Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Lid-Staten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet betwiste niet-nakoming
(EEG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-296/90,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. Marenco als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen, als gemachtigde, bijgestaan door I. Braguglia, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adélaïde 5,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen, dat de Italiaanse Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen te nemen voor de omzetting in nationaal recht van 's Raads richtlijnen 85/384/EEG van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van diploma' s, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, 85/614/EEG van 20 december 1985 tot wijziging van voornoemde richtlijn in verband met de toetreding van Spanje en Portugal, en 86/17/EEG van 27 januari 1986 tot wijziging van richtlijn 85/384/EEG in verband met de toetreding van Portugal,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, waarnemend voor de president, J. C. Moitinho de Almeida en M. Díez de Velasco, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, F. Grévisse, M. Zuleeg en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de opmerkingen van partijen ter terechtzitting van 27 juni 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 juli 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 28 september 1990, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen, dat de Italiaanse Republiek de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen te nemen voor de omzetting in nationaal recht van 's Raads richtlijnen 85/384/EEG van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB 1985, L 223, blz. 15), 85/614/EEG van 20 december 1985 tot wijziging van voornoemde richtlijn in verband met de toetreding van Spanje en Portugal (PB 1985, L 376, blz. 1), en 85/384/EEG van 27 januari 1986 tot wijziging van richtlijn 85/384/EEG in verband met de toetreding van Portugal (PB 1986, L 27, blz. 71).
2 Deze drie richtlijnen hadden in de Lid-Staten uiterlijk op 5 augustus 1987 in werking moeten treden en bevatten de verplichting voor de Lid-Staten de Commissie onverwijld van de daartoe genomen maatregelen in kennis te stellen. Voor de omzetting van artikel 22 van richtlijn 85/384 beschikten de Lid-Staten over een extra termijn van één jaar, die op 5 augustus 1988 verstreek.
3 Omdat zij niet voldoende inlichtingen had ontvangen over de maatregelen tot omzetting van de betrokken richtlijnen in het Italiaanse recht, stelde de Commissie de Italiaanse regering op 31 december 1988, overeenkomstig de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag, in de gelegenheid haar opmerkingen te maken. Toen antwoord uitbleef, bracht de Commissie op 22 januari 1990 een met redenen omkleed advies uit. Toen ook hierop niet werd gereageerd, stelde zij het onderhavige beroep in.
4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
5 De Italiaanse regering ontkent niet, dat zij de op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
6 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet binnen de gestelde termijn de noodzakelijke maatregelen te nemen voor de omzetting in nationaal recht van de richtlijnen 85/384, 85/614 en 86/17.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
7 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen te nemen voor de omzetting in nationaal recht van 's Raads richtlijnen 85/384/EEG van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, 85/614/EEG van 20 december 1985 tot wijziging van voornoemde richtlijn in verband met de toetreding van Spanje en Portugal, en 86/17/EEG van 27 januari 1986 tot wijziging van richtlijn 85/384/EEG in verband met de toetreding van Portugal, is de Italiaanse Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy