Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Vrij verrichten van diensten - Verdragsbepalingen - Werkingssfeer - Reglementering van verkoop van goederen, toebehorend aan in andere Lid-Staat gevestigd handelaar - Daarvan uitgesloten - Onderwerping aan bepalingen inzake vrij verkeer van goederen
( EEG-Verdrag, art . 59 )
2 . Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Openbare verkoping van ingevoerde tweedehands goederen - Vereiste dat eigenaar in plaatselijk handelsregister moet zijn ingeschreven - Ontoelaatbaarheid - Rechtvaardiging - Consumentenbescherming - Redenen van openbare orde - Afwezigheid
( EEG-Verdrag, art . 30 en 36 )
Samenvatting
1 . Een wettelijke regeling van een Lid-Staat, waarin de voorwaarden worden vastgesteld waaronder een in een andere Lid-Staat gevestigde handelaar hem toebehorende goederen mag verkopen, valt niet onder het toepassingsgebied van artikel 59 EEG-Verdrag . Daar zij betrekking heeft op de voorwaarden voor het in de handel brengen van goederen die het voorwerp uitmaken van handel tussen de Lid-Staten, valt zij onder de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen .
2 . Een nationale wettelijke regeling die voor de openbare verkoping van uit een andere Lid-Staat afkomstige tweedehands goederen de voorwaarde stelt, dat de onderneming die eigenaar is van de te koop aangeboden goederen, zich vooraf laat inschrijven in het handelsregister van de plaats waar de verkoop plaatsvindt, is onverenigbaar met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag . Een dergelijke maatregel, die het vrije verkeer van goederen kan belemmeren, kan immers niet worden gerechtvaardigd door dwingende eisen van consumentenbescherming noch door redenen van openbare orde als bedoeld in artikel 36, daar enerzijds ter bescherming van de consumenten voorwaarden kunnen worden gesteld die het vrij verkeer van goederen minder belemmeren en anderzijds de doelstelling van voorkoming van de verkoop van gestolen voertuigen kan worden bereikt door passende controlemaatregelen .
Partijen
In zaak C-239/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Franse Cour de cassation ( kamer voor commerciële, financiële en economische zaken ), in het aldaar aanhangig geding tussen
SCP Boscher, Studer et Fromentin
en
SA British Motors Wright en andere,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 59, 30 en 36 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
samengesteld als volgt : J . C . Moitinho de Almeida, kamerpresident, G . C . Rodríguez Iglesias, Sir Gordon Slynn, F . Grévisse en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : G . Tesauro,
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door :
- SA British Motors Wright en andere, vertegenwoordigd door J.-P . Hermant, advocaat te Parijs,
- SCP Boscher, Studer et Fromentin, vertegenwoordigd door J . Consolo, advocaat te Parijs,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E . Lasnet, lid van haar juridische dienst, en H . Lehman, een bij de juridische dienst gedetacheerd Frans ambtenaar, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van SA British Motors Wright en andere en van de Commissie ter terechtzitting van 5 maart 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van diezelfde dag,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 3 juli 1990, ingekomen bij het Hof op 31 juli daaraanvolgend, heeft de Franse Cour de cassation ( kamer voor commerciële, financiële en economische zaken ) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 59, 30 en 36 EEG-Verdrag .
2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen SCP Boscher, Studer et Fromentin, een Parijse maatschappij van veilingmeesters, en SA British Motors Wright en andere, verkopers van luxe tweedehands auto' s, in verband met een verbod op het houden van een openbare verkoping .
3 Volgens artikel 1, lid 1, van de Franse wet van 25 juni 1841 houdende regeling van de openbare verkopingen, mag niemand het houden van openbare verkopingen tot een gebruikelijk onderdeel van zijn bedrijfsvoering maken . Lid 3 van dit artikel bepaalt, dat eveneens verboden zijn op dezelfde wijze verrichte vrijwillige detailverkopen van tweedehands goederen of voorwerpen, waarvan de eigenaars of houders handelaars zijn die niet sedert ten minste twee jaar staan ingeschreven in het handelsregister en in het kohier van de bedrijfsbelastingen in het ressort van het tribunal de grande instance waar die verkopen moeten plaatsvinden .
4 SCP Boscher, Studer et Fromentin had van de vennootschap Nado, een vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Hamburg, opdracht gekregen om op 6 november 1988 een openbare verkoping te houden van tweedehands voertuigen, waarvan de kort-gedingrechter in eerste aanleg heeft vastgesteld, dat sommige verzamelobjecten waren en andere, recente luxewagens met een lage kilometerstand . British Motors Wright en drie andere vennootschappen verzochten het tribunal de grande instance te Parijs in kort geding om deze veiling krachtens artikel 1 van de wet van 25 juni 1841 te verbieden . Op grond van deze bepaling verbood de rechter bij beschikking van 4 november 1988 de veilingmeesters tot de verkoping over te gaan zolang niet was aangetoond, dat de eigenaar of de houder van de voertuigen stond ingeschreven in het handelsregister of in het kohier van de bedrijfsbelastingen, zoals voorgeschreven in artikel 1 van de wet van 25 juni 1841 . SCP Boscher, Studer et Fromentin tekende hoger beroep aan tegen deze beschikking, doch deze werd de volgende dag bij arrest van de cour d' appel te Parijs bevestigd . Tegen dit arrest voorzag SCP Boscher, Studer et Fromentin zich in cassatie .
5 In dit verband heeft de nationale rechterlijke instantie het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld :
"1 ) Moet artikel 59 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat het van toepassing kan zijn op het geval, dat een in een Lid-Staat gevestigde handelaar incidenteel aan hem toebehorende tweedehands goederen in een andere Lid-Staat laat veilen?
2 ) Zo ja, moeten voorwaarden als die welke zijn opgenomen in de wet van 25 juni 1841, dan worden aangemerkt als beperkingen?
3 ) Moet artikel 30 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat het van toepassing is op openbare verkopingen van uit een andere Lid-Staat afkomstige tweedehands goederen, waarvoor voorwaarden gelden als die welke zijn opgenomen in de wet van 25 juni 1841?
4 ) Zo ja, zou dan een beroep kunnen worden gedaan op de met de openbare orde verband houdende uitzondering als voorzien in artikel 36 EEG-Verdrag?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en het juridische kader van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De eerste vraag ( vrij verrichten van diensten )
7 Met haar eerste vraag wenst de nationale rechterlijke instantie te vernemen, of een wettelijke regeling van een Lid -Staat tot vaststelling van de voorwaarden waaronder een in een andere Lid-Staat gevestigde handelaar hem toebehorende goederen mag verkopen, onder het toepassingsgebied van artikel 59 EEG-Verdrag valt .
8 Vastgesteld moet worden, dat een dergelijke wettelijke regeling, die betrekking heeft op de voorwaarden voor het in de handel brengen van goederen die het voorwerp uitmaken van handel tussen de Lid-Staten, valt onder de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen .
9 Volgens artikel 60 EEG-Verdrag worden als diensten beschouwd de dienstverrichtingen welke tegen vergoeding geschieden, voor zover de bepalingen betreffende met name het vrij verkeer van goederen er niet op van toepassing zijn .
10 Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat de wettelijke regeling van een Lid-Staat tot vaststelling van de voorwaarden waaronder een in een andere Lid-Staat gevestigde handelaar hem toebehorende goederen mag verkopen, niet onder het toepassingsgebied van artikel 59 EEG-Verdrag valt .
De tweede vraag
11 Gezien het antwoord op de eerste prejudiciële vraag, behoeft over de tweede vraag geen uitspraak te worden gedaan .
De derde en de vierde vraag ( vrij verkeer van goederen )
12 Met deze vragen wenst de nationale rechterlijke instantie te vernemen, of een nationale wettelijke regeling die voor de openbare verkoping van uit een andere Lid-Staat afkomstige tweedehands goederen de voorwaarde stelt, dat de onderneming die eigenaar is van de te koop aangeboden goederen, zich vooraf laat inschrijven in het handelsregister van de plaats waar de verkoop plaatsvindt, verenigbaar is met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag .
13 Volgens het arrest van 11 juli 1974 ( zaak 8/74, Dassonville, Jurispr . 1974, blz . 837 ) slaat het in artikel 30 EEG-Verdrag neergelegde verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen op iedere handelsregeling van de Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren .
14 Volgens vaste rechtspraak van het Hof ( arresten van 15 december 1982, zaak 286/81, Oosthoek, Jurispr . 1982, blz . 4575, en van 7 maart 1990, zaak C-362/88, GB-Inno, Jurispr . 1990, blz . 667 ) is het niet uitgesloten, dat het feit dat een onderneming gedwongen wordt, in de diverse Lid-Staten verschillende methoden van reclame of verkoopbevordering te hanteren of een haars inziens bijzonder doeltreffende methode op te geven, een invoerbelemmering kan opleveren, ook indien een dergelijke regeling zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde produkten . In het arrest van 16 mei 1989 ( zaak 382/87, Buet, Jurispr . 1989, blz . 1235 ) heeft het Hof gepreciseerd, dat dit te meer geldt wanneer de betrokken regeling niet het gebruik van een reclamemethode, doch van een verkoopmethode onmogelijk maakt voor de onderneming .
15 Voorts heeft het Hof uitgemaakt, dat een wettelijke regeling die voor de in een andere Lid-Staat gevestigde ondernemingen bijkomende kosten meebrengt wegens de verplichting een vertegenwoordiger te hebben in de staat van invoer, moet worden beschouwd als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking ( arresten van 2 maart 1983, zaak 155/82, Commissie/België, Jurispr . 1983, blz . 531, en van 28 februari 1984, zaak 247/81, Commissie/Duitsland, Jurispr . 1984, blz . 1111 ).
16 Vastgesteld moet worden, dat een nationale wettelijke regeling die voor de openbare verkoping de voorwaarde stelt, dat de verkoper zich vooraf laat inschrijven in het handelsregister van de plaats waar de verkoping plaatsvindt, het vrij verkeer van goederen kan belemmeren, aangezien de eigenaar van de goederen daardoor wordt gedwongen om ofwel een handelaar in te schakelen die zijn bedrijf uitoefent op de plaats waar de verkoop plaatsvindt, ofwel af te zien van de methode van openbare verkoping .
17 Daar het een regeling betreft die zonder onderscheid van toepassing is op de verkoop van nationale en ingevoerde produkten, moet worden nagegaan, of zij haar rechtvaardiging kan vinden in dwingende eisen van consumentenbescherming .
18 Dienaangaande is gesteld, dat de voorwaarde dat de verkoper zich vooraf laat inschrijven in het handelsregister van de plaats waar de verkoop plaatsvindt, noodzakelijk is omdat anders het systeem van openbare verkoping de consument onvoldoende waarborgen biedt wat de herkomst en de staat van een goed betreft, terwijl hij daarenboven koopt zonder bedenktijd te hebben gehad .
19 Het Hof heeft reeds herhaalde malen beslist, dat een regeling die beoogt te voldoen aan een dwingend vereiste, evenredig behoort te zijn aan het nagestreefde doel en dat een Lid-Staat, indien hij dit doel met minder restrictieve middelen kan bereiken, deze middelen behoort aan te wenden ( arrest van 16 mei 1989, Buet, reeds aangehaald, r.o . 11 ).
20 Vastgesteld moet worden, dat de in de stukken beschreven methode van openbare verkopingen zich doorgaans richt tot kopers die bijzonder op hun hoede zijn, en met voldoende waarborgen voor de consument is omgeven . In elk geval kunnen ter bescherming van de consumenten voorwaarden worden gesteld die het vrij verkeer van goederen minder belemmeren dan het vereiste, dat de eigenaar van de te koop aangeboden goederen zich vooraf laat inschrijven in het handelsregister van de plaats waar de verkoop plaatsvindt .
21 Derhalve kan een wettelijke regeling als die waarop de nationale rechterlijke instantie het oog heeft, niet worden gerechtvaardigd door dwingende eisen van consumentenbescherming; bijgevolg is zij onverenigbaar met artikel 30 EEG-Verdrag .
22 Een dergelijke wettelijke regeling kan evenmin worden gerechtvaardigd door redenen van openbare orde overeenkomstig artikel 36 EEG-Verdrag .
23 De in dit verband aangevoerde doelstelling, namelijk het voorkomen van de verkoop van gestolen voertuigen, kan worden bereikt door passende controlemaatregelen, zoals de verificatie van het chassisnummer .
24 Op de door de nationale rechterlijke instantie gestelde vragen moet derhalve worden geantwoord, dat een nationale wettelijke regeling die voor de openbare verkoping van uit een andere Lid-Staat afkomstige tweedehands goederen de voorwaarde stelt, dat de onderneming die eigenaar is van de te koop aangeboden goederen, zich vooraf laat inschrijven in het handelsregister van de plaats waar de verkoop plaatsvindt, onverenigbaar is met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
uitspraak doende op de door de Franse Cour de cassation ( kamer voor commerciële, financiële en economische zaken ) bij arrest van 3 juli 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Een wettelijke regeling van een Lid-Staat tot vaststelling van de voorwaarden waaronder een in een andere Lid-Staat gevestigde handelaar hem toebehorende goederen mag verkopen, valt niet onder het toepassingsgebied van artikel 59 EEG-Verdrag .
2 ) Een nationale wettelijke regeling, die voor de openbare verkoping van uit een andere Lid-Staat afkomstige tweedehands goederen de voorwaarde stelt, dat de onderneming die eigenaar is van de te koop aangeboden goederen, zich vooraf laat inschrijven in het handelsregister van de plaats waar de verkoop plaatsvindt, is onverenigbaar met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag .
Full & Egal Universal Law Academy