Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren ° Beroep ° Arrest houdende nietigverklaring ° Gevolgen ° Nietigverklaring van proef van algemeen vergelijkend onderzoek ° Verplichtingen van jury en van tot aanstelling bevoegd gezag ° Uitbreiding van nietigverklaring tot handelingen verricht in verder verloop van vergelijkend onderzoek ° Schending van het recht ° Hogere voorziening gegrond
(Ambtenarenstatuut, art. 91)
Samenvatting
Wanneer in het kader van een algemeen vergelijkend onderzoek met het oog op de vorming van een aanwervingsreserve een proef wordt nietig verklaard, worden de rechten van een verzoeker afdoende beschermd wanneer de jury en het tot aanstelling bevoegd gezag hun besluiten herzien en voor zijn geval een billijke oplossing zoeken, zonder dat het nodig is de gehele uitslag van het vergelijkend onderzoek op losse schroeven te zetten of de daaruit voortvloeiende benoemingen nietig te verklaren. Het gaat er immers om, de belangen van de door een onregelmatigheid tijdens een vergelijkend onderzoek benadeelde kandidaten en de belangen van de andere kandidaten tegen elkaar af te wegen. De rechter is mitsdien gehouden, niet alleen de noodzaak tot herstel van de rechtspositie van de benadeelde kandidaten, maar ook het gerechtvaardigd vertrouwen van de geslaagde kandidaten in aanmerking te nemen. Een arrest van het Gerecht, waarbij niet enkel de onregelmatige proef, maar ook de in het verdere verloop van het vergelijkend onderzoek verrichte handelingen worden nietig verklaard, is derhalve ongeldig wegens schending van het recht, doordat het de gevolgen van de nietigverklaring niet beperkt tot het herstel van de rechten van de verzoekers.
Partijen
In zaak C-242/90 P,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur H. Étienne, en S. van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, vervolgens door haar juridisch hoofdadviseur G. Valsesia en S. van Raepenbusch, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
requirante,
ondersteund door
J. Allen, G.-M. André, B. Benz, L. Blasig, J.-L. Chomel, D. Daly, M. Debois, B. Delpeuch, D. Diane, M. Dihm, E. Divaris, M. Gowen, A. Guillaud, A. Haniotis, J. Hanna, C. Hebberecht, J. Humières, G. Kiely, D. Lange, G. Ledoux, M. Lemasson, F. Lorenzi, J. Loriz-Hoffmann, C. Rambaud, J. Russell, H. Spitz en G. Verhelst, ambtenaren van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. E. Pheasant, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Loesch & Wolter, advocaten aldaar, Rue Zithe 8,
en door
P. Alberdi Anchia, A. Bordes, A. Longo, F. Lozano Gallego, F. Javier Maeztu, J. A. Munch, A. H. Van Der Meer, R. Van Der Stappen, R. Vanhoorde en J. Zorrilla Torras, ambtenaren van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Vandersanden en S. Dubois, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Schmitt, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,
en door
I. Ascasibar Zubizarreta, P. Buggenhout, P. Blancquaert, J. C. Boixo Perez-Holanda, E. Bradbury, A. J. Stefan Chojecki, A. De Troch, D. A. Fernández Aguirre, V. Fleming, J.-C. Kirpach, I. Lagneaux-Vencken, M. Loesch, P. Mathieu, B. Meuleman, H. von Meyer, S. Nikolajsen, E.-M. Reversat, S. Swinnen en C. Vardakis, vertegenwoordigd door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Arendt, advocaat aldaar, Avenue Marie-Thérèse 4,
en door
Fédération de la fonction publique européenne (FFPE), vertegenwoordigd door F. Jongen, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Schmitt, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,
interveniënten,
betreffende hogere voorziening tegen het op 12 juli 1990 door het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van de Europese Gemeenschappen in zaak T-35/89 gewezen arrest tussen A. Albani, A. Caferri, C. Caruso en B. Buffaria en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, en strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van dat arrest,
andere partijen bij de procedure:
A. Albani, A. Caferri, C. Caruso en B. Buffaria, vertegenwoordigd door G. Collin, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
ondersteund door
Union syndicale ° Brussel, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
interveniënte,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, M. Zuleeg, R. Joliet, J. C. Moitinho de Almeida en F. Grévisse, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: J.-G. Giraud
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 maart 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 augustus 1990, heeft de Commissie krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 12 juli 1990 (zaak T-35/89, Albani e.a., Jurispr. 1990, blz. II-395), voor zover het Gerecht alle in de loop van vergelijkend onderzoek COM/A/482 genomen besluiten betreffende de correctie van de tweede schriftelijke proef heeft nietig verklaard en de gevolgen van die nietigverklaring niet heeft beperkt tot het herstel van de rechtspositie van de oorspronkelijke verzoekers, te weten Albani, Caferri, Caruso en Buffaria.
2 Blijkens het bestreden arrest liggen aan de zaak de volgende feiten ten grondslag:
"1) Bij een op 12 februari 1987 gepubliceerde aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/A/482 (PB 1987, C 34, blz. 15) begon de Commissie een algemeen vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen voor de vorming van een reserve van administrateurs van de rangen 7 en 6 van categorie A op het gebied van de landbouw, de visserij en de samenwerking met ontwikkelingslanden.
2) Volgens de aankondiging van vergelijkend onderzoek zou het examen uit twee gedeelten bestaan: een schriftelijk gedeelte en een mondeling gedeelte.
3) Het schriftelijk gedeelte zou uit twee achtereenvolgende proeven bestaan: een eerste schriftelijke proef bestaande uit een aantal meerkeuzevragen ter beoordeling van de algemene kennis van de kandidaat op de gebieden waarop het vergelijkend onderzoek betrekking had, en een tweede ° praktische ° schriftelijke proef om het vermogen tot analyseren van de kandidaten alsmede hun ervaring met het behandelen van dossiers te beoordelen. Alleen wie voor de eerste schriftelijke proef slaagde, zou aan de tweede proef mogen deelnemen.
4) Tot het mondeling gedeelte zouden worden toegelaten de kandidaten die voor de twee proeven van het schriftelijk gedeelte te zamen ten minste 60 van de in totaal 100 punten en voor elke proef het vereiste minimumaantal punten hadden behaald.
5) De vier verzoekers behoorden tot de 877 kandidaten die tot het schriftelijk gedeelte waren toegelaten. De eerste schriftelijke proef vond plaats op 20 november 1987 op 19 verschillende plaatsen in Europa, Zuid-Amerika en Australië. Verzoekers behaalden voor de selectieproef het vereiste minimumaantal punten en meldden zich aan voor de tweede schriftelijke proef.
6) Voor deze laatste schriftelijke proef, waarvan de duur op drie en een half uur was bepaald, verzocht de jury de kandidaten, aan de hand van een dossier een nota van maximaal 800 woorden op te stellen. Deze ter attentie van de voorzitter van de Commissie op te stellen nota moest een samenvatting van het speciaal verslag van de Rekenkamer over het stelsel van exportrestituties in de landbouwsector alsmede de persoonlijke opvattingen van de kandidaat over het behandelde vraagstuk bevatten.
7) Van de 800 woorden van het referaat moesten er 300 aan de persoonlijke opvattingen van de kandidaten worden gewijd. De kandidaten moesten zelf het gebruikte aantal woorden tellen en dit aantal in de daartoe voorziene vakjes invullen. Bij niet-inachtneming van de genoemde voorwaarden en bij onleesbaarheid van het manuscript zou het betrokken werkstuk niet worden gecorrigeerd.
8) Na afloop van de tweede schriftelijke proef, maar vóór de verbetering ervan, gaf de jury de correctoren de instructie, de kennelijk te lange manuscripten, dat wil zeggen die van meer dan 1 200 woorden, niet na te zien.
9) Verzoekers slaagden niet voor de tweede schriftelijke proef en omdat zij voor de twee proeven te zamen niet het vereiste minimum van 60 % van de punten hadden behaald, werden zij niet toegelaten tot het mondeling gedeelte, gelijk het hoofd van de afdeling 'Aanwerving' hun bij brief van 21 maart 1988 meedeelde.
10) Slechts 172 kandidaten werden tot het mondeling gedeelte toegelaten, waarvan er 167 verschenen.
11) Ten slotte werd op 26 mei 1988 een lijst van 67 geschikte kandidaten opgesteld."
3 In deze omstandigheden hebben de oorspronkelijke verzoekers bij een op 25 mei 1988 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift beroep ingesteld tegen de Commissie, gericht op nietigverklaring van de procedure betreffende de correctie van de schriftelijke proeven van vergelijkend onderzoek COM/A/482 of althans nietigverklaring van het besluit van de jury om verzoekers niet tot de mondelinge proeven van het vergelijkend onderzoek toe te laten. Hun verzoek was hoofdzakelijk gebaseerd op het feit dat de jury van het vergelijkend onderzoek, nadat zij had besloten de kandidaten een beperkte tijd toe te kennen, hun een maximaal aantal van 800 woorden voor te schrijven en hun te verplichten deze zelf te tellen, van deze instructies was afgeweken en de correctoren had verzocht de proeven van meer dan 1 200 woorden niet te corrigeren.
4 Bij beschikking van 15 november 1989 heeft het Hof de zaak verwezen naar het Gerecht van eerste aanleg krachtens artikel 14 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1).
5 Voor het Gerecht heeft de Commissie gesteld, dat slechts vijf kandidaten van de gelaakte instructie aan de correctoren hadden geprofiteerd en dat zij niet voorkwamen op de lijst van geslaagden van het vergelijkend onderzoek. Zij heeft het Gerecht echter niet het bewijs van deze verklaringen kunnen leveren, omdat alle betrokken dossiers waren verdwenen.
6 Het Gerecht heeft "de correctie van de tweede schriftelijke proef, alsmede de in het verdere verloop van het vergelijkend onderzoek genomen besluiten" nietig verklaard en de Commissie in de kosten verwezen.
7 Tot staving van de hogere voorziening voert de Commissie drie middelen aan, respectievelijk schending van het beginsel van rechtszekerheid, van het evenredigheidsbeginsel, welke beide moeten worden afgewogen tegen de vereisten van het legaliteitsbeginsel, en van de algemene verplichting tot motivering van vonnissen. De Commissie wijst erop, dat het arrest niet wordt bestreden voor zover het de correctie van de tweede schriftelijke proef van vergelijkend onderzoek COM/A/482 nietig verklaart, maar voor zover het de gevolgen van deze nietigverklaring toepast buiten het herstel van de rechtspositie van de oorspronkelijke verzoekers. Dit arrest moet immers worden verstaan in die zin, dat het eveneens de besluiten van het verdere verloop van de procedure ongeldig verklaart, met name de lijst van geschikte kandidaten en de benoemingen op grond daarvan.
8 Voor een nadere uiteenzetting van het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport van de rechter-rapporteur. Deze elementen worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
9 Vooraf moet worden vastgesteld, dat, anders dan de Commissie beweert, noch de procedure voor het Gerecht, noch het dictum van het arrest van het Gerecht betrekking hadden of hebben op de benoemingen die op het litigieuze vergelijkend onderzoek zijn gevolgd.
10 De procedure van het vergelijkend onderzoek zoals vervat in bijlage III bij het Ambtenarenstatuut, wordt immers afgesloten met het opstellen van een lijst van geschikte kandidaten en het doorsturen van deze lijst samen met het met redenen omklede juryverslag aan het tot aanstelling bevoegd gezag. De beslissing van het Gerecht om naast de correctie van de tweede schriftelijke proef, ook "de besluiten van de verdere procedure" nietig te verklaren, kan dientengevolge niet mede de nietigverklaring van de benoemingen omvatten.
11 Hieruit volgt, dat de hogere voorziening moet worden afgewezen, voor zover zij betrekking heeft op een vermeende plicht van de Commissie, de benoemingen die op het litigieuze vergelijkend onderzoek zijn gevolgd, ongedaan te maken.
12 De Commissie betoogt, dat het Gerecht geen afweging heeft gemaakt tussen het persoonlijk belang van de vier oorspronkelijke verzoekers bij nietigverklaring van de gehele procedure van het vergelijkend onderzoek en het gerechtvaardigd vertrouwen van de in dit onderzoek geschikt bevonden kandidaten.
13 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens de rechtspraak van het Hof, wanneer in het kader van een algemeen vergelijkend onderzoek met het oog op de vorming van een aanwervingsreserve, een proef wordt nietig verklaard, de rechten van een verzoeker afdoende worden beschermd wanneer de jury en het tot aanstelling bevoegd gezag hun besluiten herzien en voor zijn geval een billijke oplossing zoeken, zonder dat het nodig is de gehele uitslag van het vergelijkend onderzoek op losse schroeven te zetten of de daaruit voortvloeiende benoemingen nietig te verklaren (arrest van 14 juli 1983, zaak 144/82, Detti, Jurispr. 1983, blz. 2421, r.o. 33).
14 Deze rechtspraak is gebaseerd op de noodzaak de belangen van de door een onregelmatigheid tijdens een vergelijkend onderzoek benadeelde kandidaten en de belangen van de andere kandidaten tegen elkaar af te wegen. De rechter is mitsdien gehouden, niet alleen de noodzaak tot herstel van de rechtspositie van de benadeelde kandidaten, maar ook het gerechtvaardigd vertrouwen van de reeds uitgekozen kandidaten in aanmerking te nemen.
15 Wat de belangen van de vier oorspronkelijke verzoekers betreft, heeft het Gerecht niet aangegeven, dat de uitgesproken sanctie noodzakelijk was voor de handhaving van hun rechtspositie.
16 Onder deze omstandigheden heeft het Gerecht het recht geschonden, door de tweede schriftelijke proef van vergelijkend onderzoek COM/A/482 in haar geheel nietig te verklaren.
17 Uit het voorgaande volgt, dat het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 12 juli 1990 (zaak T-35/89, Albani e.a., Jurispr. 1990, blz. II-395), houdende nietigverklaring van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM/A/482 betreffende de correctie van de tweede schriftelijke proef en van de in het verdere verloop van het vergelijkend onderzoek genomen besluiten, moet worden vernietigd, voor zover het de gevolgen van die nietigverklaring niet heeft beperkt tot het herstel van de rechtspositie van de vier oorspronkelijke verzoekers.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
18 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. In het onderhavige geval is het enerzijds zo, dat de conclusies van de Commissie moeten worden afgewezen waar het bestreden arrest voor haar niet de verplichting meebrengt de benoemingen die op het litigieuze vergelijkend onderzoek zijn gevolgd, ongedaan te maken, en anderzijds dat, nu het arrest van het Gerecht wordt vernietigd voor zover het de gevolgen van de nietigverklaring van de tweede schriftelijke proef van het vergelijkend onderzoek niet heeft beperkt tot het herstel van hun rechtspositie, Albani en anderen moet worden geacht in hun middelen te hebben gefaald.
19 Overigens kan het Hof krachtens artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering bepalen, dat andere interveniënten dan de Lid-Staten of de instellingen hun eigen kosten zullen dragen.
20 Onder deze omstandigheden heeft elk der partijen, daaronder begrepen interveniënten, de eigen kosten verband houdend met deze instantie te dragen, met inbegrip van die welke op het kort geding zijn gevallen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Vernietigt het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 12 juli 1990 (zaak T-35/89, Albani e.a., Jurispr. 1990, blz. II-395), houdende nietigverklaring van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM/A/482 betreffende de correctie van de tweede schriftelijke proef en van de in het verdere verloop van het vergelijkend onderzoek genomen besluiten, voor zover het de gevolgen van die nietigverklaring niet heeft beperkt tot het herstel van de rechtspositie van de vier oorspronkelijke verzoekers.
2) Wijst de hogere voorziening voor het overige af.
3) Verstaat dat elk der partijen, daaronder begrepen interveniënten, de eigen kosten verband houdend met deze instantie zal dragen, met inbegrip van die welke op het kort geding zijn gevallen.
Full & Egal Universal Law Academy