Samenvatting
Partijen
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw - Verdragsbepalingen - Artikel 46 - Toepasselijkheid na overgangsperiode - Niet onder gemeenschappelijke marktordening vallende produkten - Ethylalcohol uit landbouwprodukten - Compenserende heffing - Wettigheid
(EEG-Verdrag, art. 46; verordeningen nrs. 2541/84 en 644/85 van de Commissie)
2. Landbouw - Compenserende heffing op produkten die niet onder gemeenschappelijke marktordening vallen - In Frankrijk uit landbouwprodukten verkregen ethylalcohol - Verwerking in douanevrije zone - Eindprodukt bestemd voor andere Lid-Staat - Toepassing van heffing
(Verordening nr. 2541/84 van de Commissie, art. 2, zoals gewijzigd bij verordening nr. 644/85)
Samenvatting
1. Zoals het Hof reeds heeft beslist (zie arrest van 21 februari 1984, zaak 337/82, St. Nikolaus-Brennerei, Jurispr. 1984, blz. 1051), kan artikel 46 van het Verdrag na het verstrijken van de overgangsperiode worden toegepast op produkten die nog niet onder een gemeenschappelijke marktordening zijn gebracht. Daar ethylalcohol niet onder een gemeenschappelijke marktordening valt, is die bepaling van toepassing, zodat de Commissie een compenserende heffing kan vaststellen op de invoer in andere Lid-Staten van in Frankrijk verkregen ethylalcohol.
2. De compenserende heffing bedoeld in verordening nr. 2541/84 tot invoering van een compenserende heffing op de invoer in de andere Lid-Staten van in Frankrijk uit landbouwprodukten verkregen ethylalcohol, moet worden toegepast op ethylalcohol die in een douanevrije zone is verwerkt en gebruikt in een voor een andere Lid-Staat bestemd eindprodukt en die onder geen andere douaneregeling dan die van douanetoezicht is geplaatst.
Partijen
in zaak C-201/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het tribunale penale e civile di Trieste (eerste burgerlijke kamer), in het aldaar aanhangig geding tussen
Gio Buton SpA en Vinicola Europea SpA
en
Amministrazione delle finanze dello Stato en Ricevitore capo della dogana di Trieste,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid en de uitlegging van verordening (EEG) nr. 2541/84 van de Commissie van 4 september 1984 tot invoering van een compenserende heffing op de invoer in de andere Lid-Staten van in Frankrijk uit landbouwprodukten verkregen ethylalcohol (PB 1984, L 238, blz. 16), en van verordening (EEG) nr. 644/85 van de Commissie van 12 maart 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2541/84 (PB 1985, L 73, blz. 15).
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, Sir Gordon Slynn en R. Joliet, rechters,
(rechtsoverwegingen niet opgenomen)
uitspraak doende op de door het tribunale penale e civile di Trieste (eerste burgerlijke kamer) bij beschikking van 9 mei 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Dictum
1) Bij onderzoek van de eerste vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van verordening (EEG) nr. 2541/84 van de Commissie van 4 september 1984 tot invoering van een compenserende heffing op de invoer in de andere Lid-Staten van in Frankrijk uit landbouwprodukten verkregen ethylalcohol, of van verordening (EEG) nr. 644/85 van de Commissie van 12 maart 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2541/84.
2) De in verordening (EEG) nr. 2541/84 bedoelde compenserende heffing moet worden toegepast op ethylalcohol die in een douanevrije zone is verwerkt en gebruikt in een voor een andere Lid-Staat bestemd eindprodukt en die onder geen andere douaneregeling dan die van douanetoezicht is geplaatst.
Full & Egal Universal Law Academy