Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van personen - Werknemers - Gelijke behandeling - Uitoefening van syndicale rechten - Nationale wettelijke regeling die buitenlandse werknemers uitsluit van deelneming aan verkiezing van leden van beroepskamer waarbij zij verplicht zijn aangesloten - Ontoelaatbaarheid - Rechtvaardiging ontleend aan eventuele deelneming aan uitoefening van openbaar gezag - Geen rechtvaardiging
(Verordening nr. 1612/68 van de Raad, art. 8, lid 1)
Samenvatting
Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1612/68 vormt een bijzondere uitdrukking van het non-discriminatiebeginsel op het specifieke gebied van de deelneming van werknemers aan organisaties en vakbondsactiviteiten, en zijn strekking kan niet worden beperkt op grond van overwegingen die verband houden met de rechtsvorm van de betrokken organisatie. Integendeel, de in deze bepaling bedoelde uitoefening van de syndicale rechten gaat het kader van vakbondsorganisaties in eigenlijke zin te buiten, en omvat met name de deelneming van werknemers aan organen die, hoewel zij niet het rechtskarakter van vakorganisaties hebben, gelijkaardige functies uitoefenen als de behartiging en vertegenwoordiging van de belangen van de werknemers.
Deze bepaling moet derhalve aldus worden uitgelegd, dat zij eraan in de weg staat dat de wetgever aan buitenlandse werknemers het stemrecht onthoudt voor de verkiezing van de leden van een beroepskamer waarbij zij verplicht zijn aangesloten en waaraan zij bijdragen moeten betalen, en die belast is met de behartiging van de belangen van de aangesloten werknemers en een adviserende functie heeft op wetgevingsgebied. Noch het rechtskarakter van de betrokken kamer naar nationaal recht, noch de omstandigheid dat enige van haar functies deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag zouden kunnen inhouden, kan de uitsluiting van werknemers uit andere Lid-Staten van de deelneming aan de verkiezing van haar leden rechtvaardigen.
Partijen
In zaak C-213/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Luxemburgse Cour de cassation, in het aldaar aanhangig geding tussen
Association de soutien aux travailleurs immigrés (ASTI)
en
Chambre des employés privés,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 7, 48, 117, 118, 118 A en 189, tweede alinea, EEG-Verdrag en de artikelen 7 en 8 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, waarnemend voor de president, T. F. O' Higgins en G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, R. Joliet, F. A. Schockweiler en F. Grévisse, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: D. Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- ASTI, vertegenwoordigd door G. Thomas, advocaat te Luxemburg,
- de Chambre des employés privés, vertegenwoordigd door A. T. Ries, advocaat te Luxemburg,
- de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door J. Zahlen, regeringsadviseur bij het Ministerie van Arbeid, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door L. Schiltz, advocaat te Luxemburg, ASTI, de Chambre des employés privés, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 14 maart 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 mei 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 12 juli 1990, binnengekomen bij het Hof op 17 juli daaraanvolgend, heeft de Luxemburgse Cour de cassation krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 7, 48, 117, 118, 118 A en 189, tweede alinea, EEG-Verdrag en de artikelen 7 en 8 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 312/76 van de Raad van 9 februari 1976 (PB 1976, L 39, blz. 2).
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een geding tussen de Association de soutien aux travailleurs immigrés (hierna: "ASTI") en de Chambre des employés privés.
3 De Chambre des employés privés is opgericht bij de Luxemburgse wet van 4 april 1924 tot oprichting van de beroepskamers op electorale grondslag. Bij deze wet werden eveneens de kamers opgericht voor landbouw, ambachten, handel en arbeid. Bij wet van 12 februari 1964 werd de Chambre des fonctionnaires et employés publics opgericht, zodat alle beroepsactiviteiten, met uitzondering van de vrije beroepen, worden gedekt. De wet deelt aan de beroepskamers de algemene taak toe, de belangen van hun "ressortissants", dat wil zeggen de bij hen aangesloten personen, te behartigen.
4 De beroepskamers hebben het recht aan de regering voorstellen te doen, die deze moet onderzoeken en moet voorleggen aan de Chambre des députés. De wetgever dient het advies van de beroepskamers te vragen voor alle wetten, besluiten en verordeningen die op hen betrekking hebben.
5 Op grond van artikel 6 van de wet van 1924 zijn slechts zij die de Luxemburgse nationaliteit bezitten, bevoegd de leden van de kamers te kiezen. Ter dekking van hun kosten kunnen de kamers overeenkomstig artikel 3, zoals gewijzigd bij de wet van 3 juni 1926, van degenen die bij hen zijn aangesloten een bijdrage innen, hetgeen geschiedt door middel van een inhouding door de werkgever op de lonen of salarissen. Vóór deze wetswijziging kon de bijdrage slechts worden geïnd van de kiesgerechtigden.
6 Bij brief van 17 maart 1987 heeft ASTI de Chambre des employés privés ervan op de hoogte gebracht dat zij, in haar hoedanigheid van werkgever en in overleg met haar drie buitenlandse werknemers, onderdanen van andere Lid-Staten, had besloten geen bijdragen meer aan de kamer te betalen, omdat het haar onlogisch leek voor rekening van haar werknemers bijdragen te betalen aan een organisatie waarvan zij waren uitgesloten.
7 De Chambre des employés privés maakte de zaak aanhangig bij het tribunal de paix te Luxemburg, dat ASTI bij vonnis van 13 oktober 1989 veroordeelde tot betaling van de door haar niet afgedragen bijdragen. ASTI ging van dit vonnis in cassatie bij de Luxemburgse Cour de cassation, die bij arrest van 12 juli 1990 de behandeling van de zaak heeft geschorst totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan over de volgende prejudiciële vraag:
"Moeten de artikelen 7, 48, 117, 118, 118 A en 189, tweede alinea, EEG-Verdrag en de artikelen 7 en 8 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad, althans sommige van deze bepalingen, aldus worden uitgelegd, dat zij eraan in de weg staan dat een wettelijke regeling van een Lid-Staat een buitenlandse werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat en die verplicht is aangesloten bij een beroepskamer, verplicht een bijdrage te betalen, doch hem het recht ontzegt om deel te nemen aan de verkiezing van de leden van de kamer, omdat dit recht is voorbehouden aan de eigen onderdanen?"
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
9 Gelet op de motivering van het verwijzingsarrest en de voor het Hof gehouden pleidooien, moet de vraag van de nationale rechter aldus worden opgevat, dat deze wenst te vernemen of het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet dat een nationale wettelijke regeling buitenlandse werknemers het stemrecht onthoudt voor de verkiezing van de leden van een beroepskamer waarbij zij verplicht zijn aangesloten en waaraan zij bijdragen moeten betalen, en die belast is met de behartiging van de belangen van de bij haar aangesloten werknemers en een adviserende taak heeft op wetgevingsgebied.
10 Uit de processtukken blijkt, dat de bij de Chambre des employés privés aangesloten personen werknemer zijn. De verenigbaarheid van het hierboven vermelde verschil in behandeling van eigen onderdanen en buitenlanders met het gemeenschapsrecht, moet derhalve worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers en niet aan de hand van artikel 7 EEG-Verdrag, aangezien laatstgenoemd artikel slechts autonoom toepassing kan vinden in gevallen waarin het gemeenschapsrecht wel geldt, maar waarvoor het Verdrag niet in bijzondere discriminatieverboden voorziet (zie laatstelijk het arrest van 7 maart 1991, zaak C-10/90, Masgio, Jurispr. 1991, blz. I-1119).
11 Op het gebied van het vrije verkeer van werknemers is het fundamentele verbod van discriminatie op grond van nationaliteit neergelegd in artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag. Dit beginsel wordt herhaald in de vijfde en zesde overweging van verordening nr. 1612/68 en in verschillende bijzondere bepalingen van deze verordening, waaronder inzonderheid de artikelen 7 en 8, die worden genoemd in de vraag van de nationale rechter.
12 Allereerst moet deze laatste bepaling, die de meest specifieke is, worden onderzocht.
13 Artikel 8, lid 1, eerste alinea, luidt als volgt:
"Een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat en op het grondgebied van een andere Lid-Staat is tewerkgesteld, geniet gelijkheid van behandeling inzake de toetreding tot vakorganisaties en de uitoefening van de syndicale rechten met inbegrip van het stemrecht en de toegang tot beleids- en bestuursfuncties van een vakorganisatie; hij kan worden uitgesloten van deelneming aan het bestuur van publiekrechtelijke lichamen, alsook van uitoefening van een publiekrechtelijke functie. Hij is bovendien verkiesbaar in de vertegenwoordigende organen van de werknemers in de onderneming."
14 In tegenstelling tot de Commissie en ASTI betwist de Luxemburgse regering de toepasselijkheid van deze bepaling in een zaak als het onderhavige hoofdgeding, omdat het bij de betrokken beroepskamer om een bij de wet opgezette institutionele vertegenwoordiging gaat, aansluiting verplicht is en de beroepskamer zich derhalve onderscheidt van de vrije vakbondsstructuren.
15 De strekking van het zojuist genoemde artikel 8, lid 1, dat een bijzondere uitdrukking vormt van het non-discriminatiebeginsel op het specifieke gebied van de deelneming van werknemers aan organisaties en vakbondsactiviteiten, kan niet worden beperkt op grond van overwegingen die verband houden met de rechtsvorm van de betrokken organisatie.
16 Integendeel, de in deze bepaling bedoelde uitoefening van de syndicale rechten gaat het kader van vakbondsorganisaties in eigenlijke zin te buiten, en omvat met name de deelneming van werknemers aan organen die, hoewel zij niet het rechtskarakter van vakorganisaties hebben, gelijkaardige functies uitoefenen als de behartiging en vertegenwoordiging van de belangen van de werknemers.
17 Hieruit volgt dat het recht om deel te nemen aan de verkiezing van een orgaan als de beroepskamer voor employés, waarvan zowel de algemene taak om de belangen van de daarbij aangesloten werknemers te behartigen, als de meeste van haar functies kenmerkend zijn voor die van een vakbondsorganisatie, moet worden beschouwd als een syndicaal recht in de zin van de zojuist genoemde bepaling, zonder dat zelfs een standpunt behoeft te worden bepaald met betrekking tot de vraag of een dergelijke beroepskamer nu wel of niet moet worden aangemerkt als een vakbondsorganisatie.
18 Subsidiair betoogt de Luxemburgse regering dat een dergelijke beroepskamer in elk geval onder de in artikel 8, lid 1, genoemde uitzondering valt, omdat zij een publiekrechtelijk lichaam is en door haar adviserende functie deelneemt aan de uitoefening van het openbaar gezag.
19 Zoals reeds blijkt uit het arrest van 17 december 1980 (zaak 149/79, Commissie/België, Jurispr. 1980, blz. 3881, r.o. 15), komt de in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1612/68 genoemde uitsluiting "van deelneming aan het bestuur van publiekrechtelijke lichamen, alsook van uitoefening van een publiekrechtelijke functie" overeen met de in artikel 48, lid 4, EEG-Verdrag opgenomen uitzondering en kunnen werknemers van andere Lid-Staten op grond daarvan in voorkomend geval enkel worden uitgesloten van bepaalde werkzaamheden die de deelneming aan openbaar gezag inhouden.
20 De uitsluiting van werknemers uit andere Lid-Staten van het stemrecht voor de verkiezingen van de beroepskamers kan derhalve, wat artikel 8, lid 1, betreft, niet worden gerechtvaardigd door het rechtskarakter van de betrokken kamer naar nationaal recht, noch door de omstandigheid dat enige van haar functies deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag zouden kunnen inhouden.
21 Op de gestelde vraag dient derhalve aldus te worden geantwoord, dat artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1612/68 aldus moet worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat, dat een nationale wettelijke regeling aan buitenlandse werknemers het stemrecht onthoudt voor de verkiezing van de leden van een beroepskamer waarbij zij verplicht zijn aangesloten en waaraan zij bijdragen moeten betalen, en die belast is met de behartiging van de belangen van de aangesloten werknemers en een adviserende functie heeft op wetgevingsgebied.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 De kosten door de Luxemburgse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Cour de cassation bij arrest van 12 juli 1990 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 8, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, moet aldus worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat, dat een nationale wettelijke regeling aan buitenlandse werknemers het stemrecht onthoudt voor de verkiezing van de leden van een beroepskamer waarbij zij verplicht zijn aangesloten en waaraan zij bijdragen moeten betalen, en die belast is met de behartiging van de belangen van de aangesloten werknemers en een adviserende functie heeft op wetgevingsgebied.
Full & Egal Universal Law Academy