Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - Beoordeling van Commissie gebaseerd op bepaald aantal essentiële factoren - Gedeeltelijk onjuiste beoordeling - Gevolgen
(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 4, lid 2)
2. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - Omvang van invoer - Vaststelling op basis van door betrokken exporteurs verstrekte antwoorden op questionnaires - Toelaatbaarheid bij gebreke van bruikbare communautaire statistieken
(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 4, lid 2)
3. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - Omvang van invoer - Ontwikkeling van marktaandeel van invoer - Beoordeling in verhouding tot omvang van totale markt - Geen verplichting tot specifieke motivering
(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 4, lid 2)
4. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - Invloed van omvang en prijzen van ingevoerde produkten op betrokken communautaire produktie - Onderzoek aan hand van werkelijke of mogelijke tendensen - Verplichting tot samenwerking voor communautaire producenten
(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 4, lid 2)
Samenvatting
1. Wanneer de Commissie bij haar onderzoek van een klacht over invoer met dumping waarbij zij voor het onderzoek van een eventuele schade artikel 4, lid 2, van de anti-dumping-basisverordening nr. 2423/88 toepast, doch rekening houdend met alle in deze bepaling genoemde factoren, sommige factoren als essentieel heeft beschouwd, mag een onjuiste beoordeling van enkele van deze factoren niet geacht worden geen invloed op de geldigheid van het vastgestelde besluit te hebben.
2. Wat betreft de omvang van de invoer, waarmee ingevolge artikel 4, lid 2, van de basisverordening rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de vraag of de schade aan invoer met dumping kan worden toegerekend, mag men de Commissie niet verwijten, dat zij zich heeft gebaseerd op specifieke gegevens die haar onderzoek hadden opgeleverd, namelijk de door de betrokken exporteurs gegeven antwoorden op de questionnaires, ook al stemden deze gegevens niet overeen met de communautaire statistieken, wanneer deze statistieken de betrokken produkten onder een tariefpost indelen die eveneens andere produkten omvat en zij derhalve geen bewijs kunnen verschaffen. Door aldus te handelen heeft de Commissie de omvang van de betrokken invoer namelijk vastgesteld op basis van gegevens waarover zij redelijkerwijs kon beschikken.
3. Volgens artikel 4, lid 2, sub a, van de basisverordening moet de omvang van de invoer worden onderzocht, met name om vast te stellen of de invoer aanzienlijk is toegenomen, hetzij in absolute cijfers, hetzij ten opzichte van de produktie of het verbruik in de Gemeenschap.
Hieruit volgt dat, wanneer de stijging van de invoer niet in absolute cijfers wordt uitgedrukt in beginsel, in verhouding tot de gehele produktie of het gehele verbruik in de Gemeenschap, dat wil zeggen in verhouding tot de omvang van de "totale markt", moet worden beoordeeld welk gedeelte van de markt wordt bestreken door de invoer waartegen de dumpingklacht is gericht. Voor afwijking van deze regel kan slechts grond bestaan, wanneer de betrokken markt wordt gekenmerkt door een duidelijke scheiding tussen een "gebonden markt" en de "vrije markt", omdat in een dergelijk geval de verkopen op de "gebonden markt" in concurrentie treden met de op de "vrije markt" verkochte produkten en derhalve geen invloed van dumping kunnen ondergaan.
Door het verloop van het marktaandeel van de invoer op basis van de "totale markt" te beoordelen, heeft de Commissie niets anders gedaan dan de regel van artikel 4, lid 2, sub a, van de basisverordening toepassen, zodat geen specifieke motivering noodzakelijk was.
4. Volgens artikel 4, lid 2, sub c, van de basisverordening moet de invloed van de invoer worden beoordeeld aan de hand van tendensen in de desbetreffende economische factoren. Dit betekent, dat gefundeerde conclusies over de invloed van de invoer eerst kunnen worden getrokken, wanneer in het bijzonder de financiële situatie van de communautaire producenten ten tijde van het onderzoek kan worden vergeleken met die in voorgaande jaren, hetgeen onderstelt, dat de betrokken ondernemingen met de Commissie samenwerken en haar voor de voorafgaande jaren gegevens over hun financiële situatie verstrekken.
Partijen
In zaak C-315/90,
Groupement des industries de matériels d' équipement électrique et de l' électronique industrielle associée (Gimelec), te Parijs,
Asociación nacional de fabricantes de bienes de equipo (Sercobe), te Madrid,
Sole SpA, vennootschap naar Italiaans recht, te Pordenone (Italië), en
Nuova IB-MEI SpA, vennootschap naar Italiaans recht, te Asti (Italië),
vertegenwoordigd door J. F. Bellis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van F. Brausch, advocaat aldaar, Rue Zithe 8,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. White, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door C. M. Happe, rechter in Duitsland, gedetacheerd bij de Commissie in het kader van de uitwisseling van ambtenaren tussen de Commissie en de Lid-Staten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van besluit 90/399/EEG van de Commissie van 26 juli 1990 tot beëindiging van de anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde eenfase-elektromotoren met twee snelheden, van oorsprong uit Bulgarije, Roemenië en Tsjechoslowakije (PB 1990, L 202, blz. 47),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: F. Grévisse, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 25 juni 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 15 oktober 1990, hebben Groupement des industries de matériels d' équipement électrique et de l' électronique industrielle associée (Gimelec) en Asociación nacional de fabricantes de bienes de equipo (Sercobe) alsmede de vennootschappen naar Italiaans recht Sole SpA en Nuova IB-MEI SpA krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van besluit 90/399/EEG van de Commissie van 26 juli 1990 tot beëindiging van de anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde eenfase-elektromotoren met twee snelheden, van oorsprong uit Bulgarije, Roemenië en Tsjechoslowakije (PB 1990, L 202, blz. 47; hierna: het "bestreden besluit").
2 In juli 1989 hebben Gimelec en Sercobe alsmede Associazione Nazionale Industrie Elettrotechniche e Elettroniche (ANIE), branche-organisaties die de communautaire producenten vertegenwoordigen van eenfase-elektromotoren met twee snelheden die worden gebruikt bij de fabricage van langzaam draaiende wasmachines (hierna: "elektromotoren"), overeenkomstig de bepalingen van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1988, L 209, blz. 1; hierna: de "basisverordening"), bij de Commissie een klacht ingediend over dumpingpraktijken bij de invoer van soortgelijke elektromotoren van oorsprong uit Bulgarije, Roemenië en Tsjechoslowakije.
3 Van mening dat de klacht voldoende bewijsmateriaal bevatte voor het bestaan van dumping en daardoor veroorzaakte schade, heeft de Commissie door middel van een bericht in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 14 november 1989 (PB 1989, C 286, blz. 11) de inleiding van een anti-dumpingprocedure aangekondigd en is zij met een onderzoek begonnen.
4 Aan het slot van dit onderzoek, dat betrekking had op de periode van 1 januari tot en met 30 september 1989, kwam de Commissie tot de slotsom, dat de invoer van elektromotoren van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije de bedrijfstak van de Gemeenschap niet ernstig had geschaad. Bulgarije werd door de Commissie van het onderzoek uitgesloten, omdat in 1988 en tijdens het onderzoektijdvak geen invoer uit dat land was geconstateerd.
5 Mitsdien nam de Commissie krachtens artikel 9 van de basisverordening het bestreden besluit.
6 Tot staving van hun beroep voeren verzoeksters twee middelen aan. Het eerste middel is gericht tegen de conclusie van de Commissie, dat de invoer van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije geen aanmerkelijke schade heeft berokkend, en het tweede tegen het feit dat de invoer uit Bulgarije van het onderzoek is uitgesloten.
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
Het middel betreffende het ontbreken van aanmerkelijke schade ten gevolge van de invoer van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije.
8 In dit middel betogen verzoeksters, dat het bestreden besluit kennelijk onjuist is, omdat het in de eerste plaats steunt op een vermeende daling van het marktaandeel van de betrokken invoer en in de tweede plaats op het feit, dat deze invoer geen invloed zou hebben gehad op de prijzen van de communautaire producenten. Bovendien zouden deze beide factoren in het bestreden besluit onvoldoende en onjuist zijn gemotiveerd.
9 Vooraf merkt de Commissie op, dat uit de punten 8 tot en met 16 van het bestreden besluit blijkt, dat het niet uitsluitend op de twee door verzoeksters genoemde gronden berust, maar dat rekening is gehouden met alle in artikel 4, lid 2, van de basisverordening genoemde factoren. Volgens de Commissie is de kritiek van verzoeksters, ook al zou zij juist zijn, derhalve geenszins toereikend om haar vaststelling dat er geen sprake van aanmerkelijke schade is, te kunnen ontkrachten.
10 Dit standpunt kan niet worden aanvaard. In dupliek erkent de Commissie zelf, dat een bepaald aantal essentiële factoren, waaronder met name de door verzoeksters genoemde, haar tot de constatering heeft gebracht, dat er geen schade is. Aangezien het om essentiële factoren gaat, kan niet worden aangenomen dat, wanneer de bezwaren van verzoeksters tegen de beoordeling van twee factoren door de Commissie terecht zouden zijn, het bestreden besluit, gelet op de overige in aanmerking genomen factoren, niettemin geldig zou zijn.
11 Bijgevolg moeten de argumenten van verzoeksters met betrekking tot de twee bedoelde factoren worden onderzocht, te weten de daling van het marktaandeel van de invoer van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije, en het ontbreken van invloed van deze invoer op de verkoopprijzen van de communautaire producenten.
De daling van het marktaandeel van de invoer van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije
12 Om te beginnen betwisten verzoeksters de betrouwbaarheid van de gegevens op basis waarvan de omvang van de betrokken invoer in de jaren 1986 tot 1988 en tijdens de onderzoekperiode is vastgesteld, omdat zij uitsluitend afkomstig zijn uit de door de Roemeense en Tsjechoslowaakse exporteurs gegeven antwoorden op de anti-dumping questionnaires, niet zijn gecontroleerd en niet overeenstemmen met de gegevens waarover verzoeksters beschikken.
13 Dienaangaande moet worden beklemtoond, dat de Commissie zich in casu mocht baseren op de specifieke gegevens die haar onderzoek hadden opgeleverd, ook al stemden deze gegevens niet overeen met de communautaire statistieken die verzoeksters als uitgangspunt hebben genomen. Gelijk de Commissie heeft aangevoerd, zonder op dit punt door verzoeksters te zijn tegengesproken, kunnen de communautaire statistieken namelijk geen bewijs verschaffen, omdat de elektromotoren daarin zijn ingedeeld onder een tariefpost die eveneens andere produkten omvat.
14 Hieruit volgt, dat de Commissie de omvang van de betrokken invoer heeft vastgesteld op basis van de gegevens waarover zij redelijkerwijs kon beschikken.
15 Het argument van verzoeksters ontleend aan de betrouwbaarheid van deze gegevens moet dus worden verworpen.
16 Vervolgens betogen verzoeksters, dat de Commissie met haar opvatting, dat een stijging van het marktaandeel van de betrokken invoer een conditio sine qua non vormde voor het vaststellen van schade in de zin van artikel 4, lid 2, van de basisverordening, dit artikel verkeerd heeft uitgelegd.
17 Er moet op worden gewezen, dat het onderzoek naar de schade volgens artikel 4, lid 2, van de basisverordening gebaseerd moet zijn op een reeks factoren, waarbij een van deze factoren afzonderlijk beschouwd geen beslissende betekenis kan hebben (zie arrest van 11 juli 1990, gevoegde zaken C-305/86 en C-160/87, Neotype Techmashexport, Jurispr. 1990, blz. I-2945, r.o. 50).
18 Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt, dat de Commissie de schade inderdaad heeft vastgesteld aan de hand van verscheidene van de in artikel 4, lid 2, van de basisverordening genoemde factoren. Haar evaluatie van de situatie heeft namelijk betrekking op de omvang van de invoer in absolute cijfers en in vergelijking met het verbruik in de Gemeenschap (punten 8 en 9), de prijzen van de ingevoerde produkten (punt 10), de produktie in de Gemeenschap (punt 11), de bezettingsgraad in de bedrijfstak van de Gemeenschap (punt 12), de verkopen van de bedrijven in de Gemeenschap en hun marktaandeel (punten 13 en 14), de verkoopprijzen van de producenten in de Gemeenschap (punt 15) en hun winsten (punt 16).
19 Deze beoordeling van de Commissie is in overeenstemming met de in artikel 4, lid 2, van de basisverordening neergelegde criteria voor het onderzoek naar de schade, zelfs al heeft zij de daling van het marktaandeel van de betrokken invoer als een essentiële factor beschouwd.
20 Onder die omstandigheden is het argument van verzoeksters betreffende een verkeerde uitlegging van artikel 4, lid 2, van de basisverordening ongegrond.
21 Verder stellen verzoeksters, dat de Commissie hen duidelijk heeft gediscrimineerd door in casu zonder reden af te wijken van haar vaste beleid, uitsluitend rekening te houden met de "vrije markt" ingeval een gedeelte van de communautaire produktie binnen de "gebonden markt" van een geïntegreerde groep wordt verkocht, omdat er dan ten aanzien van dit gedeelte niet kan worden gesproken van normale handelstransacties en het dus geen invloed ondervindt van de invoer met dumping. Wanneer de Commissie dit beleid had gevolgd, zou zij hebben vastgesteld, dat de betrokken invoer niet alleen een groter marktaandeel vertegenwoordigde (39 tot 40 %, en meer dan 50 % op de Italiaanse markt), maar ook dat dit aandeel tussen 1986 en 1989 stabiel was gebleven dan wel licht was gestegen.
22 In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat volgens artikel 4, lid 2, sub a, van de basisverordening bij het onderzoek naar de omvang van de invoer in het bijzonder moet worden nagegaan "of deze invoer aanzienlijk is toegenomen, hetzij in absolute cijfers, hetzij ten opzichte van de produktie of het verbruik in de Gemeenschap".
23 Hieruit volgt, dat wanneer de stijging van de invoer niet in absolute cijfers wordt uitgedrukt, in beginsel in verhouding tot de gehele produktie of het gehele verbruik in de Gemeenschap, dat wil zeggen in verhouding tot de omvang van de "totale markt", moet worden beoordeeld welk gedeelte van de markt wordt bestreken door de invoer waartegen de dumpingklacht is gericht. Voor afwijking van deze regel kan slechts grond bestaan, wanneer de betrokken markt wordt gekenmerkt door een duidelijke scheiding tussen een "gebonden markt" en de "vrije markt", omdat in een dergelijk geval de verkopen op de "gebonden markt" niet in concurrentie treden met de op de "vrije markt" verkochte produkten en derhalve geen invloed van dumping kunnen ondergaan.
24 In bepaalde specifieke procedures is de Commissie uitgegaan van uitsluitend de "vrije markt" ten einde de stijging van het marktaandeel van de invoer met dumping tot uitdrukking te brengen, doch hierin kan niet een vast beleid worden gezien. In die procedures heeft de Commissie namelijk niets anders gedaan dan in overeenstemming met het doel van artikel 4 van de basisverordening de criteria toepassen op grond waarvan mag worden afgeweken van de algemene regel, dat moet worden uitgegaan van de "totale markt".
25 In de onderhavige anti-dumpingprocedure evenwel heeft de Commissie zich ter beoordeling van de schade terecht op de omvang van de invoer in verhouding tot de "totale markt" gebaseerd, gelet op een aantal feiten die verzoeksters niet hebben betwist. Zo worden de elektromotoren, zowel ingevoerde als uit de Gemeenschap afkomstige, op dezelfde markt verkocht en voor hetzelfde doel gebruikt, te weten ter vervaardiging van wasmachines. Bovendien verkopen de producenten van elektromotoren die verbonden zijn met producenten van wasmachines eveneens motoren aan andere producenten van wasmachines en berekenen daarbij praktisch dezelfde prijzen als aan de producenten waarmee zij verbonden zijn. Ten slotte kopen de wasmachineproducenten ook ingevoerde elektromotoren en motoren die door de twee zogenaamde onafhankelijke producenten zijn vervaardigd.
26 Gelet op deze overwegingen kan de Commissie niet worden verweten, dat zij verzoeksters duidelijk heeft gediscrimineerd door de ontwikkeling van het marktaandeel van de invoer op basis van de "totale markt" te beoordelen.
27 Met betrekking tot de bewering van verzoeksters, dat de Commissie haar weigering om enkel met de "vrije markt" rekening te houden niet heeft gemotiveerd, behoeft er slechts op te worden gewezen, dat de Commissie door het verloop van het marktaandeel van de invoer op basis van de "totale markt" te beoordelen, niets anders heeft gedaan dan de regel van artikel 4, lid 2, sub a, van de basisverordening toepassen, zodat geen specifieke motivering noodzakelijk was.
28 Het argument van verzoeksters, dat de Commissie hen duidelijk heeft gediscrimineerd door zonder reden te weigeren, rekening te houden met de vrije markt, moet derhalve eveneens worden verworpen.
29 Uit het voorgaande volgt, dat het middel betreffende de daling van het marktaandeel van de invoer van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije moet worden verworpen.
De invloed van de invoer van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije op de prijzen van de communautaire producenten
30 Om te beginnen stellen verzoeksters, dat de motivering waarop de Commissie de conclusie baseert, dat de betrokken invoer geen enkele invloed op de prijzen van de communautaire producenten heeft gehad, fundamenteel onsamenhangend is, omdat de Commissie stelselmatig andere oorzaken dan de invloed van de betrokken invoer heeft geprobeerd te vinden ter verklaring van het feit dat "de financiële positie van de producenten van de Gemeenschappen (...) enigszins achteruit scheen te zijn gegaan", zoals uitdrukkelijk in punt 16 van het bestreden besluit wordt geconstateerd.
31 In dit verband betogen verzoeksters in de eerste plaats, dat de stijging met 3 tot 4 % van de verkoopprijzen van de communautaire producenten, die is vastgesteld voor de twee ondernemingen die nog winst maakten, namelijk Selni en IB-MEI, niet bewijst dat zij geen schade zouden hebben geleden, omdat deze prijsverhoging zonder de invoer met dumping nog meer zou hebben bedragen, en omdat hierin slechts de hogere produktiekosten als gevolg van de stijging van de wereldkoperprijs in 1989 waren verwerkt.
32 Wat het eerste onderdeel van dit argument betreft, moet worden beklemtoond, dat volgens de bewoordingen zelf van artikel 4, lid 2, sub c, van de basisverordening de invloed van de invoer moet worden beoordeeld aan de hand van tendensen in de desbetreffende economische factoren. Dit betekent, dat gefundeerde conclusies over de invloed van de invoer eerst kunnen worden getrokken, wanneer de financiële situatie van de communautaire producenten ten tijde van het onderzoek kan worden vergeleken met die in voorgaande jaren.
33 De Commissie was evenwel niet in staat een dergelijke vergelijking te maken, aangezien twee ondernemingen die tijdens het onderzoektijdvak bijna de helft van de produktie van de Gemeenschap vertegenwoordigden, namelijk Sole en Nuova IB-MEI, geen gegevens hebben verstrekt over hun financiële positie in de voorgaande jaren. Door dit gebrek aan medewerking was de Commissie evenmin in staat na te gaan, of de prijsverhoging werkelijk voldoende was voor het herstel van de financiële situatie van de communautaire producenten.
34 Hieruit volgt, dat het eerste onderdeel van dit argument faalt.
35 Wat het tweede onderdeel betreft heeft de Commissie ter terechtzitting verklaard, dat uit een controle van de tijdens het onderzoektijdvak betaalde rekeningen niet was gebleken van enige invloed van de stijging van de wereldkoperprijs op de produktiekosten van de communautaire producenten. Zonder op dit punt door verzoeksters te zijn tegengesproken heeft de Commissie gesteld, dat de gedurende dit tijdvak opgetreden stijging van de wereldkoperprijs niet was terug te vinden in de prijzen die in diezelfde tijd aan sommige producenten waren berekend. Onder die omstandigheden mocht de Commissie als niet bewezen beschouwen, dat de produktiekosten tijdens het onderzoektijdvak waren gestegen ten gevolge van de stijging van de koperprijs.
36 Het tweede onderdeel van dit argument faalt dus eveneens.
37 In de tweede plaats betogen verzoeksters, dat de Commissie bij haar onderzoek naar de omvang van de invoer is uitgegaan van de "totale markt", maar haar onderzoek naar de invloed van de invoer wat de twee ondernemingen betreft die verlies leden, namelijk Nuova IB-MEI en Sole, heeft beperkt tot de "vrije markt", waarbij zij de geleden verliezen aan het aankoopbeleid van de groepen toeschreef en voorbij is gegaan aan het feit, dat de verkopen op de "totale markt" verliesgevend waren.
38 Dit argument kan niet worden aanvaard. Wat de financiële positie van Nuova IB-MEI betreft, heeft de Commissie op overtuigende wijze uiteengezet, dat dit bedrijf de dochteronderneming was van een onafhankelijk producent die winst maakte, namelijk IB-MEI, en dat bij gebrek aan gegevens over de financiële positie in de voorgaande jaren niet kon worden aangetoond dat de tijdens het onderzoektijdvak geleden verliezen aan bedoelde invoer te wijten waren. Wat de financiële positie van Sole betreft, moet worden vastgesteld, dat de Commissie terecht de invloed van de invoer op de "vrije markt" heeft beoordeeld, omdat de verkopen binnen de groep niet noodzakelijkerwijs normale handelstransacties zijn en het dus niet zeker is, dat de daarop gebaseerde resultaten een economische realiteit weergeven.
39 Het argument dat de motivering op grond waarvan de Commissie heeft geconcludeerd dat de betrokken invoer geen invloed op de prijzen van de communautaire producenten heeft gehad, fundamenteel onsamenhangend is, moet dus worden verworpen.
40 Voorts stellen verzoeksters, dat deze conclusie onvoldoende is gemotiveerd, omdat de identiteit van de communautaire producenten niet wordt vermeld en de aangevoerde redenen gedeeltelijk in elkaar overlopen.
41 Dit argument faalt. De Commissie heeft de namen van de communautaire producenten bij wie ter plaatse een onderzoek is ingesteld, vermeld in punt 5 van het bestreden besluit. Hierdoor kunnen eveneens die communautaire producenten worden geïdentificeerd die worden bedoeld in de punten 15 tot en met 17 van het bestreden besluit betreffende het onderzoek van de verkoopprijzen en winstmarges van de producenten in de Gemeenschap. Onder die omstandigheden voldoet de door de Commissie gegeven motivering aan de in vaste rechtspraak ontwikkelde vereisten van artikel 190 EEG-Verdrag, volgens welke de motivering van een handeling de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig dient te doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en hun rechten kunnen verdedigen, en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen (zie laatstelijk het arrest van 7 mei 1991, zaak C-69/89, Nakajima All Precision, Jurispr. 1991, blz. I-2069, r.o. 14).
42 Gelet op al deze overwegingen is het middel betreffende het ontbreken van invloed van de invoer van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije op de verkoopprijzen van de communautaire producenten ongegrond.
43 Hieruit volgt, dat het middel inzake het ontbreken van aanmerkelijke schade ten gevolge van de invoer van oorsprong uit Roemenië en Tsjechoslowakije in zijn geheel moet worden verworpen.
Het middel betreffende de invoer van oorsprong uit Bulgarije
44 Met dit middel stellen verzoeksters, dat de Commissie zonder geldige reden de invoer van oorsprong uit Bulgarije van haar onderzoek heeft uitgesloten, hoewel de branche-organisaties in hun anti-dumpingklacht nochtans de aandacht van de Commissie hadden gevestigd op de dreiging die uitging van de 50 000 elektromotoren van oorsprong uit dit land, die in 1988 in Spanje waren ingevoerd.
45 Uit de verklaringen van de Commissie blijkt, dat haar besluit om de invoer uit Bulgarije uit te sluiten, berust op gegevens uit drie verschillende bronnen. In de eerste plaats gaven de Eurostat-statistieken geen invoer van elektromotoren van oorsprong uit Bulgarije te zien. Bovendien had de Bulgaarse exporteur verklaard, dat hij in 1988 en 1989 niets naar de Gemeenschap had uitgevoerd. Ten slotte had de Spaanse douane bevestigd, dat in 1988 en tijdens het onderzoektijdvak geen elektromotoren van oorsprong uit Bulgarije waren ingevoerd.
46 Wat dit laatste punt betreft, betogen verzoeksters, dat de Commissie niet alleen bij de Spaanse, maar ook bij de Italiaanse en de Franse douane had moeten nagaan of er elektromotoren waren ingevoerd.
47 In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat de Commissie een aanvullende controle bij de Spaanse douane heeft verricht, omdat de verklaring van de Bulgaarse exporteur en de Eurostat-statistieken niet strookten met de bewering van de branche-organisaties, dat in 1988 50 000 elektromotoren in Spanje zouden zijn ingevoerd. Het dossier bevatte evenwel geen enkele aanwijzing op grond waarvan kon worden verondersteld, dat er elektromotoren van oorsprong uit Bulgarije in Italië of in Frankrijk waren ingevoerd, hetgeen een aanvullende controle had kunnen rechtvaardigen.
48 Onder die omstandigheden kan de Commissie niet worden verweten, dat zij geen aanvullende controle heeft verricht voor de invoer in Italië en in Frankrijk.
49 Meer in het algemeen hebben verzoeksters hun bezwaren tegen het standpunt van de Commissie onvoldoende onderbouwd. Zij hebben met name voor de invoer van 50 000 elektromotoren van oorsprong uit Bulgarije geen enkel bewijs aangevoerd.
50 Mitsdien moet het middel betreffende de uitsluiting van deze invoer worden verworpen.
51 Aangezien geen van de door verzoeksters aangevoerde middelen kan slagen, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
52 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij hoofdelijk in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoeksters hoofdelijk in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy