Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Granen - Prijsstelsel - Nationale interventiemaatregelen - Nationale belasting op bepaalde landbouwprodukten die onder gemeenschappelijke ordening vallen - Ontoelaatbaarheid in geval van risico van verstoring van werking van stelsel van gemeenschappelijke ordening - Beoordeling door nationale rechter
Samenvatting
Een gemeenschappelijke ordening der markten zoals die welke in de sector granen door verordening (EEG) nr. 2727/75 is ingesteld, voert een stelsel in, dat in hoofdzaak ten doel heeft, in het produktie- en groothandelsstadium tot een prijspeil te komen dat rekening houdt met zowel de belangen van de gehele communautaire produktie in de betrokken sector als die van de verbruikers, en dat de bevoorrading verzekert zonder een overtollige produktie aan te moedigen. Met dit stelsel is onverenigbaar de toepassing, gedurende een lange periode, door een Lid-Staat van een heffing op een beperkt aantal produkten die onder de betrokken gemeenschappelijke ordening vallen, wanneer die heffing, door middel van een merkbare invloed op de hoogte van de marktprijs, de marktdeelnemers ertoe kan brengen hun produktie- of consumptiestructuur te wijzigen.
Het staat aan de nationale rechter, te beoordelen of de heffing waarop een bij hem aanhangig geding betrekking heeft, een dergelijke werking heeft gehad.
Partijen
In zaak C-235/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Tribunal de grande instance de Morlaix, in het aldaar aanhangig geding tussen
Aliments Morvan SARL,
en
Directeur des services fiscaux du Finistère,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het gemeenschapsrecht in verband met de toepassing van een parafiscale heffing op granen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, G. F. Mancini en C. N. Kakouris, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: V. Di Bucci, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door:
- Aliments Morvan, vertegenwoordigd door A. Pierre, advocaat te Rennes, en P. Dibout, advocaat te Parijs,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door P. Pouzoulet, adjunct-directeur bij de directie Juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en G. de Bergues, adjunct eerste secretaris bij hetzelfde ministerie, als plaatsvervangend gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Foens Buhl, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Aliments Morvan, vertegenwoordigd door J.-P. Gosselin en P. Dibout, advocaten te Parijs, en van de Commissie ter terechtzitting van 2 mei 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juni 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 27 juni 1990, ingekomen bij het Hof op 30 juli daaraanvolgend, heeft het Tribunal de grande instance de Morlaix krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van het gemeenschapsrecht, ten einde te kunnen bepalen of dit in de weg staat aan de toepassing door een Lid-Staat van een parafiscale opslagheffing op granen.
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen de vennootschap Aliments Morvan (hierna: "Morvan") en de directeur des services fiscaux du Finistère in verband met een verzoek om restitutie van bedragen die ten behoeve van het Office national interprofessionnel des céréales (hierna: "ONIC") waren geïnd uit hoofde van de parafiscale heffing op granen ingesteld bij decreet nr. 53-975 van 30 september 1953 betreffende de organisatie van de graanmarkt en van het ONIC (JORF van 1 oktober 1953, blz. 8635).
3 Na verschillende keren te zijn verlengd en gewijzigd, wordt de heffing thans geregeld door decreet nr. 87-676 van 17 augustus 1987 betreffende de parafiscale opslagheffing in de graansector (JORF van 1 augustus 1987, blz. 9520). Voor de jaren na 1987 is voor de inning ervan ieder jaar machtiging verleend bij de middelenwet. De regels voor de toepassing van decreet nr. 87-676 zijn vastgesteld bij het besluit van 14 maart 1988 betreffende de opslagheffing en de heffing ten behoeve van de bijkomende begroting voor sociale voorzieningen in de landbouwsector in verband met de invoer en uitvoer van granen en van granen afgeleide produkten.
4 Krachtens artikel 1 van decreet nr. 87-676 wordt de betrokken heffing toegepast bij de erkende inkopers van graan en de graanproducenten over elke partij zachte tarwe, durum tarwe, gerst en maïs die is doorverkocht of gebruikt. Zij wordt ook toegepast bij de importeurs over de partijen ingevoerd graan van deze soorten. Op het moment van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het hoofdgeding, was de heffing bepaald op 3 FF per ton gerst, tarwe of maïs.
5 Morvan vervaardigt diervoeders en gebruikt daarvoor graan. Aangezien zij bij de aankoop van dit graan de haars inziens met het gemeenschapsrecht strijdige heffing had betaald, verzocht zij om restitutie daarvan voor de periode van 1 juli 1986 tot en met 31 mei 1988. Nadat haar verzoek bij beschikking van de directeur des services fiscaux du Finistère was afgewezen, stelde zij tegen deze beschikking beroep in bij het Tribunal de grande instance de Morlaix.
6 In deze omstandigheden heeft de nationale rechter het Hof bij wege van prejudiciële vraag verzocht
"alle gegevens betreffende de uitlegging van het gemeenschapsrecht te verstrekken die nodig zijn om hem in staat te stellen te beslissen of de opslagheffing die is ingesteld bij decreet nr. 53-975 van 30 september 1953 en is verlengd bij de decreten nrs. 82-732 en 82-733 van 23 augustus 1982, bij decreet nr. 87-676 van 17 augustus 1987 en bij het uitvoeringsbesluit van 14 maart 1988, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht in de uitlegging die het Hof daarvan heeft gegeven".
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8 Ofschoon de gestelde vraag naar het gemeenschapsrecht in zijn geheel verwijst, is het Hof van mening dat zijn onderzoek betrekking moet hebben op de regelingen van het gemeenschappelijke landbouwbeleid, die voor de sector granen met name voortvloeien uit verordening (EEG) nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB 1975, L 281, blz. 1).
9 In dit verband dient eraan te worden herinnerd, dat zoals het Hof met name in zijn arrest van 10 maart 1981 (gevoegde zaken 36/80 en 71/80, Irish Creamery, Jurispr. 1981, blz. 735, r.o. 20) heeft vastgesteld, de mechanismen van een gemeenschappelijke marktordening, zoals die in de sector granen, in hoofdzaak ten doel hebben, in het produktie- en groothandelsstadium tot een prijspeil te komen dat rekening houdt met zowel de belangen van de gehele communautaire produktie in de betrokken sector als die van de verbruikers, en dat de bevoorrading verzekert zonder een overtollige produktie aan te moedigen.
10 In dat arrest heeft het Hof bovendien geoordeeld, dat deze doelstellingen in het gedrang kunnen worden gebracht door nationale maatregelen die een aanmerkelijke invloed hebben op het prijspeil op de markt. In het geval van een belasting op bepaalde landbouwprodukten hangt het gevaar van een dergelijke invloed niet enkel af van het tarief en de duur van de belasting, doch ook van de betrokken marktsituatie en, voor wat de bevoorrading betreft, vooral van het meer of minder algemene karakter ervan, dat wil zeggen van het aantal belaste landbouwprodukten. Een belasting van korte duur die geldt voor een groot aantal produkten, kan neutraal zijn doordat zij geen wijziging meebrengt van de structuur van de landbouwproduktie. Wanneer de belasting de producenten evenwel ertoe aanzet, de belaste produkten gedeeltelijk te vervangen door niet belaste produkten, bestaat het gevaar dat de belasting op verschillende markten verstoringen veroorzaakt.
11 Met betrekking tot de heffing die in het hoofdgeding aan de orde is, blijkt uit het dossier, dat deze in 1953 is ingesteld en slechts drie soorten graan, namelijk tarwe, gerst en maïs - dus een zeer beperkt aantal landbouwprodukten - treft.
12 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht en in het bijzonder de regelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zoals deze in de sector granen met name voortvloeien uit de bepalingen van verordening nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, in de weg staan aan de toepassing door een Lid-Staat van een heffing die gedurende langere tijd op een beperkt aantal landbouwprodukten wordt gelegd, wanneer die heffing de marktdeelnemers ertoe kan brengen hun produktie- of consumptiestructuur te wijzigen. Het staat aan de nationale rechter, te beoordelen of de heffing waarop een bij hem aanhangig geding betrekking heeft, een dergelijke werking heeft gehad.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal de grande instance de Morlaix bij vonnis van 27 juni 1990 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Het gemeenschapsrecht en in het bijzonder de regelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zoals deze in de sector granen met name voortvloeien uit de bepalingen van verordening (EEG) nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, staan in de weg aan de toepassing door een Lid-Staat van een heffing die gedurende langere tijd op een beperkt aantal landbouwprodukten wordt gelegd, wanneer die heffing de marktdeelnemers ertoe kan brengen hun produktie- of consumptiestructuur te wijzigen. Het staat aan de nationale rechter, te beoordelen of de heffing waarop een bij hem aanhangig geding betrekking heeft, een dergelijke werking heeft gehad.
Full & Egal Universal Law Academy