Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen - Navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer - Verjaring van navordering - Uitzondering - Strafrechtelijk vervolgbare handeling - Begrip
(Verordening nr. 1697/79 van de Raad, art. 3)
Samenvatting
Artikel 3 van verordening nr. 1697/79 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer, krachtens welk verjaring van de navordering uitgesloten is wanneer ingevolge een "strafrechtelijk vervolgbare handeling" het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten niet is kunnen worden vastgesteld, heeft enkel betrekking op die handelingen, die in de rechtsorde van de Lid-Staat waarvan de bevoegde autoriteiten rechten navorderen, als strafbare feiten in de zin van het nationale strafrecht worden aangemerkt.
Partijen
In zaak C-273/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Hessische Finanzgericht, in het aldaar aanhangig geding tussen
Meico-Fell
en
Hauptzollamt Darmstadt,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB 1979, L 197, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn, G. F. Mancini, C. N. Kakouris en M. Díez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Meico-Fell, vertegenwoordigd door W. Wirth, advocaat te Frankfurt,
- De Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Barents, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door R. Hayder, ambtenaar bij het Bondsministerie van Economische zaken van de Bondsrepubliek Duitsland, gedetacheerd bij de juridische dienst van de Commissie in het kader van de uitwisseling met nationale ambtenaren,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Commissie ter terechtzitting van 20 juni 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 28 augustus 1990, ingekomen bij het Hof op 11 september daaraanvolgend, heeft het Hessische Finanzgericht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB 1979, L 197, blz. 1).
2 Deze vraag is gerezen in een beroep dat de vennootschap Meico-Fell, gevestigd te Troese/Weinheim (Bondsrepubliek Duitsland), heeft ingesteld tegen een navorderingsbeschikking betreffende door die onderneming verschuldigde rechten voor de invoer van bewerkte wasbeervellen in 1980.
3 In de zomer van 1983 stelde het Hauptzollamt Darmstadt bij een controle in de lokalen van Meico-Fell vast, dat deze onderneming ongelooide wasbeervellen voor bewerking naar een onderneming in Canada had verzonden en deze nadien in december 1980 vrij van rechten weer had ingevoerd, waarbij zij de goederen had aangegeven als "ongelooide vellen van andere dieren". Daardoor werden te weinig douanerechten betaald. Bij navorderingsbeschikking van 24 mei 1984 vorderde het Hauptzollamt betaling van het verschil.
4 Nadat haar bezwaarschrift was afgewezen, stelde Meico-Fell beroep in bij het Hessische Finanzgericht, stellende dat de betrokken rechten overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 1697/79 na het verstrijken van een termijn van drie jaar zijn verjaard, en dat artikel 3 van de verordening, dat verjaring uitsluit in het geval van een strafrechtelijk vervolgbare handeling, op haar niet van toepassing is, daar de onzorgvuldigheid ("leichtfertige Steuerverkuerzung") die haar of haar vertegenwoordiger kan worden verweten, geen strafrechtelijk vervolgbare handeling is.
5 Van oordeel dat voor de oplossing van het geschil de uitlegging van voormeld artikel 3 noodzakelijk is, heeft het Hessische Finanzgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:
"Moet artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB 1979, L 197, blz. 1), aldus worden uitgelegd, dat onder 'strafrechtelijk vervolgbare handelingen' alleen die handelingen zijn te verstaan die formeel onder het nationale strafrecht vallen, of omvat dat begrip ook alle overtredingen van bepalingen van het belastingrecht, waarvoor een langere verjaringstermijn geldt?"
6 Uit de motivering van de verwijzingsbeschikking blijkt, dat belastingontduiking naar Duits recht weliswaar een strafrechtelijk vervolgbare handeling is, terwijl de "leichtfertige Steuerverkuerzung" slechts een "Ordnungswidrigkeit" is, doch dat voor beide een verlengde verjaringstermijn geldt.
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en het rechtskader in de hoofdzaak, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8 Artikel 3 van verordening nr. 1697/79 bepaalt:
"Wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer of bij uitvoer ter zake van het betrokken goed vast te stellen, is de in artikel 2 vastgestelde termijn niet van toepassing.
In dat geval geschiedt de navordering door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de op dit gebied in de Lid-Staten geldende bepalingen."
9 Uit de context van deze bepaling blijkt, dat de uitdrukking "strafrechtelijk vervolgbare handeling" betrekking heeft op handelingen die in de rechtsorde van de Lid-Staat waarvan de bevoegde autoriteiten rechten navorderen, als strafbare feiten in de zin van het nationale strafrecht worden aangemerkt.
10 Deze uitlegging wordt bevestigd bij onderzoek van de eenzinnige andere taalversies.
11 De betekenis die daarmee aan de uitdrukking "strafrechtelijk vervolgbare handeling" wordt gegeven, strookt met de vereisten van rechtszekerheid. Het stellen van een strafsanctie op een bepaald gedrag vormt immers een duidelijk criterium, dat de toepassing van de betrokken bepaling ondubbelzinnig garandeert, zowel voor de marktdeelnemer aan wie een dergelijk gedrag wordt verweten als voor de autoriteiten die tot navordering dienen over te gaan. Het vereiste van rechtszekerheid is van bijzonder belang wanneer het, zoals in het onderhavige geval, om een regeling gaat die voor de marktdeelnemers financiële consequenties heeft.
12 Afhankelijk van het in de verschillende Lid-Staten geldende materiële strafrecht kan de toepassing van dit criterium weliswaar tot verschillende resultaten leiden, doch dit is terug te voeren op de omstandigheid dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de strafrechtelijke kwalificatie van een bepaald gedrag niet is geharmoniseerd en derhalve een zaak van nationaal recht is.
13 Mitsdien moet op de vraag van het Hessische Finanzgericht worden geantwoord, dat artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, aldus moet worden uitgelegd, dat onder "strafrechtelijk vervolgbare handeling" enkel die handelingen zijn te verstaan, die in de rechtsorde van de Lid-Staat waarvan de bevoegde autoriteiten rechten navorderen, als strafbare feiten in de zin van het nationale strafrecht worden aangemerkt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
14 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Hessische Finanzgericht bij beschikking van 28 augustus 1990 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, moet aldus worden uitgelegd, dat onder "strafrechtelijk vervolgbare handelingen" enkel die handelingen zijn te verstaan, die in de rechtsorde van de Lid-Staat waarvan de bevoegde autoriteiten rechten navorderen, als strafbare feiten in de zin van het nationale strafrecht worden aangemerkt.
Full & Egal Universal Law Academy