 Op de vragen van het Bayerische Landessozialgericht moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 78 van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 aldus moet worden uitgelegd, dat voor de berekening van het recht op de toeslag die verschuldigd is wanneer het in de Lid-Staat van woonplaats werkelijk ontvangen bedrag van de bijslagen lager is dan het bedrag van de bijslagen waarop de wees recht zou hebben krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat, het totaalbedrag van de voor de wees bestemde bijslagen in de betrokken lid-Staten in aanmerking moet worden genomen, voor zover het bijslagen betreft die onder de definitie van artikel 78, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 vallen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 De kosten door de Belgische regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Bayerische Landessozialgericht bij beschikking van 17 mei 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 78 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, moet aldus worden uitgelegd, dat voor de berekening van het recht op de toeslag die verschuldigd is wanneer het in de Lid-Staat van woonplaats werkelijk ontvangen bedrag van de bijslagen lager is dan het bedrag van de bijslagen waarop de wees recht zou hebben krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat, het totaalbedrag van de voor de wees bestemde bijslagen in de betrokken lid-Staten in aanmerking moet worden genomen, voor zover het bijslagen betreft die onder de definitie van artikel 78, lid 1, van verordening nr. 1408/71 vallen.
Full & Egal Universal Law Academy