Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Verplichting ° Draagwijdte ° Beschikking van Commissie, houdende vermindering van financiële bijstand van Europees Sociaal Fonds voor beroepsopleidingsactie
(EEG-Verdrag, art. 190)
Samenvatting
Ofschoon in het kader van een aanvraag om bijstand van het Europees Sociaal Fonds voor een beroepsopleidingsactie een summiere motivering van de beschikking van de Commissie houdende weigering van de bijstand, wel aan de vereisten van artikel 190 EEG-Verdrag voldoet, moeten daarentegen uit de beschikking waarbij het bedrag van de aanvankelijk toegekende bijstand wordt verminderd, duidelijk de redenen blijken die wettigen dat de bijstand wordt verminderd ten opzichte van de aanvankelijk goedgekeurde bijstand, omdat de consequenties van deze beschikking voor de aanvrager ernstiger zijn.
Een beschikking die berust op het feit dat sommige betalingsverplichtingen bij de toekenning van de bijstand niet zijn goedgekeurd, terwijl geen gedetailleerd en specifiek goedkeuringsbesluit ter kennis was gebracht, en die geen enkele inlichting bevat omtrent de wijze waarop het aan de begunstigde meegedeelde bedrag is verminderd, voldoet niet aan dit vereiste en moet nietig worden verklaard.
Partijen
In zaak C-189/90,
Cipeke ° Comércio e Indústria de Papel, Ld.a, vennootschap naar Portugees recht, gevestigd te Lissabon, vertegenwoordigd door J. P. Teixeira de Matos, advocaat te Lissabon, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Portugese Ambassade, Allée Scheffer 33,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur H. Lima als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van de beschikking van de Commisie van 15 maart 1990, waarbij uitgaven ten bedrage van 11 104 748 ESC, die betrekking hebben op bijstandsaanvraag nr. 871012 P1, worden geacht niet voor vergoeding in aanmerking te komen en derhalve niet voor verantwoordelijkheid van het Europees Sociaal Fonds te komen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, G. F. Mancini en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord het pleidooi van partijen ter terechtzitting van 7 januari 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 februari 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 juni 1990, heeft de vennootschap Cipeke ° Comércio e Indústria de Papel, Ld.a, het Hof krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 15 maart 1990, waarbij de aanvankelijk door het Europees en Sociaal Fonds toegekende bijstand ten behoeve van een in naam van verzoekster ingediend opleidingsproject werd verminderd.
2 Volgens artikel 1, lid 2, sub a, van besluit 83/516/EEG van de Raad van 17 oktober 1983 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds (PB 1983, L 289, blz. 38) neemt het Fonds deel in de financiering van beroepsopleiding en beroepskeuzevoorlichting.
3 Volgens artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van besluit 83/516/EEG (PB 1983, L 289, blz. 1, hierna: "de verordening") brengt goedkeuring door het Fonds van een uit hoofde van artikel 3, lid 1, van besluit 83/516 ingediende aanvraag om bijstand, uitkering van een voorschot van 50 % van de toegekende steun met zich mee op de voor de aanvang van de acties vastgestelde datum. Op grond van artikel 5, lid 4, moeten de aanvragen om betaling van het saldo een gedetailleerd verslag over de inhoud, de resultaten en de financiële aspecten van de betrokken actie omvatten.
4 Artikel 6, lid 1, van de verordening bepaalt dat, indien van de bijstand van het Fonds geen gebruik wordt gemaakt op de wijze die in het besluit tot goedkeuring is vastgesteld, de Commissie deze bijstand kan opschorten, verminderen of doen vervallen, na aan de betrokken Lid-Staat gelegenheid te hebben geboden zijn opmerkingen te maken. Lid 2 van dit artikel bepaalt, dat overgemaakte bedragen waarvan geen gebruik is gemaakt op de wijze die in het besluit tot goedkeuring is vastgesteld, worden teruggevorderd en dat de Lid-Staat subsidiair aansprakelijk is voor terugbetaling van ten onrechte uitgekeerde bedragen, wanneer het om acties gaat waarvan hij krachtens artikel 2, lid 2, van voornoemd besluit 83/516 de goede uitvoering heeft gegarandeerd.
5 Het Departemento para os Assuntos do Fundo Social Europeu (dienst belast met de aangelegenheden van het Europees Sociaal Fonds) (hierna: "het DAFSE"), te Lissabon, diende namens de Portugese Republiek ten behoeve van een groep van ondernemingen, waarvan verzoekster deel uitmaakt, bij het Fonds een aanvraag om financiële bijstand in uit hoofde van het begrotingsjaar 1987.
6 Het opleidingsproject waarvoor om bijstand was verzocht, en dat dossiernummer nr. ESF 871012 P1 ontving, werd bij beschikking van 30 april 1987 door de Commissie goedgekeurd onder voorbehoud van bepaalde wijzigingen. Deze beschikking werd aan het DAFSE meegedeeld, dat vervolgens verzoekster ervan in kennis stelde.
7 Na afsluiting van de opleidingsactie diende verzoekster bij het DAFSE een aanvraag om betaling van het eindsaldo in, alsmede het in artikel 5, lid 4, van de verordening bedoelde verslag met kwantitatieve en kwalitatieve gegevens.
8 Ingevolge deze bepaling bevestigde de Portugese Republiek de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de in de betalingsaanvraag verstrekte gegevens en zond zij deze aanvraag naar de Commissie.
9 Na onderzoek van de aanvraag om betaling van het saldo stelde de Commissie bij brief van 10 januari 1990 vast, dat een bepaald bedrag aan uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking kwam. Na een briefwisseling tussen het DAFSE en de Commissie heeft de Commissie bij brief van 2 maart 1990 de aanvankelijk toegekende bijstand van het Fonds verminderd. Deze beschikking is verzoekster bij brief van 15 maart 1990 door het DAFSE ter kennis gebracht.
10 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
11 De betrokken beschikking blijkt door de Commissie aan het DAFSE te zijn medegedeeld in de vorm van een brief, waarin hem ter kennis werd gebracht, dat de bijstand van het Fonds krachtens artikel 6, lid 1, van de verordening werd teruggebracht tot een lager bedrag dan aanvankelijk was goedgekeurd.
12 In dit opzicht wordt verzoekster door de bestreden beschikking, ofschoon deze tot de Portugese Republiek was gericht, rechtstreeks en individueel geraakt in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, aangezien haar bij deze beschikking een gedeelte van de haar aanvankelijk toegekende bijstand wordt ontnomen, terwijl de Lid-Staat dienaangaande niet over een eigen beoordelingsbevoegdheid beschikt.
13 Tot staving van haar beroep betoogt Cipeke allereerst, dat de Commissie wezenlijke vormvoorschriften heeft geschonden, omdat de bestreden beschikking niet aan het motiveringsvereiste van artikel 190 EEG-Verdrag voldoet.
14 Volgens vaste rechtspraak van het Hof heeft de verplichting tot motivering van een individuele beschikking tot doel, het Hof in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te onderzoeken, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist. De omvang van de motiveringsplicht is afhankelijk van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld (arrest van 7 april 1987, zaak 32/86, Sisma, Jurispr. 1987, blz. 1645, r.o. 8).
15 Weliswaar was het Hof ten aanzien van een aanvraag om bijstand van het Fonds in zijn arrest van 7 februari 1990 (zaak C-213/87, Gemeente Amsterdam, Jurispr. 1990, blz. I-221, r.o. 28), zoals de advocaat-generaal in punt 74 van zijn conclusie opmerkt, van oordeel, dat een summiere motivering aan de vereisten van artikel 190 EEG-Verdrag voldoet, doch deze oplossing wordt gerechtvaardigd door het feit, dat de afwijzing van een dergelijke aanvraag slechts de weigering van de aangevraagde financiële steun ten gevolge heeft.
16 Wanneer daarentegen de oorspronkelijke aanvraag eenmaal is goedgekeurd, heeft de beschikking waarbij de aanvankelijk toegekende bijstand wordt verminderd, voor de aanvrager ernstigere consequenties.
17 De aanvrager heeft namelijk een voorschot ontvangen, dat 50 % van de goedgekeurde uitgaven dekt, zodat hij verplicht is om zelf aanzienlijke bedragen voor te schieten, in afwachting van de uitbetaling van het saldo, dat hij mag verwachten te ontvangen, voor zover hij kan aantonen dat van de bijstand van het Fonds gebruik is gemaakt op de wijze die in het besluit tot goedkeuring is vastgesteld.
18 Hieruit volgt, dat uit een beschikking tot vermindering van bijstand duidelijk de redenen moeten blijken, die wettigen dat de bijstand wordt verminderd ten opzichte van de aanvankelijk goedgekeurde bijstand.
19 Met betrekking tot de door de Commissie tot staving van haar beschikking tot vermindering van de bijstand aangevoerde redenen zij opgemerkt, dat de goedkeuring is gegeven voor een totaalbedrag en dat de aanvraag om betaling van het eindsaldo als totaal is ingediend voor het project in zijn geheel, zonder dat een gedetailleerd en specifiek goedkeuringsbesluit aan elk van de betrokken ondernemingen ter kennis is gebracht.
20 Verder blijkt, dat de Commissie de verminderingen tussen de leden van de groep van ondernemingen, waaronder verzoekster, heeft verdeeld naar evenredigheid van ieders aandeel in de betrokken posten en niet op basis van het precieze bedrag van de onregelmatige uitgaven. Deze berekeningswijze is echter nooit ter kennis van verzoekster gebracht.
21 Verzoekster heeft wel kennis kunnen nemen van het totaalbedrag van de vermindering, maar zij kent niet de precieze lijst van de betrokkenen posten of rubrieken, noch weet zij hoe de vermindering per post is uitgesplitst of op welke wijze zij is berekend.
22 Aangezien de modaliteiten van de vermindering van de bijstand van het Fonds niet ter kennis van verzoekster zijn gebracht, moet de bestreden beschikking worden geacht, niet toereikend met redenen te zijn omkleed in de zin van artikel 190 EEG-Verdrag.
23 Hieruit volgt, dat de bestreden beschikking nietig moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
24 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer)
rechtdoende:
1) Verklaart nietig de beschikking van de Commissie van 15 maart 1990 waarin wordt vastgesteld, dat uitgaven ten bedrage van 11 104 748 ESC, die betrekking hebben op de bij het Europees en Sociaal Fonds ingediende bijstandsaanvraag nr. 871012 P1, niet voor vergoeding in aanmerking komen.
2) Verwijst de Commissie in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy