Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Ziekteverzekering - Werknemer woonachtig in andere Lid-Staat dan bevoegde staat - Werkingssfeer van artikel 19 van verordening nr. 1408/71 - Werknemer die niet heeft gewerkt in Lid-Staat waar hij woont - Daaronder begrepen
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 19)
Samenvatting
Artikel 19 van verordening nr. 1408/71, betreffende uitkeringen bij ziekte en moederschap in het geval van een werknemer die in een andere dan de bevoegde staat woont, is van toepassing op een onderdaan van een Lid-Staat die, na aldaar in loondienst te hebben gewerkt en daardoor de hoedanigheid van verzekerde te hebben verkregen, in een andere Lid-Staat is gaan wonen, alwaar hij ziek is geworden, ook al had hij daar voor zijn ziekte niet gewerkt.
Partijen
In zaak C-215/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van een Social Security Commissioner te Londen in het aldaar aanhangig geding tussen
Chief Adjudication Officer
en
A. M. Twomey,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 51 EEG-Verdrag en de artikelen 19 en 25 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: Sir Gordon Slynn, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president, F. Grévisse, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door
- de Chief Adjudication Officer, vertegenwoordigd door M. Kent, Barrister, geïnstrueerd door P. K. J. Thompson, Solicitor;
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde;
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Chief Adjudication Officer, van de Duitse regering, vertegenwoordigd door C.-D. Quassowski als gemachtigde, en van de Commissie ter terechtzitting van 25 september 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 oktober 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 21 juni 1990, ten Hove ingekomen op 23 juli daaraanvolgend, heeft een Social Security Commissioner te Londen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 51 EEG-Verdrag en de artikelen 19 en 25 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen A. M. Twomey en de Chief Adjudication Officer.
3 Twomey, die de Britse nationaliteit heeft, werkte van mei 1986 tot 3 juli 1987 te Londen als hulp in de huishouding. Op 19 juli 1987 vestigde zij zich in Ierland en op 23 februari 1988 verzocht zij het Britse Department of Social Security om een uitkering bij ziekte. Tot op dat tijdstip had Twomey in Ierland nog niet gewerkt.
4 Haar verzoek werd voorgelegd aan het Social Security Appeal Tribunal te Newcastle-upon-Tyne, dat het afwees op grond dat de Britse wet betaling van de gevraagde uitkering uitsluit indien de aanvrager niet in Groot-Brittannië verblijft.
5 Ten einde opheldering te verkrijgen over het toepasselijke recht kwam de Adjudication Officer van deze beslissing in beroep bij een Social Security Commissioner, die besloot de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
"Moeten artikel 51 EEG-Verdrag en artikel 19 van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat een in Lid-Staat A wonende en aldaar wegens ziekte arbeidsongeschikt geworden onderdaan van een Lid-Staat, die vóór zijn arbeidsongeschiktheid werkloos was en voor het laatst (als werknemer of als zelfstandige) heeft gewerkt in Lid-Staat B, waar hij destijds woonde, recht heeft op een uitkering bij ziekte voor rekening van het bevoegde orgaan van Lid-Staat B (gesteld dat de betrokkene voldoet aan alle voorwaarden - behalve de verblijfsvoorwaarden - die in de wettelijke regeling van Lid-Staat B zijn gesteld om op een dergelijke uitkering aanspraak te hebben), of vallen de aanspraken van een dergelijke persoon uitsluitend onder artikel 25 van verordening (EEG) nr. 1408/71?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
7 Met zijn prejudiciële vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of artikel 19 van verordening nr. 1408/71, gelet op artikel 51 EEG-Verdrag, aldus moet worden uitgelegd, dat het van toepassing is op een onderdaan van een Lid-Staat die na in de ene Lid-Staat in loondienst te hebben gewerkt, in een andere Lid-Staat is gaan wonen, alwaar hij ziek is geworden, ook al had hij daar voor zijn ziekte niet gewerkt.
8 Artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1408/71 luidt als volgt:
"1. De werknemer of zelfstandige die op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de bevoegde Staat woont en aan de in de wettelijke regeling van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, eventueel met inachtneming van artikel 18, heeft in de Staat op het grondgebied waarvan hij woont, recht op
a) verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof hij bij laatstbedoeld orgaan was aangesloten;
b) uitkeringen welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats kunnen deze uitkeringen evenwel door laatstbedoeld orgaan voor rekening van het eerstbedoelde worden verleend volgens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat."
9 Eerst moet worden ingegaan op de stelling van de Duitse regering, dat artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 - volgens hetwelk op personen die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefenen, de wetgeving van die staat van toepassing is - niet geldt voor iemand in de situatie van Twomey, aangezien deze niet meer in Groot-Brittannië werkt. Volgens de Duitse regering is deze derhalve onderworpen aan de wetgeving van de Lid-Staat waar zij woont, zodat artikel 19 niet van toepassing is, aangezien Twomey op het grondgebied van de bevoegde Lid-Staat woont.
10 Deze stelling kan niet worden aanvaard. Zoals het Hof in zijn arrest van 12 juni 1986 (zaak 302/84, Ten Holder, Jurispr. 1986, blz. 1821, r.o. 14 en 15) heeft geoordeeld, blijft een werknemer die zijn werkzaamheden op het grondgebied van een Lid-Staat beëindigt, aan de wetgeving van deze Lid-Staat onderworpen zolang hij niet in een andere Lid-Staat werkzaam is geweest. Alleen werknemers die hun beroepsactiviteit voorgoed hebben gestaakt, vallen buiten het toepassingsgebied van artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 (zie onder meer het arrest van het Hof van 21 februari 1991, zaak C-140/88, Noij, Jurispr. 1991, blz. I-387, r.o. 9 en 10).
11 Volgens de Chief Adjudication Officer is artikel 19 slechts van toepassing op personen die op het ogenblik dat zij ziek werden, in een andere dan de Lid-Staat van hun woonplaats in loondienst of als zelfstandige werkzaam waren. Hij wijst erop, dat een ruimere uitlegging van artikel 19, waarbij dat artikel ook van toepassing zou zijn op personen die ziek worden op een moment dat zij geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen, de samenhang van het stelsel voor werklozen zou aantasten. Een werkloze die op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat werk zoekt, heeft immers slechts gedurende drie maanden recht op een werkloosheidsuitkering (artikel 69 van verordening nr. 1408/71), terwijl hij dan zonder beperking in de tijd een uitkering bij ziekte zou kunnen krijgen.
12 De Chief Adjudication Officer merkt in dit verband op, dat ook al verwezenlijken genoemde bepalingen de doelstellingen van artikel 51 EEG-Verdrag op het gebied van werkloosheidsuitkeringen, men niet op goede gronden kan aangevoeren, dat deze doelstellingen gunstiger bepalingen ter zake van uitkeringen bij ziekte en moederschap vereisen.
13 In de eerste plaats moet worden opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de omschrijving van het begrip "werknemer" in artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 een algemene strekking heeft en iedere persoon omvat die, al dan niet beroepswerkzaamheden verrichtend, de hoedanigheid van verzekerde krachtens de sociale zekerheidswetgeving van één of meer Lid-Staten bezit (zie onder andere het arrest van 31 mei 1979, zaak 182/78, Pierik, Jurispr. 1979, blz. 1977, r.o. 4). Twomey bezit de hoedanigheid van verzekerde krachtens de Britse wetgeving, aangezien zij, indien zij in het Verenigd Koninkrijk zou wonen, recht op prestaties bij ziekte zou hebben.
14 Vervolgens dient erop te worden gewezen, dat indien de communautaire wetgever de bedoeling zou hebben gehad, de werkingssfeer van artikel 19 van verordening nr. 1408/71 te beperken tot personen die in een periode van beroepsactiviteit ziek zijn geworden, hij dit uitdrukkelijk zou hebben bepaald, zoals in artikel 71, lid 1, van de verordening is gebeurd.
15 Een uitlegging waarbij artikel 19 van toepassing is op alle werknemers in de zin van verordening nr. 1408/71, leidt tot het door de Chief Adjudication Officer gesignaleerde verschil in behandeling. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, vindt dit verschil evenwel zijn verklaring in het feit, dat artikel 19 een andere werkingssfeer heeft dan artikel 25. Dit laatste artikel is immers van toepassing op werklozen die tijdelijk in een andere dan de bevoegde Lid-Staat werk zoeken, terwijl artikel 19 geldt voor werknemers die in een andere dan de bevoegde Lid-Staat wonen, dat wil zeggen werknemers die aldaar hun "normale verblijfplaats" hebben (artikel 1, sub h, van de verordening).
16 Ten slotte moet worden opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie het reeds aangehaalde arrest Pierik) het begrip "werknemer" in artikel 22 van verordening nr. 1408/71 pensioen- of rentetrekkers omvat. Aangezien dit artikel in dezelfde afdeling van de verordening als artikel 19 staat, kan hetzelfde begrip in laatstgenoemd artikel niet aldus worden uitgelegd, dat het uitsluitend doelt op actieve werknemers.
17 Bijgevolg is er geen enkele grond om het begrip "werknemer" voor de toepassing van artikel 19 zo restrictief uit te leggen, dat iemand in de situatie van Twomey buiten de werkingssfeer van dit artikel zou vallen.
18 Mitsdien moet op de vraag van de nationale rechter worden geantwoord, dat artikel 19 van verordening nr. 1408/71 van toepassing is op een onderdaan van een Lid-Staat die na in de ene Lid-Staat in loondienst te hebben gewerkt, in een andere Lid-Staat is gaan wonen, alwaar hij ziek is geworden, ook al had hij daar voor zijn ziekte niet gewerkt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 De kosten door de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door een Social Security Commissioner te Londen bij beschikking van 21 juni 1990 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 19 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6), is van toepassing op een onderdaan van een Lid-Staat die na in de ene Lid-Staat in loondienst te hebben gewerkt, in een andere Lid-Staat is gaan wonen, alwaar hij ziek is geworden, ook al had hij daar voor zijn ziekte niet gewerkt.
Full & Egal Universal Law Academy